BWBR0030145
Artikel 7a
Reglement Participatiefonds voor de Expertisecentra voor het schooljaar 2011–2012
Artikel 7a. : Ontslag wegens daling rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden bij werkgelegenheidsbeleid 7a.1 Ontslaggrond Indien een werkgever de regeling werkgelegenheidsbeleid als bedoeld in artikel 10.2 en 10.3 van de CAO-PO hanteert en de werkgelegenheidsgarantie niet kan handhaven, kan ontslag van personeel wegens daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden een grond zijn voor de toewijzing van een vergoedingsverzoek. Ontslag van personeel wegens daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden doet zich voor indien de daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden inclusief andere ontslagen en natuurlijk verloop, minimaal gelijk is aan de omvang van het gemelde ontslag. Indien van een dergelijke daling sprake is, is ontslagruimte aanwezig. Ontslaggrond De reden voor het ontslag is gelegen in het feit dat: 1. zich in één of meer achterliggende schooljaren direct voorafgaand aan het ontslag, een daling in de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden heeft voorgedaan, en 2. na de uitvoering van de maatregelen van de fasen 1 en 2 van het met de centrales in het DGO overeengekomen sociaal plan (een deel van) de omvang van het formatieve probleem als bedoeld in artikel 10.3 lid 3 onder a van de CAO-PO nog resteert. Het bevoegd gezag overlegt een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 7A, aan betrokkene is kenbaar gemaakt. Beëindigingovereenkomst In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 7A, aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat: 1. het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd, 2. het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en 3. de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond. Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 7A, aan betrokkene is kenbaar gemaakt. Ontslag uit tijdelijk dienstverband Uitsluitend voor zover het ontslag uit een tijdelijk dienstverband betreft, geldt het navolgende: Indien een werkgever de regeling werkgelegenheidsbeleid als bedoeld in artikel 10.2 en 10.3 van de CAO-PO hanteert en met een daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden wordt geconfronteerd maar de werkgelegenheidsgarantie (vooralsnog) kan handhaven, kan ontslag van personeel uit een tijdelijke dienstverband wegens daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden een grond zijn voor de toewijzing van een vergoedingsverzoek. Ontslag van personeel in tijdelijke dienst wegens daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden doet zich voor indien de daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden inclusief andere ontslagen en natuurlijk verloop, minimaal gelijk is aan de omvang van het gemelde ontslag. Indien van een dergelijke daling sprake is, is ontslagruimte voor personeel met een tijdelijk dienstverband aanwezig. De reden voor het ontslag uit een tijdelijk dienstverband is gelegen in het feit dat 1. zich in schooljaar 2011–2012 ten opzichte van schooljaar 2010–2011 een daling in de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden heeft voorgedaan, en 2. de daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden, inclusief andere ontslagen en natuurlijk verloop, minimaal gelijk is aan de omvang van het gemelde ontslag. Indien van een dergelijke daling sprake is, is ontslagruimte, voor zo ver het betreft ontslag uit een tijdelijk dienstverband, aanwezig. 7a.2 Onvermijdbaarheid ontslag uit een vast dienstverband Uitsluitend voor zover het ontslag uit een vast dienstverband betreft, geldt het navolgende: Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag: 1. aantoont dat hij, omdat hij de werkgelegenheidsgarantie niet meer kon handhaven, met de vakcentrales in het DGO overleg heeft gevoerd en de maatregelen van het met de vakcentrales overeengekomen sociaal plan heeft uitgevoerd. Het bevoegd gezag overlegt hiertoe het door de vakcentrales getekende sociaal plan tezamen met documenten waaruit blijkt welke omvang van het formatieve probleem na uitvoering van het sociaal plan resteert. 2. schriftelijk verklaart dat a. zich in één of meer achterliggende schooljaren, direct voorafgaand aan het ontslag, een daling in de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden heeft voorgedaan en b. hij, uitsluitend als gevolg van deze daling in de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden, de werkgelegenheidsgarantie niet meer kon handhaven en c. er derhalve aan het ontslag niet (mede) andere redenen van financiële aard ten grondslag liggen dan genoemde daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden. 7a.3 Onvermijdbaarheid ontslag uit tijdelijk dienstverband Uitsluitend voor zover het ontslag uit een tijdelijk dienstverband betreft, geldt het navolgende: Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond voor zover het betreft ontslag uit een tijdelijk dienstverband doet zich voor indien het bevoegd gezag aantoont 1. Dat zich in schooljaar 2011–2012 ten opzichte van schooljaar 2010–2011 een daling in de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden heeft voorgedaan, en 2. de daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden, inclusief andere ontslagen en natuurlijk verloop, minimaal gelijk is aan de omvang van het gemelde ontslag. Indien van een dergelijke daling sprake is, is ontslagruimte, voor zo ver het betreft ontslag uit een tijdelijk dienstverband, aanwezig. Ter beoordeling van een in het eerste lid bedoelde ontslag uit een tijdelijk dienstverband wordt een vergelijking