... Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende nadere regelingen en uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan onder: aanbieder van een communicatiedienst: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de uitoefening van een beroep of bedrijf aan de gebruikers van zijn dienst de mogelijkheid biedt te communiceren met behulp van een geautomatiseerd werk, of gegevens verwerkt of opslaat ten behoeve van een zodanige dienst of de gebruikers van die dienst; beschikkingen: de niet op de terechtzitting gegeven beslissingen; commandant: de bevelhebber van een oorlogsschip of een militair luchtvaartuig van het Koninkrijk; einduitspraken: de uitspraken tot verklaring van onbevoegdheid, niet-ontvankelijkheid of nietigheid van de dag vaarding, en die welke na afloop van het gehele onderzoek op de terechtzitting over de zaak worden gedaan; gebruiker van een communicatiedienst: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die met de aanbieder van een communicatiedienst een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het gebruik van die dienst of die feitelijk gebruik maakt van een zodanige dienst; gegevens: iedere weergave van feiten, begrippen of instructies, op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door personen of geautomatiseerde werken; gezagvoerder van een luchtvaartuig: elke gezagvoerder van een Nederlands burgerlijk luchtvaartuig of degene die deze vervangt; Hof van Justitie en Hof: Hof van Justitie en Hof: het Gemeenschappelijk Hof, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie ; huiszoeking: het gericht en stelselmatig onderzoeken van een plaats als bedoeld in de artikelen 144 en 145 van het Wetboek van Strafrecht BES , op de aanwezigheid van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen; hulpofficieren van justitie: de in artikel 191 bedoelde personen; inbeslagneming: het onder zich nemen of gaan houden van voorwerpen of vorderingen ten behoeve van de strafvordering; installatie ter zee: elke installatie buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba opgericht op de bodem van de territoriale zee of dat deel van de Caribische zee of de Atlantische Oceaan, waarvan de grenzen samenvallen met die van het aan genoemde eilanden toekomende gedeelte van het continentale plat; Nederlands schip: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 89 van het Wetboek van Strafrecht BES ; opsporingsambtenaren: alle personen die overeenkomstig de artikelen 184 en 185 met de opsporing van strafbare feiten zijn belast, alsmede de leden van het openbaar ministerie, indien zij van hun opsporingsbevoegdheid gebruik maken; opsporingsonderzoek: het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen; opvarende: degene, niet zijnde de schipper, die zich aan boord van een Nederlands schip bevindt, ook indien hij buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba het schip gedurende de reis tijdelijk verlaat, alsmede degene, niet zijnde de schipper, die zich op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen installatie ter zee bevindt; ouders: de ouders die de ouderlijke macht of de voogdij over de minderjarige uitoefenen; persoon: zowel de natuurlijke als de rechtspersoon; raadsman: de advocaat van een verdachte; rechterlijke beslissingen: zowel de beschikkingen als de uitspraken; rechtstaal: de gebezigde taal die in het rechtsgebied als officiële taal is toegelaten; schepeling: ieder die zich als scheepsofficier of scheepsgezel aan boord van een Nederlands schip bevindt; schipper: de gezagvoerder van een Nederlands schip of degene die deze vervangt, alsmede degene die de leiding heeft op een bij ministeriële regeling aangewezen installatie ter zee; teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen: het verrichten van de in verband met de beëindiging van het beslag vereiste formaliteiten; uitspraken: de op de terechtzitting gegeven beslissingen; voorbereidend onderzoek: het onderzoek dat aan de behandeling ter terechtzitting voorafgaat; voorlopige hechtenis: de vrijheidsontneming ingevolge een bevel tot bewaring, gevangenneming of gevangenhouding en de bevelen tot verlenging daarvan; voorwerpen: alle zaken en vermogensrechten.
