Het sluiten van een subtraject Geen andere versie om mee te vergelijken 8.1 Een subtraject met een ZT 11 of 21 (initiële of vervolgbehandeling) wordt gesloten: a. Bij een klinisch subtraject met ZT11 en 21: – Op de 42e dag na ontslagdatum 6 . – Wanneer binnen deze 42-dagen periode na (de laatste) ontslagdatum nog een dagverpleging (1 of meer) of operatieve ingreep (1 of meer) plaatsvindt, dan wordt toch afgesloten op de 42e dag na ontslag uit de kliniek. – Wanneer binnen deze 42-dagen periode een klinische (her) opname plaatsvindt dan wordt afgesloten op de 42e dag na de ontslagdatum van de laatste klinische opname. b. Bij een niet-klinisch subtraject (dagverpleging of polikliniek) met operatieve ingrepen, met ZT11 en 21: – Op de 42e dag na de datum waarop de operatieve ingreep heeft plaatsgevonden. – Wanneer binnen deze 42 dagen de patiënt opnieuw een operatieve ingreep ondergaat dan wordt afgesloten op de 42e dag na de datum van de laatste ingreep. c. Bij een niet-klinisch subtraject (dagverpleging of polikliniek) met een conservatieve (= niet-operatieve) behandeling: – met ZT11: op de 90e dag na de opening van het subtraject; – met ZT21: op de 365e dag na de opening van het subtraject. d. Op de 365e dag indien het subtraject na 365 dagen nog open staat. Eventueel kan op de volgende dag een volgend subtraject worden geopend. e. Bij het afsluiten van het zorgtraject: (zie artikel 9 ) – Een subtraject met ZT13 (intercollegiaal consult) wordt afgesloten wanneer het bijbehorende zorgtraject wordt afgesloten. – Een subtraject met ZT41 (bij levering van een overig product (OVP) door een poortspecialist op verzoek van de eerstelijn of een specialisme werkzaam binnen dezelfde instelling, waarvoor de DBC-systematiek niet geldt, bv. kaakchirurgie), wordt afgesloten wanneer het bijbehorende zorgtraject wordt afgesloten. – Een subtraject met ZT51 en 52 met betrekking tot de opname op een IC-afdeling, wordt afgesloten wanneer het bijbehorende IC-zorgtraject wordt afgesloten. Een subtraject met ZT51 met betrekking tot het leveren van zorg in het kader van ondersteuning aan de hoofdbehandelaar, wordt afgesloten wanneer het bijbehorende zorgtraject wordt afgesloten. 8.2 Van de in artikel 8.1 vermelde algemene afsluitregels mag uitsluitend worden afgeweken indien zich één of meer van de in dit artikel opgesomde uitzonderingen voordoen. Dan geldt de genoemde afsluitingsregel 7 . a. Sluitingsregels voor de volgende medicinale oncologische behandelingen (1.0000.1): – chemo-immunotherapie – immunotherapie – chemotherapie bij acute leukemie – chemotherapie bij gemetastaseerde tumoren – chemotherapie bij niet gemetastaseerde tumoren – hormonale therapie bij gemetastaseerde tumoren – hormonale therapie bij niet gemetastaseerde tumoren Behandeling binnen een klinisch subtraject: – Een klinisch subtraject met een medicinale oncologische behandeling per infuus of injectie – behalve bij acute leukemie – wordt 42 dagen na ontslag uit de kliniek afgesloten, tenzij er een nieuwe toediening per infuus of injectie binnen de 42 dagen plaatsvindt – ongeacht of dit klinisch – danwel niet-klinisch gebeurt. Het subtraject wordt dan één dag voor de datum van de nieuwe toediening gesloten en een nieuw subtraject wordt geopend. Wanneer binnen 42 na ontslag van de voorafgaande opname een heropname plaatsvindt voor het voortzetten van een medicinale oncologische behandeling per infuus of injectie, wordt het subtraject afgesloten en een nieuw subtraject geopend. Het moment van afsluiten is één dag voor de start van de nieuwe klinische opname. Indien de heropname plaatsvindt na de 42e dag na ontslag, gelden de algemene regels. – Voor orale oncologische medicatie geldt de algemene regel dat het subtraject 42 dagen na ontslag uit de kliniek afgesloten wordt. Alleen bij overgang naar een andere soort medicinale oncologische behandeling wordt het subtraject een dag voor de start van de