1. De commissie heeft tot taak:
a. het gevraagd en ongevraagd adviseren over de verschillende aspecten van duurzaamheid van de productie en het gebruik van biomassa en biobrandstoffen, waarbij de nationale, Europese en mondiale schaal in hun onderlinge relatie worden betrokken, met als uitgangspunt het vergroten van het volume duurzame biomassa in de Nederlandse economie;
b. het bieden van een forum voor maatschappelijke discussie over de verschillende aspecten van duurzaamheid van biomassa en biobrandstoffen.
2. De commissie richt zich bij de vervulling van haar taak, bedoeld in het eerste lid, onder meer op het uitbrengen van advies over:
a. de mogelijkheden van het uitbreiden van de werkingssfeer van de duurzaamheidscriteria, zoals die in de richtlijnen zijn vastgelegd en verder worden ontwikkeld, naar andere toepassingen van biomassa in de economie, en van het nader specificeren van de duurzaamheidscriteria voor verschillende toepassingen van biomassa, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op: 1°. de inzet van biomassa voor alle vormen van energieproductie, mede in relatie tot duurzaamheidsprestaties van fossiele energie;
2°. de inzet van biomassa in andere industriële sectoren zoals de chemiesector;
3°. de duurzaamheidsprestaties van fossiele grondstoffen en van voedselproductie, voor zover dat voor het adviseren over de duurzaamheid van biomassa in de energie- en industriesector relevant is;
4°. de mogelijkheden voor de overheid om te bevorderen dat schaarse duurzame biomassa zo efficiënt mogelijk wordt ingezet;
5°. de mogelijkheden om aan te sluiten bij reeds bestaande vrijwillige duurzaamheidscriteria voor biomassa in de betreffende sectoren en bij in andere lidstaten van de Europese Unie ontwikkelde instrumenten;
6°. de mogelijkheden om transparantie op het gebied van duurzaamheid in de betreffende productieketens te bevorderen, waarbij ook naar in andere lidstaten van de Europese Unie ontwikkelde mogelijkheden wordt gekeken.
1°. de inzet van biomassa voor alle vormen van energieproductie, mede in relatie tot duurzaamheidsprestaties van fossiele energie;
2°. de inzet van biomassa in andere industriële sectoren zoals de chemiesector;
3°. de duurzaamheidsprestaties van fossiele grondstoffen en van voedselproductie, voor zover dat voor het adviseren over de duurzaamheid van biomassa in de energie- en industriesector relevant is;
4°. de mogelijkheden voor de overheid om te bevorderen dat schaarse duurzame biomassa zo efficiënt mogelijk wordt ingezet;
5°. de mogelijkheden om aan te sluiten bij reeds bestaande vrijwillige duurzaamheidscriteria voor biomassa in de betreffende sectoren en bij in andere lidstaten van de Europese Unie ontwikkelde instrumenten;
6°. de mogelijkheden om transparantie op het gebied van duurzaamheid in de betreffende productieketens te bevorderen, waarbij ook naar in andere lidstaten van de Europese Unie ontwikkelde mogelijkheden wordt gekeken.
b. het verwezenlijken van de 10%-doelstelling in Nederland, mede ten behoeve van het actieplan als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2009/28/EG, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op: 1°. de optimale inzet van de meest duurzame biobrandstoffen, waarbij rekening wordt gehouden met verdringingseffecten in de economie;
2°. de mogelijkheden die de overheid en het bedrijfsleven hebben om het bereiken van de 10%-doelstelling te bespoedigen en uit te breiden naar vervoersmodaliteiten die nu nog niet worden omvat in de regelgeving ter implementatie van richtlijn 98/70/EG en richtlijn 2009/28/EG;
3°. de actuele duurzaamheidsvraagstukken die bij de verdere ontwikkeling van het Europese beleid aan de orde zijn, waaronder in ieder geval is begrepen: het vraagstuk van de indirecte effecten van de productie en het gebruik van biomassa, in het licht van de doelstelling om op duurzame wijze reductie van broeikasgasemissies te bereiken door middel van de inzet van biomassa, en het vraagstuk van de effecten op sociaal gebied van de productie van biomassa.
1°. de optimale inzet van de meest duurzame biobrandstoffen, waarbij rekening wordt gehouden met verdringingseffecten in de economie;
2°. de mogelijkheden die de overheid en het bedrijfsleven hebben om het bereiken van de 10%-doelstelling te bespoedigen en uit te breiden naar vervoersmodaliteiten die nu nog niet worden omvat in de regelgeving ter implementatie van richtlijn 98/70/EG en richtlijn 2009/28/EG;
3°. de actuele duurzaamheidsvraagstukken die bij de verdere ontwikkeling van het Europese beleid aan de orde zijn, waaronder in ieder geval is begrepen: het vraagstuk van de indirecte effecten van de productie en het gebruik van biomassa, in het licht van de doelstelling om op duurzame wijze reductie van broeikasgasemissies te bereiken door middel van de inzet van biomassa, en het vraagstuk van de effecten op sociaal gebied van de productie van biomassa.