van de rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden gemaakt. In deze vergelijking wordt de totale bekostiging van personeel direct voorafgaand aan het ontslag vergeleken met de totale bekostiging van personeel per de datum van het ontslag. Het budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid wordt voor 65% in de vergelijking betrokken. Dit betekent dat bij de berekening van de rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden wordt uitgegaan van 65% inzet van het budget voor de bekostiging van personeel. Het niveau van de vergelijking van de rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden is afhankelijk van één van de onderstaande situaties: 7a.3.1 Vergelijking van rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden op bestuursniveau De vergelijking van de rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden wordt op bestuursniveau gemaakt, tenzij er sprake is van een in artikel 7A.3.2 of 7A.3.3 genoemde situatie. 7a.3.2 Vergelijking van rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden op het niveau van het Samenwerkingsverband Het ontslag uit een tijdelijk dienstverband wordt getoetst op het niveau van het samenwerkingsverband indien er sprake is van een samenwerkingsverband in het kader van een bestuurlijke krachtenbundeling. In de vergelijking wordt de rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden zoals is beschreven in artikel 7A.3. op het niveau van het samenwerkingsverband vergeleken. 7a.3.3 Vergelijking van rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden op het niveau van een centrale dienst Het ontslag uit een tijdelijk dienstverband wordt getoetst op het niveau van de centrale dienst indien er sprake is van ontslag van personeel dat werkzaam is bij een centrale dienst. In de vergelijking wordt de voor de centrale dienst beschikbare rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden vergeleken. 7a.3.4 Toetsingsdatum Ontslag op grond van artikel 7A per of na de laatste schooldag van een schooljaar wordt getoetst als zijnde een ontslag per 1 augustus van het volgend schooljaar. Een ontslag op grond van artikel 7A per een andere datum voorafgaand aan de laatste schooldag van een schooljaar wordt per deze andere datum getoetst. 7 a.4 Inspanningsverplichting Bij een ontslag op grond van artikel 7A dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie IV . Hieronder volgen de eisen die het Participatiefonds in dit kader aan een ontslag op grond van artikel 7A, stelt: Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband) 1. extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en 2. (vervallen) 3. aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; 4. aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie). Categorie IV-B hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband) 1. (vervallen) 2. aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of 3. aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie). Toelichting op artikel 7a 7a.1. Ontslaggrond Als een werkgever met werkgelegenheidsbeleid wegens daling rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden, personeel wil ontslaan, dan kan zo’n ontslag een grond zijn voor de toewijzing van een vergoedingsverzoek. De werkgever dient in dat geval krachtens de Regeling werkgelegenheidsbeleid ex. art. 10.2 met de centrales in het DGO een Sociaal Plan ex. art. 10.3 overeen te zijn gekomen en uit hebben uitgevoerd. 7a.2. Onvermijdbaarheid ontslag uit een vast dienstverband Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag aantoont dat hij het met de vakcentrales in het DGO overeengekomen Sociaal Plan heeft uitgevoerd. Het bevoegd gezag overlegt hiertoe behalve het Sociaal Plan documenten waaruit blijkt welke omvang van het formatieve probleem na uitvoering van het sociaal plan resteert. Genoemde omvang van het formatieve probleem na uitvoering van het sociaal plan, is de ontslagruimte die de werkgever in het kader van een melding op basis van dit artikel heeft. Daarom hoeft er geen vergelijking van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden te worden overlegd, behoudens de situatie van art. 7A.3 . Wel dient de werkgever conform art. 7A.2 lid 2 te verklaren dat het ontslag uitsluitend het gevolg is van daling in de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden. Indien er (mede) andere redenen van financiële aard aanleiding zijn geweest om in het DGO met de bonden een Sociaal Plan overeen te komen en uit te voeren, is er sprake van een re-organisatie als bedoeld in art. 13.2 lid 5 onder a van de CAO-PO. In dat geval dient de werkgever het ontslag op grond van art. 7 B te melden. 7a.3. Onvermijdbaarheid ontslag uit tijdelijk dienstverband Zoals in de toelichting bij art. 7A. 2 staat, is voor een melding op grond van art. 7A in principe geen vergelijking van de bekostiging nodig omdat de ontslagruimte wordt bepaald door omvang van het formatieve probleem zoals dat na uitvoering van het Sociaal Plan resteert. Hierop geldt echter één uitzondering, namelijk de melding van ontslagen van personeel uit een tijdelijk dienstverband. Indien een werkgever met werkgelegenheidsbeleid wegens daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden, het dienstverband van tijdelijk personeel niet wil voortzetten, dan kan hij het ontslag van dit tijdelijk personeel melden op grond van dit artikel. Hij dient dan aan te tonen dat zich een daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden als bedoeld in art. 7A.3 heeft voorgedaan. Voor de verdere toelichting over de vergelijking van art. 7A.3, zie de toelichting bij art. 7.2 . en art. 7.7.