1. De benoemingen van degenen, die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet als coördinerend vice-president of vice-president van een gerechtshof, de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven zijn benoemd, worden van rechtswege gewijzigd in een benoeming als senior raadsheer in het desbetreffende college. Zij worden als zodanig niet beëdigd of geïnstalleerd.
2. De benoemingen van degenen, die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet als coördinerend vice-president van een rechtbank zijn benoemd, worden van rechtswege gewijzigd in een benoeming als senior rechter A van een rechtbank. Zij worden als zodanig niet beëdigd of geïnstalleerd.
3. De benoemingen van degenen, die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet tot vice-president van een rechtbank zijn benoemd, worden van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot senior rechter van een rechtbank. Zij worden als zodanig niet beëdigd of geïnstalleerd.
4. In afwijking van
artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenarenworden de coördinerend vice-presidenten die ingevolge het eerste lid worden benoemd tot senior raadsheer in een gerechtshof, de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven, voor de bepaling van hun salaris ingedeeld in de in dat artikel vermelde categorie 6, voor zolang zij zijn benoemd als senior raadsheer.