andere therapie gesloten en een nieuw subtraject geopend. (Bijvoorbeeld als een hormonale therapie wordt vervolgd door een chemotherapie.) Wanneer binnen 42 dagen na ontslag van de voorgaande opname een heropname plaatsvindt voor het voortzetten van de medicinale oncologische behandeling, wordt het subtraject afgesloten en een nieuw subtraject geopend. Moment van afsluiten is één dag voor de start van de nieuwe klinische opname. Indien de heropname plaatsvindt na de 42e dag na ontslag, gelden de algemene regels. Behandeling binnen een niet klinisch subtraject: – Een niet klinisch subtraject met een medicinale oncologische behandeling per infuus of injectie – behalve bij acute leukemie – wordt 42 dagen na toediening per infuus of injectie afgesloten tenzij er een nieuwe toediening per infuus of injectie binnen de 42 dagen plaatsvindt, ongeacht of dit klinisch danwel niet-klinisch gebeurt. Het subtraject wordt in dat geval één dag voor de datum van de nieuwe toediening gesloten en een nieuw subtraject wordt geopend. – Voor orale oncologische medicatie geldt dat het subtraject 42 dagen na de uitvoerdatum van de eerste begeleidingszorgactiviteit binnen het subtraject afgesloten wordt. Alleen bij overgang naar een andere soort medicinale oncologische behandeling wordt het subtraject een dag voor de start van de andere therapie gesloten en een nieuw subtraject geopend. Bijvoorbeeld als een hormonale therapie wordt vervolgd door een chemotherapie. Sluitingsregels voor medicinale oncologische behandeling per infuus of injectie van acute leukemie: – Bij een medicinale oncologische behandeling per infuus of injectie van acute leukemie wordt het subtraject gesloten op iedere 30ste behandeldag (klinisch dag en/of dagverpleging) of 42 dagen na de laatste behandeldag indien er geen 30 behandeldagen hebben plaatsgevonden. Toelichting Voor de bepalingen in artikel 8.2a geldt: – Indien medicinale oncologische behandeling ter voorbereiding op een stamceltransplantatie plaatsvindt, dient voor het stamceltransplantatietraject een parallel zorg/subtraject met dezelfde diagnose te worden geopend. – De regels voor medicinale oncologische behandelingen zijn niet van toepassing op blaasspoelingen bij urologie (zie artikel 8.2.e ). b. Bij chronische zorg met thuisbeademing wordt telkens na een periode van 30 dagen afgesloten. Het zorgprofiel bevat tenminste één van de zorgactiviteiten voor thuisbeademing. De voorbereidingsfase wordt afgesloten op de dag voor de start van de chronische thuisbeademing tenzij deze niet leidt tot chronische thuisbeademing. In het laatste geval gelden de algemene regels voor afsluiting als vermeld in artikel 8.1 (1.0000.2). c. Chronische zorg met hemodialyse wordt afgesloten telkens na een periode van zeven dagen. Het zorgprofiel bevat tenminste één van de zorgactiviteiten voor hemodialyse (1.0000.3). d. Bij niet-klinische subtrajecten Urologie voor behandeling met blaasspoelingen bij interstitiële cystitis wordt het subtraject telkens na 90 dagen afgesloten (1.0306.1). e. Bij niet-klinische subtrajecten Urologie voor behandeling met blaasspoelingen bij blaascarcinomen wordt het subtraject telkens na 90 dagen afgesloten (1.0306.2). f. Bij niet-klinische subtrajecten Urologie voor behandeling met APD- of andere bisfosfonaat infusen wordt het subtraject telkens na 90 dagen afgesloten (1.0306.3). g. Bij prenatale diagnostiek en intra-uteriene ingrepen (diagnosen V31 t/m V35 8 ) wordt het subtraject Gynaecologie afgesloten één dag voor de andere prenatale diagnostiek of intra-uteriene ingreep, of conform de algemene regel als vermeld in artikel 8.1 indien de andere diagnostiek of ingreep later dan dit moment start (1.0307.1). h. Een subtraject Neonatologie wordt afgesloten op de dag van ontslag (ontslagdatum) van de neonaat uit het ziekenhuis (1.0316.1). i. Voor het specialisme Cardiologie worden subtrajecten afgesloten (1.0320.1): – Wanneer