BWBR0030215
Geldig vanaf 2023-05-04
Artikel 1.02
Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (RSP)
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. ‘vaartuig’: een binnenschip, een zeeschip of een drijvend werktuig;
2. ‘binnenschip’: een schip dat uitsluitend of overwegend voor de vaart op binnenwateren bestemd is;
3. ‘zeeschip’: een schip dat voor de zee- of kustvaart is toegelaten en overwegend daartoe bestemd is;
4. ‘motorschip’: een schip dat voor het vervoer van goederen bestemd is en door middel van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging zelfstandig kan varen;
5. ‘veerpont’: een schip dat een veerdienst onderhoudt waarbij de vaarweg wordt overgestoken en door de bevoegde autoriteit als veerpont wordt aangemerkt;
6. ‘overheidsvaartuig’: een schip dat ter uitvoering van overheidstaken wordt ingezet;
7. ‘brandweerboot’: een schip dat ter uitvoering van hulpverlening wordt ingezet;
8. ‘sleepboot’: een schip dat speciaal gebouwd is om te slepen;
9. ‘duwboot’: een schip dat speciaal gebouwd is voor het voortbewegen van een duwstel;
10. ‘sleepschip’: een schip dat bestemd is voor het vervoer van goederen en is gebouwd om te worden gesleept, met of zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging waardoor slechts verplaatsingen over kleine afstanden mogelijk zijn;
11. ‘duwbak’: een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd, met of zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, waardoor slechts verplaatsingen over kleine afstanden mogelijk zijn, wanneer het geen deel uitmaakt van een duwstel;
12. ‘passagiersschip’: een schip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van meer dan 12 passagiers;
13. ‘schip voor dagtochten’: een passagiersschip zonder hutten voor overnachting van passagiers;
14. ‘hotelschip’: een passagiersschip met hutten voor overnachting van passagiers;
15. ‘drijvend werktuig’: een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden zoals kranen, baggermolens, hei-installaties, elevatoren;
16. ‘pleziervaartuig’: een vaartuig dat bestemd is en aantoonbaar gebruikt wordt voor sportieve of recreatieve doeleinden en waarvan de personen aan boord voor sportieve of recreatieve doeleinden varen;
17. ‘samenstel’: een hecht samenstel of een sleep;
18. ‘hecht samenstel’ : een duwstel of een gekoppeld samenstel;
19. ‘duwstel’: een hecht samenstel van vaartuigen, waarvan er ten minste één geplaatst is vóór het schip of de twee schepen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel en worden aangeduid als ‘duwboot’ of ‘duwboten’. Hieronder wordt ook een duwstel verstaan dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd vaartuig waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;
20. ‘gekoppeld samenstel’: een hecht samenstel van langszij aan elkaar vastgemaakte schepen die geen van beide vóór het motorschip geplaatst zijn dat voor het voortbewegen van het samenstel dient;
21. ‘sleep’: een samenstel van één of meer vaartuigen, drijvende inrichtingen of drijvend materieel dat wordt gesleept door één of meer tot het samenstel behorende vaartuigen met motoraandrijving;
22. ‘groot konvooi’: een duwstel waarbij het product van de totale lengte en totale breedte van de geduwde vaartuigen 7.000 m2 of meer bedraagt;
23. ‘lengte of L’: de grootste lengte van de scheepsromp in meters, gemeten zonder roer en boegspriet;
24. ‘breedte of B’: de grootste breedte van de scheepsromp in meters, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating (zonder schoepraderen, schuurlijsten en dergelijke);
25. ‘diepgang of T’: de verticale afstand in meters van het laagste punt van de scheepsromp zonder rekening te houden met de kiel of andere vaste onderdelen tot het vlak van de grootste inzinking van de scheepsromp;
26. ‘schipper’: een dekbemanningslid dat gekwalificeerd is om een vaartuig op de binnenwateren te besturen en om aan boord de algemene verantwoordelijkheid te dragen, ook voor de bemanning, de passagiers en de lading;
27. ‘bemanning’: de dekbemanning en het machinekamerpersoneel;
28. ‘dekbemanning’: de bemanning zonder het machinekamerpersoneel;
