BWBR0028743
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 268
Burgerlijk Wetboek BES Boek 1
... 1 Ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. 2 Deze regel lijdt uitzondering: a. indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een opneming krachtens de artikelen 262 en 263 van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om het kind voor zedelijke of lichamelijke ondergang te behoeden; b. indien zonder de ontheffing van de ene ouder de ontzetting van de andere ouder het kind niet aan diens invloed zou onttrekken; c. indien de geestvermogen van de ouder zodanig zijn gestoord dat hij niet in staat is zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen. d. indien na een verzorging en opvoeding met instemming van de ouder – anders dan uit hoofde van een ondertoezichtstelling of een voorlopige toevertrouwing aan de voogdijraad – van tenminste een jaar in een ander gezin dan het ouderlijke, een voortzetting daarvan noodzakelijk is en van terugkeer naar de ouder ernstig nadeel voor het kind moet worden gevreesd.