... 1 Tot de processtukken in de zin van dit wetboek worden gerekend de gegevens, die in verband met een verdenking tegen een bepaalde persoon ten behoeve van de politie en de justitie zijn verzameld, voor zover zij op die persoon betrekking hebben en voor zover zij in het verband van diens strafvervolging worden gebruikt. 2 Onder de bevoegdheid tot kennisneming van processtukken wordt mede begrepen die tot het maken van aantekeningen daaruit. Het openbaar ministerie kan in het belang van een goede procesorde bij algemene regeling bepalen in welke gevallen en op welke wijze afschriften zullen worden verstrekt. Ook overigens regelt het openbaar ministerie, tenzij anders is bepaald, de wijze waarop kennisneming van processtukken wordt toegestaan, alsmede, zo nodig, de plaats waar en de wijze waarop bij die kennisneming toezicht zal worden uitgeoefend. 3 Nadat de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, worden de in het tweede lid bedoelde beslissingen gegeven door de rechter, die over de zaak oordeelt of het laatst heeft geoordeeld.
a ... 1 Waar in dit wetboek de bevoegdheid wordt gegeven tot het horen, verhoren of ondervragen van personen, wordt daaronder, met uitzondering van bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, mede begrepen horen, verhoren of ondervragen per videoconferentie, waarbij een directe beeld- of geluidsverbinding tot stand komt tussen de betrokken personen. 2 De voorzitter van het college, de rechter, de rechter-commissaris of de ambtenaar die met de leiding over het horen, verhoren of ondervragen is belast, beslist of van videoconferentie gebruik gemaakt wordt, waarbij het belang van het onderzoek in aanmerking wordt genomen. Alvorens te beslissen wordt de te horen persoon of diens raadsman en in voorkomende gevallen de officier van justitie, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken over de toepassing van videoconferentie. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hierover nadere regels worden gesteld. 3 Tegen de beslissing om van videoconferentie gebruik te maken staat geen afzonderlijk rechtsmiddel open. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent: a. de eisen waaraan de techniek van videoconferentie dient te voldoen, onder meer met het oog op de onschendbaarheid van vastgelegde waarneming; b. de controle op de naleving van de eisen, bedoeld onder a.
... Ontdekking op heterdaad heeft plaats, wanneer het strafbare feit ontdekt wordt, terwijl het begaan wordt of terstond nadat het begaan is. De heterdaad wordt niet langer aanwezig geacht dan kort na de ontdekking.
... Bij de beantwoording van de vraag of een zaak al dan niet is geëindigd, wordt het rechtsgevolg, bij artikel 282 aan het bekend worden van nieuwe bezwaren verbonden, buiten beschouwing gelaten.
... Het in deze titel bepaalde geldt niet, wanneer uit enige bepaling van dit wetboek een andere betekenis blijkt.
... Strafvordering heeft alleen plaats in de gevallen en op de wijze bij wet voorzien.
... Het openbaar ministerie vervolgt de strafbare feiten bij de rechter die tot de kennisneming daarvan krachtens de wet bevoegd is.
... Strafbare feiten buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig begaan, worden ter bepaling van de bevoegdheid van de rechter geacht te zijn begaan binnen het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
... De procureur-generaal houdt toezicht op een behoorlijke vervolging van strafbare feiten, en kan daartoe aan de officier van justitie de nodige bevelen geven.
... Is de klager kennelijk niet ontvankelijk of het beklag kennelijk ongegrond, dan kan het Hof zonder nader onderzoek de klager niet ontvankelijk of het beklag ongegrond verklaren.
... 1 De klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd kunnen zich in raadkamer doen bijstaan door een advocaat. Zij kunnen zich doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.Van deze bevoegdheid, alsmede van de mogelijkheid om toevoeging van een advocaat te verzoeken, wordt hun in de oproeping mededeling gedaan. 2 De voorzitter van het Hof staat, behoudens in het geval van artikel 17 , de klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd, alsmede hun advocaten of gemachtigden toe van de op de zaak betrekking hebbende stukken kennis te nemen, indien daarom wordt verzocht. Kennisneming geschiedt op de wijze door de voorzitter te bepalen. De voorzitter kan, ambtshalve of op de vordering van de procureur-generaal, bepaalde stukken van kennisneming uitzonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de opsporing of vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend.