29. ‘dekbemanningsleden’: personen die betrokken zijn bij de algemene bediening van een vaartuig dat de binnenwateren bevaart en die verschillende taken uitvoeren, zoals taken in verband met het besturen van een vaartuig, de beheersing van het vaartuig, ladingsbehandeling, stouwen, het vervoer van passagiers, scheepswerktuigbouwkundige aspecten, onderhoud en reparatie, communicatie, gezondheid, veiligheid en milieubescherming, niet zijnde personen die uitsluitend worden ingezet voor de bediening van de motoren, kranen, of elektrische en elektronische uitrusting;
30. ‘minimumbemanning’: de voorgeschreven minimumbemanning overeenkomstig hoofdstuk 19 van dit reglement;
31. ‘boordpersoneel’: alle aan boord van een passagiersschip werkende personen die niet tot de bemanning behoren;
32. ‘veiligheidspersoneel’: het veiligheidspersoneel zoals voorgeschreven door het ADN-Reglement, de deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG), de deskundige voor de passagiersscheepvaart, de eerstehulpverlener alsmede de persluchtmaskerdrager;
33. ‘deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas’: een persoon die gekwalificeerd is om actief te zijn bij de bunkeringsprocedure van schepen die op vloeibaar aardgas varen of om als schipper een dergelijk vaartuig te besturen;
34. ‘deskundige voor de passagiersvaart’: een persoon die dienst doet aan boord van het schip en bevoegd is om aan boord van passagiersschepen maatregelen te nemen in noodsituaties;
35. ‘passagier’: iedere persoon aan boord die niet tot de bemanning of tot het boordpersoneel behoort;
36. ‘vaartijd’: de tijd; uitgedrukt in dagen, die dekbemanningsleden aan boord hebben doorgebracht tijdens een reis met een vaartuig op binnenwateren, met inbegrip van laad- en losactiviteiten die actieve scheepvaartoperaties vereisen;
37. ‘radarvaart’: de vaart bij slecht zicht op radar;
38. ‘specifiek risico’: een veiligheidsrisico als gevolg van bijzondere navigatie-omstandigheden waarvoor schippers competenties moeten hebben die verder gaan dan wat in het kader van de algemene normen voor managementcompetenties wordt verwacht;
39. ‘kwalificatiecertificaat’: een krachtens dit reglement afgegeven certificaat;
40. ‘kwalificatiecertificaat van de Unie’: een door een daarvoor aangewezen autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie afgegeven certificaat waarin wordt verklaard dat een persoon aan de voorschriften van Richtlijn (EU) 2017/23976Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de Richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de Raad, PB L 345 van 27.12.2017, blz. 53. voldoet;
41. ‘marifoonbedieningscertificaat’: een nationaal certificaat dat is afgegeven in overeenstemming met het radioreglement dat is gehecht aan het Internationaal Verdrag betreffende de telecommunicatie, waarbij machtiging wordt verleend voor de exploitatie van een radiocommunicatiestation op een vaartuig voor de binnenwaterwegen;
42. ‘Rijnpatent’: een kwalificatiecertificaat overeenkomstig artikel 12.01 van dit reglement voor het voeren van een vaartuig;
43. ‘dienstboekje’: een persoonlijk register waarin de gegevens met betrekking tot het arbeidsverleden van een bemanningslid staan genoteerd, met name de vaartijden en de gemaakte reizen;
44. ‘vaartijdenboek’: een officiële registratie van de reizen die een vaartuig en zijn bemanning hebben gemaakt;
45. ‘actief dienstboekje’ of ‘actief vaartijdenboek’: een dienstboekje of vaartijdenboek waarin gegevens kunnen worden geregistreerd;
46. ‘competentie’: het bewezen vermogen om gebruik te maken van de door de vastgestelde normen voorgeschreven kennis en vaardigheden om de taken die nodig zijn voor het besturen van binnenvaartuigen goed uit te voeren;
47. ‘managementniveau’: de mate van verantwoordelijkheid die samenhangt met het werk als schipper en waarborgt dat alle andere dekbemanningsleden alle taken bij de bediening van een vaartuig goed uitvoeren;