de patiënt uit controle of behandeling wordt ontslagen c.q. komt te overlijden. – Wanneer bij initiële subtrajecten (ZT11) sprake is van ontslag uit de kliniek of dagverpleging, behalve bij ontslag na een opname in het kader van diagnostiek of cardioversie. – Wanneer de diagnose is gesteld en de behandeling ingezet wordt. – Wanneer de behandeling is afgerond (in geval van invasieve therapie) en er een langdurig controletraject met de patiënt wordt afgesproken. – Wanneer de patiënt met een aantoonbaar andere, nieuwe zorgvraag komt en voor deze zorgvraag een nieuw zorgtraject (diagnosestelling/behandeling) noodzakelijk is. Dit geldt ook wanneer de patiënt op de SEH komt voor een andere, nieuwe zorgvraag. In deze situaties wordt serieel een nieuw zorgtraject geopend. j. Wanneer bij exacerbatie van COPD een heropname plaatsvindt binnen 42 dagen na ontslag van de voorgaande opname, wordt het subtraject Longgeneeskunde afgesloten en een nieuw subtraject geopend. Moment van afsluiten is één dag voor de start van de nieuwe klinische opname. Indien de heropname plaatsvindt na de 42e dag na ontslag, gelden de algemene regels (1.0322.1). k. Indien bij een vervolgbehandeling reumatologie (ZT21) de behandelsetting wijzigt, wordt het subtraject reumatologie afgesloten en mag een nieuw subtraject worden geopend. Moment van afsluiten is één dag voor de start van de behandeling in de nieuwe setting of conform de algemene regel (genoemd in artikel 8.1 ), indien de behandeling in nieuwe setting later dan dit moment start. Echter, indien logischerwijs de behandeling in tempi wordt uitgevoerd gelden de algemene regels. Voorbeelden in tempi: het meer malen toedienen van Remicade of APD- of andere bisfosfonaat infusen (1.0324.1). l. Voor het registratiejaar 2012 geldt voor de Revalidatiegeneeskunde de bestaande uitzonderingsregel zoals geformuleerd in de specialisme specifieke toelichting. Daarnaast geldt voor de specialistische Revalidatie Behandeling (SRB) de uitzondering dat het subtraject wordt afgesloten één dag voor de start van de nieuwe SRB behandeling of conform de algemene regel indien de nieuwe behandeling later dan dit moment start. Een SRB behandeling is nooit de primaire behandelvorm en wordt altijd geregistreerd als een parallel zorgtraject naast een reeds lopend zorgtraject (1.0327.1). m. Indien er bij de behandeling Klinische geriatrie een verergering van het probleem ontstaat waarvoor (opnieuw) een Comprehensive Geriatric Assessment (CGA) noodzakelijk is, wordt het subtraject afgesloten. Vervolgens wordt een nieuw subtraject geopend. Het moment van afsluiten is één dag voor de start van de nieuwe behandeling of conform de algemene regel indien de nieuwe behandeling later dan dit moment start (1.0335.1). n. Bij de hierna volgende in tempi behandelingen van diverse specialismen mag het subtraject na elke deelbehandeling worden afgesloten. Wachten op het algemeen geldende sluitmoment als omschreven in artikel 8.1 (42, 90 of 365 dagen) is hier niet nodig. Wanneer de volgende deelbehandeling eerder start dan het in artikel 8.1 voorgeschreven afsluitmoment, dan mag het subtraject worden afgesloten één dag voor de dag dat de volgende deelbehandeling start. Wanneer de volgende deelbehandeling later dan de algemeen geldende sluitmoment als omschreven in artikel 8.1 start geldt deze algemene regel. Stamceltransplantatie (2.0000.1) Voor stamceltransplantatie (bij ontvanger) wordt een zorg/subtraject geopend (zo nodig parallel aan het medicinale (cytostatica) behandeltraject). De volgende drie fasen worden bij stamceltransplantatie onderscheiden: – Fase 1: selectie/afname – Fase 2: transplantatie – Fase 3: nazorg (posttransplantatie) Na iedere fase van de behandeling, maar ook bij het opnieuw starten van een eerdere fase, wordt het subtraject afgesloten op het bij artikel 8.2 .n genoemde moment. Transplantatiezorg (2.0000.2) Voor de begeleiding van