... De persoon wiens vervolging wordt verlangd is niet verplicht op de vragen, hem in raadkamer gesteld, te antwoorden. Hiervan wordt hem, voordat hij wordt gehoord, mededeling gedaan. De mededeling wordt in het proces-verbaal opgenomen.
... Wanneer de klager of de persoon wiens vervolging wordt verlangd in raadkamer wordt gehoord, nodigt het Hof de procureur-generaal uit daarbij tegenwoordig te zijn.
... Het horen van de klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd kan ook aan een van de leden van het Hof worden opgedragen.
... De artikelen 38 tot en met 42 met betrekking tot de behandeling in raadkamer zijn op deze titel van toepassing.
... De leden van het Hof die over het beklag hebben geoordeeld, nemen noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, deel aan de berechting.
... Bij toepassing van artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES is beklag niet toegelaten.
... Wanneer het Hof ambtshalve van oordeel is, dat de vervolging van strafbare feiten behoort ingesteld of voortgezet te worden, vinden de bepalingen van deze titel zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.
... Na het uitbrengen van de dagvaarding ter terechtzitting kan de verdachte de schorsing wegens het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk recht enkel verzoeken, hetzij bij het bezwaarschrift dat tegen die dagvaarding kan worden ingediend, hetzij op de terechtzitting.
... Alvorens omtrent de schorsing te beslissen, kan de rechter getuigen en deskundigen horen.
... De beslissingen omtrent de schorsing worden genomen hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie, hetzij op het verzoek van de verdachte of zijn raadsman, door de rechter voor wie de zaak wordt vervolgd of zal worden vervolgd, of voor wie de zaak het laatst is vervolgd.
... Tegen beslissingen omtrent de schorsing staat het openbaar ministerie binnen drie dagen daarna en de verdachte binnen drie dagen na de betekening hoger beroep open bij het Hof van Justitie.
... 1 In alle gevallen waarin niet de beslissing door de rechter op de terechtzitting is voorgeschreven of aldaar ambtshalve wordt genomen, geschieden onderzoek en beslissing door de raadkamer. Echter geschieden op de terechtzitting onderzoek en beslissing omtrent alle vorderingen, verzoeken of voordrachten aldaar gedaan. 2 De raadkamer bij het Hof van Justitie is op straffe van nietigheid samengesteld uit drie leden. In eerste aanleg treedt de raadkamer enkelvoudig op. In dat geval vinden de bepalingen van deze titel overeenkomstig toepassing. 3 Indien door de raadkamer een beslissing moet worden gegeven na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting, is zij zoveel mogelijk samengesteld uit de leden die op de terechtzitting over de zaak hebben gezeten. 4 De rechter die als rechter-commissaris in de zaak enig onderzoek heeft verricht of enige beslissing heeft genomen, neemt aan onderzoek en beslissing door de raadkamer geen deel.
... 1 Van het onderzoek van de raadkamer wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt, behelzende de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en van hetgeen bij dat onderzoek is voorgevallen. 2 Indien een verdachte, getuige of deskundige of de raadsman of de advocaat verlangt dat enige opgave in de eigen woorden zal worden opgenomen, geschiedt dat voor zover de opgave redelijke grenzen niet overschrijdt, zoveel mogelijk. 3 Het proces-verbaal wordt door de voorzitter of door een van de andere leden van de raadkamer en de griffier vastgesteld en zo spoedig mogelijk na afloop van het onderzoek ondertekend. Voor zover de rechter of de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijn medewerking en wordt van zijn verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt. 4 Het wordt met de beschikking en de verdere tijdens het onderzoek in raadkamer in het geding gebrachte stukken bij de processtukken gevoegd.