48. ‘operationeel niveau’: de mate van verantwoordelijkheid die samenhangt met het werk als matroos, als volmatroos of als stuurman en het onder controle houden van de uitvoering van alle taken binnen het kader van diens verantwoordelijkheid, overeenkomstig passende procedures en onder leiding van een persoon die op managementniveau werkzaam is;
49. ‘binnenwater’: een waterweg niet zijnde de zee die bevaarbaar is voor de in artikel 1.01 bedoelde vaartuigen;
50. ‘ADN-Reglement’: het bij het Europees Verdrag over het internationale Vervoer van gevaarlijke Stoffen over Binnenwateren (ADN) gevoegde Reglement in de versie die van kracht is;
51. ‘binnenschipcertificaat’: het certificaat van onderzoek voor Rijnschepen of het Uniecertificaat voor binnenschepen overeenkomstig artikel 1.04 van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR);
52. ‘Commissie van Deskundigen’: de nationale autoriteit die bevoegd is voor de afgifte van het certificaat van onderzoek en waarvan de samenstelling is vastgesteld in artikel 2.01 van het ROSR;
53. ‘bevoegde autoriteit’: de nationale autoriteit van een Rijnoeverstaat of van België die is aangewezen om taken in overeenstemming met dit reglement uit te voeren;
54. ‘autoriteit van afgifte’: de bevoegde autoriteit van een staat die het betreffende certificaat heeft afgegeven;
55. ‘vloeibaar aardgas (LNG)’: aardgas dat vloeibaar is gemaakt door afkoeling tot een temperatuur van -161 °C;
56. ‘ES-TRIN’: ES-TRIN als bedoeld in artikel 1.1 van de Binnenvaartregeling. Bij de toepassing van de ES-TRIN moet onder lidstaat een Rijnoeverstaat of België worden verstaan;
57. ‘ES-QIN’: de Europese Standaard voor kwalificaties in de binnenvaart, editie 2024/18Europese standaard voor kwalificaties in de binnenvaart (ES-QIN), editie 2024/1, aangenomen door het Europees Comité voor de opstelling van standaarden voor de binnenvaart (CESNI) bij Besluit 2024-I-1 van 11 april 2024.;
58. ‘STCW-Overeenkomst’: de overeenkomst van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst (1978), in de versie die van kracht is, met inbegrip van de overgangsbepalingen van artikel VII en regeling 1/15 van de Overeenkomst, alsook de in het desbetreffende geval toepasselijke bepalingen van de STCW-Code, die van kracht is.
1. ‘vaartuig’: een binnenschip, een zeeschip of een drijvend werktuig;
2. ‘binnenschip’: een schip dat uitsluitend of overwegend voor de vaart op binnenwateren bestemd is;
3. ‘zeeschip’: een schip dat voor de zee- of kustvaart is toegelaten en overwegend daartoe bestemd is;
4. ‘motorschip’: een schip dat voor het vervoer van goederen bestemd is en door middel van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging zelfstandig kan varen;
5. ‘veerpont’: een schip dat een veerdienst onderhoudt waarbij de vaarweg wordt overgestoken en door de bevoegde autoriteit als veerpont wordt aangemerkt;
6. ‘overheidsvaartuig’: een schip dat ter uitvoering van overheidstaken wordt ingezet;
7. ‘brandweerboot’: een schip dat ter uitvoering van hulpverlening wordt ingezet;
8. ‘sleepboot’: een schip dat speciaal gebouwd is om te slepen;
9. ‘duwboot’: een schip dat speciaal gebouwd is voor het voortbewegen van een duwstel;
10. ‘sleepschip’: een schip dat bestemd is voor het vervoer van goederen en is gebouwd om te worden gesleept, met of zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging waardoor slechts verplaatsingen over kleine afstanden mogelijk zijn;
11. ‘duwbak’: een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd, met of zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, waardoor slechts verplaatsingen over kleine afstanden mogelijk zijn, wanneer het geen deel uitmaakt van een duwstel;
12. ‘passagiersschip’: een schip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van meer dan 12 passagiers;
13. ‘schip voor dagtochten’: een passagiersschip zonder hutten voor overnachting van passagiers;
14. ‘hotelschip’: een passagiersschip met hutten voor overnachting van passagiers;
15. ‘drijvend werktuig’: een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden zoals kranen, baggermolens, hei-installaties, elevatoren;
16. ‘pleziervaartuig’: een vaartuig dat bestemd is en aantoonbaar gebruikt wordt voor sportieve of recreatieve doeleinden en waarvan de personen aan boord voor sportieve of recreatieve doeleinden varen;
