Artikel 1
De bedragen, genoemd in artikel 2, tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budgetworden als volgt verhoogd:
a. het in onderdeel b genoemde bedrag van € 1322,– tot € 1466,–;
b. het in onderdeel c genoemde bedrag van € 1505,– tot € 1826,–;
c. het in onderdeel d en e genoemde bedrag van € 1611,– tot € 2110,–;
d. het in onderdeel e genoemde bedrag van € 51,– tot € 189,–.
a. het in onderdeel b genoemde bedrag van € 1322,– tot € 1466,–;
b. het in onderdeel c genoemde bedrag van € 1505,– tot € 1826,–;
c. het in onderdeel d en e genoemde bedrag van € 1611,– tot € 2110,–;
d. het in onderdeel e genoemde bedrag van € 51,– tot € 189,–.