... 1 In alle gevallen, waarin het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt en het wetboek zelf daaromtrent geen regeling bevat, kan een verzoek om zodanige voorziening worden gedaan door de verdachte of degene die daarbij een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand belang heeft. 2 Op gelijke wijze komt het openbaar ministerie de bevoegdheid toe een zodanige voorziening te vorderen. 3 Op het verzoek of de vordering, op straffe van niet-ontvankelijkheid met redenen te omkleden, wordt tijdens het voorbereidend onderzoek beslist door de rechter-commissaris en, na de aanvang of de beëindiging van het onderzoek ter terechtzitting, door de rechter die over de zaak oordeelt of het laatst heeft geoordeeld. Is de zaak bij het Hof aanhangig of aanhangig geweest, dan is het college of een door dit college aangewezen lid bevoegd. 4 Is de rechter aanstonds van oordeel, dat degene die het verzoek of de vordering heeft gedaan, niet-ontvankelijk is of dat elke redelijke grond aan het verzoek of de vordering ontbreekt, dan wijst hij zonder nader onderzoek en met eenvoudige redengeving de gevraagde voorziening af. 5 De voorziening kan zowel een gebod als een verbod bevatten, ook met betrekking tot gedragingen in de toekomst. 6 De beschikking wordt zo spoedig mogelijk gegeven als door het belang van de zaak wordt gevorderd. 7 Voor zover de beschikking een veroordeling inhoudt, kan worden bepaald dat, indien, zo lang of zo dikwijls de veroordeelde aan die veroordeling niet voldoet, door hem zal zijn verbeurd een bij de beschikking vast te stellen geldsom, dwangsom genaamd. De dwangsom, eenmaal verbeurd, komt ten volle toe aan degene die de veroordeling heeft verkregen. Deze kan de dwangsom tenuitvoerleggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld. Wordt de dwangsom niet voldaan, dan kan de rechter op de vordering van het openbaar ministerie de gijzeling van de veroordeelde bevelen gedurende een door hem te bepalen termijn. 8 De rechter is bevoegd om tenuitvoerlegging van zijn beschikking te bevelen bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep. 9 Tegen de beschikking van de rechter in eerste aanleg staat binnen drie dagen hoger beroep open bij het Hof van Justitie, indien daartoe, gelet op het belang van de gevraagde voorziening, door het Hof of een door dit college aangewezen lid verlof is verleend. 10 De artikelen 38 tot en met 42 vinden zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van de rechtstreeks belanghebbende vindt artikel 44 overeenkomstig toepassing. 11 Tijdens de behandeling van het verzoek of de vordering kunnen aan de hierboven bedoelde procedure niet meer rechten worden ontleend dan de stand van de strafvorderlijke procedure toelaat.
... Alle rechterlijke beslissingen op grond van dit wetboek worden, tenzij daarvoor een bijzondere regeling geldt, binnen een zo kort mogelijke termijn genomen, zijn met redenen omkleed, en worden ten spoedigste ter kennis gebracht van het openbaar ministerie, dat onverwijld voor betekening aan de verdachte zorgdraagt. Op de dag dat de beslissing schriftelijk ter kennis is gebracht, respectievelijk betekend is vangt de termijn aan waarbinnen enig rechtsmiddel is opengesteld.
... Een ieder, die betrokken is bij de uitvoering van dit wetboek en daarbij de beschikking krijgt over gegevens, waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit wetboek de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
... 1 Hij, die ingevolge de bepalingen van dit wetboek mondeling een eed of belofte moet afleggen, zal: a. indien hij een eed aflegt, onder het opsteken van de twee voorste vingers van zijn rechterhand, uitspreken de woorden: «Zo waarlijk helpe mij God Almachtig»; b. indien hij een belofte aflegt, uitspreken de woorden: «Dat beloof ik». 2 Degene, in wiens handen de eed wordt afgelegd, houdt de betrokkene de volgende bij diens hoedanigheid passende verklaring voor: a. ten aanzien van de getuige: dat hij de waarheid en niets dan de waarheid zal verklaren; b. ten aanzien van de deskundige en de tolk: dat hij zijn taak naar geweten zal vervullen. 3 Hij, die aan zijn godsdienstige gezindheid de plicht ontleent de eed op andere wijze af te leggen, kan dat op die wijze doen. De eed kan ook worden afgelegd in de taal, die de betrokkene gewoon is te spreken. 4 Hij, die tengevolge van een lichaams- of spraakgebrek de eed niet op de bij het eerste en derde lid bepaalde wijze kan afleggen, zal de eed afleggen op een wijze, zoveel mogelijk in overeenstemming met het in die artikelleden voorgeschrevene, te bepalen door degene in wiens handen de eed wordt afgelegd. In plaats van de eed kan ter keuze van de betrokkene de belofte worden afgelegd.