17. ‘samenstel’: een hecht samenstel of een sleep;
18. ‘hecht samenstel’ : een duwstel of een gekoppeld samenstel;
19. ‘duwstel’: een hecht samenstel van vaartuigen, waarvan er ten minste één geplaatst is vóór het schip of de twee schepen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel en worden aangeduid als ‘duwboot’ of ‘duwboten’. Hieronder wordt ook een duwstel verstaan dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd vaartuig waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;
20. ‘gekoppeld samenstel’: een hecht samenstel van langszij aan elkaar vastgemaakte schepen die geen van beide vóór het motorschip geplaatst zijn dat voor het voortbewegen van het samenstel dient;
21. ‘sleep’: een samenstel van één of meer vaartuigen, drijvende inrichtingen of drijvend materieel dat wordt gesleept door één of meer tot het samenstel behorende vaartuigen met motoraandrijving;
22. ‘groot konvooi’: een duwstel waarbij het product van de totale lengte en totale breedte van de geduwde vaartuigen 7.000 m2 of meer bedraagt;
23. ‘lengte of L’: de grootste lengte van de scheepsromp in meters, gemeten zonder roer en boegspriet;
24. ‘breedte of B’: de grootste breedte van de scheepsromp in meters, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating (zonder schoepraderen, schuurlijsten en dergelijke);
25. ‘diepgang of T’: de verticale afstand in meters van het laagste punt van de scheepsromp zonder rekening te houden met de kiel of andere vaste onderdelen tot het vlak van de grootste inzinking van de scheepsromp;
26. ‘schipper’: een dekbemanningslid dat gekwalificeerd is om een vaartuig op de binnenwateren te besturen en om aan boord de algemene verantwoordelijkheid te dragen, ook voor de bemanning, de passagiers en de lading;
27. ‘bemanning’: de dekbemanning en het machinekamerpersoneel;
28. ‘dekbemanning’: de bemanning zonder het machinekamerpersoneel;
29. ‘dekbemanningsleden’: personen die betrokken zijn bij de algemene bediening van een vaartuig dat de binnenwateren bevaart en die verschillende taken uitvoeren, zoals taken in verband met het besturen van een vaartuig, de beheersing van het vaartuig, ladingsbehandeling, stouwen, het vervoer van passagiers, scheepswerktuigbouwkundige aspecten, onderhoud en reparatie, communicatie, gezondheid, veiligheid en milieubescherming, niet zijnde personen die uitsluitend worden ingezet voor de bediening van de motoren, kranen, of elektrische en elektronische uitrusting;
30. ‘minimumbemanning’: de voorgeschreven minimumbemanning overeenkomstig hoofdstuk 19 van dit reglement;
31. ‘boordpersoneel’: alle aan boord van een passagiersschip werkende personen die niet tot de bemanning behoren;
32. ‘veiligheidspersoneel’: het veiligheidspersoneel zoals voorgeschreven door het ADN-Reglement, de deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG), de deskundige voor de passagiersscheepvaart, de eerstehulpverlener alsmede de persluchtmaskerdrager;
33. ‘deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas’: een persoon die gekwalificeerd is om actief te zijn bij de bunkeringsprocedure van schepen die op vloeibaar aardgas varen of om als schipper een dergelijk vaartuig te besturen;
34. ‘deskundige voor de passagiersvaart’: een persoon die dienst doet aan boord van het schip en bevoegd is om aan boord van passagiersschepen maatregelen te nemen in noodsituaties;
35. ‘passagier’: iedere persoon aan boord die niet tot de bemanning of tot het boordpersoneel behoort;
36. ‘vaartijd’: de tijd; uitgedrukt in dagen, die dekbemanningsleden aan boord hebben doorgebracht tijdens een reis met een vaartuig op binnenwateren, met inbegrip van laad- en losactiviteiten die actieve scheepvaartoperaties vereisen;
37. ‘radarvaart’: de vaart bij slecht zicht op radar;
38. ‘specifiek risico’: een veiligheidsrisico als gevolg van bijzondere navigatie-omstandigheden waarvoor schippers competenties moeten hebben die verder gaan dan wat in het kader van de algemene normen voor managementcompetenties wordt verwacht;
