1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, vijfde en zesde lid, artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, artikel 7, eerste lid, artikel 12, eerste en tweede lid, artikel 13 en artikel 28, derde lid, van Verordening (EU) nr. 961/2010 is de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b, artikel 21, eerste, derde en vierde lid, artikel 22 en artikel 27, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 961/2010 is de inspecteur, bedoeld in
artikel 1:3, eerste lid, onder c, van de Algemene Douanewet.
3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 17, artikel 18, artikel 19, eerste en tweede lid, en artikel 19 bis, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 961/2010 is, voor zover het betreft de vrijgave van economische middelen, de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
4. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 17, artikel 18, artikel 19, eerste en tweede lid, artikel 19 bis, eerste en tweede lid, artikel 23, eerste lid, en artikel 31, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 961/2010 is, voor zover het betreft de vrijgave van bevroren tegoeden, de Minister van Financiën.
5. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 961/2010, wat betreft de transacties, bedoeld in artikel 8 en in artikel 9, onder a en in samenhang hiermee onder c, van de verordening, is de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 10, van Verordening (EU) nr. 961/2010 wat betreft de transacties, bedoeld in artikel 9, onder b en in samenhang hiermee onder c, van de verordening, is de inspecteur, bedoeld in
artikel 1:3, eerste lid, onder c, van de Algemene Douanewet.
6. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6, tweede lid, en artikel 7 van Verordening (EU) nr. 359/2011 is, wat betreft de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden, bedoeld in voornoemde artikelen, de Minister van Financiën.
7. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, en artikel 7 van Verordening (EU) nr. 359/2011 is, wat betreft de beschikbaarstelling van economische middelen, bedoeld in voornoemde artikelen, de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
8. De bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 359/2011 zijn, elk voor het gebied waartoe hun competentie zich op grond van dat lid uitstrekt:
– de Minister van Financiën;
– de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.