ontvangers en donoren rond darm-, eilandjes-, (partiële) lever-, nier, nier- en pancreastransplantaties wordt door de specialismen Inwendige geneeskunde, MDL-artsen en Kindergeneeskunde een eigen (eventueel parallel) zorgtraject geopend. Hierbij worden drie fasen van de behandeling onderscheiden: – Fase 1: Pretransplantatie fase/screening – Fase 2: Transplantatiefase – Fase 3: Postransplantatie fase/nazorg Na iedere fase van de behandeling, maar ook bij het opnieuw starten van fase 1, wordt het transplantatiesubtraject afgesloten. Wanneer de volgende fase (of opnieuw starten van fase 1) eerder start dan het in artikel 8.1 voorgeschreven afsluitmoment, dan mag het subtraject worden afgesloten één dag voor de dag dat de volgende fase start. Oogheelkunde (2.0301.1) Bij behandeling met intravitreale injecties wordt per intravitreale injectie een subtraject geopend. Wanneer de behandeling met intravitreale injecties eerder start dan het in artikel 8.1 voorgeschreven afsluitmoment, dan mag het subtraject worden afgesloten één dag voor de dag dat de volgende intravitreale injectie plaatsvindt. Oogheelkunde (2.0301.2) Bij behandeling van subretinale neovascularisatie (diagnose 704) met fotodynamische therapie wordt per fotodynamische therapie een subtraject geopend. Wanneer de fotodynamische therapie eerder start dan het in artikel 8.1 voorgeschreven afsluitmoment, dan mag het subtraject worden afgesloten één dag voor de dag dat de volgende fotodynamische therapie plaatsvindt. Oogheelkunde (2.0301.3) Wanneer de operatieve tempi behandeling van strabismus (diagnosecodes 204, 205, 209) eerder start dan het in artikel 8.1 voorgeschreven afsluitmoment, dan mag het subtraject worden afgesloten één dag voor de dag dat de volgende strabismus operatie plaatsvindt. Oogheelkunde (2.0301.4) Wanneer de operatieve tempi behandeling van retina defect/-retinaloslating (diagnosecodes 654) eerder start dan het in artikel 8.1 voorgeschreven afsluitmoment, dan mag het subtraject worden afgesloten één dag voor de dag dat de volgende operatieve behandeling van het retina defect/retinaloslating. Plastische chirurgie (2.0304.1) Bij mammareconstructie vindt afsluiting van het subtraject na iedere operatieve tempi behandeling plaats op het bij artikel 8.2.n genoemde moment. Plastische chirurgie (2.0304.2) Bij meer transplantatiesessies bij de behandeling van uitgebreide (brand)wonden wordt na iedere transplantatiesessie het subtraject afgesloten op het bij artikel 8.2.n genoemde moment. Urologie (2.0306.1) Bij niet-klinische ESWL behandeling van urinewegstenen wordt per ESWL behandeling een subtraject geopend. Wanneer de volgende ESWL behandeling eerder start dan het in artikel 8.1 voorgeschreven moment dan mag het subtraject worden afgesloten één dag voor de dag dat de volgende ESWL behandeling plaatsvindt. Dit geldt ook wanneer een niet-klinische ESWL gevolgd wordt door een operatieve ingreep voor urinewegstenen. Gynaecologie (2.0307.1) De subtrajecten bij diagnose F21 ‘gespecialiseerde technieken’ voor stimulatie respectievelijk de IUI/IVF/ICSI technieken en ovulatie-inductie met gonadotrofines worden per cyclus geopend en gesloten (dus 1 subtraject per cyclus). Indien de behandeling in meer ziekenhuizen (transport-IVF/ICSI) plaatsvindt opent ieder ziekenhuis de (deel)behandeling die daar wordt uitgevoerd. Gynaecologie/obstetrie (2.0307.2) In de registratie bij obstetrie zijn drie fasen te onderscheiden; diagnosen V11/V21/V41/V42 voor zwangerschapbegeleiding, diagnose V51 voor begeleiding partus met nazorg en nacontrole, en diagnosen V60/V61 voor complicaties na partus uit de eerste/tweedelijn. Bij de overgang naar een andere fase kan het subtraject worden afgesloten op het bij artikel 8.2.n genoemde moment. Radiotherapie (2.0361.1) Bij behandeling van metastaseringen of recidief wordt na elke behandeling het subtraject afgesloten op het bij artikel 8.2.n genoemde moment.