39. ‘kwalificatiecertificaat’: een krachtens dit reglement afgegeven certificaat;
40. ‘kwalificatiecertificaat van de Unie’: een door een daarvoor aangewezen autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie afgegeven certificaat waarin wordt verklaard dat een persoon aan de voorschriften van Richtlijn (EU) 2017/23976Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de Richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de Raad, PB L 345 van 27.12.2017, blz. 53. voldoet;
41. ‘marifoonbedieningscertificaat’: een nationaal certificaat dat is afgegeven in overeenstemming met het radioreglement dat is gehecht aan het Internationaal Verdrag betreffende de telecommunicatie, waarbij machtiging wordt verleend voor de exploitatie van een radiocommunicatiestation op een vaartuig voor de binnenwaterwegen;
42. ‘Rijnpatent’: een kwalificatiecertificaat overeenkomstig artikel 12.01 van dit reglement voor het voeren van een vaartuig;
43. ‘dienstboekje’: een persoonlijk register waarin de gegevens met betrekking tot het arbeidsverleden van een bemanningslid staan genoteerd, met name de vaartijden en de gemaakte reizen;
44. ‘vaartijdenboek’: een officiële registratie van de reizen die een vaartuig en zijn bemanning hebben gemaakt;
45. ‘actief dienstboekje’ of ‘actief vaartijdenboek’: een dienstboekje of vaartijdenboek waarin gegevens kunnen worden geregistreerd;
46. ‘competentie’: het bewezen vermogen om gebruik te maken van de door de vastgestelde normen voorgeschreven kennis en vaardigheden om de taken die nodig zijn voor het besturen van binnenvaartuigen goed uit te voeren;
47. ‘managementniveau’: de mate van verantwoordelijkheid die samenhangt met het werk als schipper en waarborgt dat alle andere dekbemanningsleden alle taken bij de bediening van een vaartuig goed uitvoeren;
48. ‘operationeel niveau’: de mate van verantwoordelijkheid die samenhangt met het werk als matroos, als volmatroos of als stuurman en het onder controle houden van de uitvoering van alle taken binnen het kader van diens verantwoordelijkheid, overeenkomstig passende procedures en onder leiding van een persoon die op managementniveau werkzaam is;
49. ‘binnenwater’: een waterweg niet zijnde de zee die bevaarbaar is voor de in artikel 1.01 bedoelde vaartuigen;
50. ‘ADN-Reglement’: het bij het Europees Verdrag over het internationale Vervoer van gevaarlijke Stoffen over Binnenwateren (ADN) gevoegde Reglement in de versie die van kracht is;
51. ‘binnenschipcertificaat’: het certificaat van onderzoek voor Rijnschepen of het Uniecertificaat voor binnenschepen overeenkomstig artikel 1.04 van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR);
52. ‘Commissie van Deskundigen’: de nationale autoriteit die bevoegd is voor de afgifte van het certificaat van onderzoek en waarvan de samenstelling is vastgesteld in artikel 2.01 van het ROSR;
53. ‘bevoegde autoriteit’: de nationale autoriteit van een Rijnoeverstaat of van België die is aangewezen om taken in overeenstemming met dit reglement uit te voeren;
54. ‘autoriteit van afgifte’: de bevoegde autoriteit van een staat die het betreffende certificaat heeft afgegeven;
55. ‘vloeibaar aardgas (LNG)’: aardgas dat vloeibaar is gemaakt door afkoeling tot een temperatuur van -161 °C;
56. ‘ES-TRIN’: ES-TRIN als bedoeld in artikel 1.1 van de Binnenvaartregeling. Bij de toepassing van de ES-TRIN moet onder lidstaat een Rijnoeverstaat of België worden verstaan;
57. ‘ES-QIN’: de Europese Standaard voor kwalificaties in de binnenvaart, editie 2024/18Europese standaard voor kwalificaties in de binnenvaart (ES-QIN), editie 2024/1, aangenomen door het Europees Comité voor de opstelling van standaarden voor de binnenvaart (CESNI) bij Besluit 2024-I-1 van 11 april 2024.;
58. ‘STCW-Overeenkomst’: de overeenkomst van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst (1978), in de versie die van kracht is, met inbegrip van de overgangsbepalingen van artikel VII en regeling 1/15 van de Overeenkomst, alsook de in het desbetreffende geval toepasselijke bepalingen van de STCW-Code, die van kracht is.