... 1 De verdachte heeft het recht zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, door een of meer door hem gekozen of ingevolge de artikelen 61 tot en met 68 toegevoegde raadslieden te doen bijstaan. 2 Hem wordt daartoe, wanneer hij dit verzoekt en hem rechtens de vrijheid is ontnomen, zoveel mogelijk met inachtneming van de huishoudelijke reglementen van de inrichting waarin hij verblijft, de gelegenheid gegeven zich met zijn raadsman of raadslieden in verbinding te stellen. 3 Wanneer de verdachte om bijstand van een raadsman verzoekt voordat hij door een opsporingsambtenaar wordt verhoord, kan het verhoor slechts dan een aanvang nemen, nadat de raadsman die bijstand heeft verleend, tenzij het onderzoek geen uitstel gedoogt, of de komst van de raadsman in redelijkheid niet kan worden afgewacht. 4 De raadsman is niet bevoegd bij de verhoren door een opsporingsambtenaar aanwezig te zijn. Als het verhoor door een opsporingsambtenaar plaatsvindt, nadat de verdachte in dezelfde zaak door de rechter-commissaris is verhoord, komen de raadsman ten aanzien van het verhoor door de opsporingsambtenaar dezelfde bevoegdheden toe als hem bij het verhoor door de rechter-commissaris zijn toegekend. 5 In de gevallen waarin de raadsman tot bijwoning van het verhoor is toegelaten, onthoudt hij zich van alles wat de strekking heeft het verhoor te beïnvloeden.
... In alle gevallen waarin de verdachte overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek wordt gehoord, is hij bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan. Deze wordt in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken. Gelijke bevoegdheid komt hem toe, wanneer de verdachte niet in staat is in persoon te worden gehoord.
... 1 De verdachte heeft het recht om desgevraagd van de op zijn zaak betrekking hebbende processtukken kennis te nemen. 2 Niettemin kan tijdens het voorbereidend onderzoek de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit bepaaldelijk vordert, de verdachte de kennisneming van bepaalde processtukken onthouden. Daartoe bestaat slechts dan grond, voor zover het belang dat de verdachte bij kennisneming heeft, niet opweegt tegen het belang op grond waarvan de kennisneming wordt onthouden. 3 Wanneer enig onderzoek niet tot een vervolging heeft geleid of zal leiden, kan de verdachte of de gewezen verdachte de kennisneming van de processtukken niet meer worden onthouden, tenzij dwingende aan het algemene belang van de strafvordering te ontlenen gronden zich daartegen verzetten. 4 Ingeval de verdachte de kennisneming van bepaalde processtukken wordt onthouden, wordt hem onder opgave van redenen schriftelijk meegedeeld dat de hem ter inzage gegeven stukken niet volledig zijn. Van deze beslissing kan hij binnen drie dagen in beroep komen bij de rechter-commissaris.
... Tijdens het voorbereidend onderzoek mag aan de verdachte niet worden onthouden de kennisneming van: a. de processen-verbaal van zijn verhoren; b. de processen-verbaal betreffende verhoren of handelingen van onderzoek, waarbij hij of zijn raadsman de bevoegdheid heeft gehad tegenwoordig te zijn, tenzij en voor zover uit het proces-verbaal blijkt van enige omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, en in verband daarmee een bevel als bedoeld in artikel 70, tweede of derde lid , is gegeven; c. de overige processen-verbaal van verhoren, waarvan de inhoud hem mondeling volledig mededeling is gedaan.
... De kennisneming van geen enkel processtuk in het oorspronkelijke of in afschrift mag de verdachte worden onthouden, zodra het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten, of, indien een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg is betekend.
... 1 Kennisneming van processtukken, die zijn opgemaakt met betrekking tot de persoonlijkheid of de zielstoestand van de verdachte, kan hem alleen dan geheel of gedeeltelijk worden onthouden, indien de rapporteur verklaart, dat kennisneming bepaaldelijk niet in het belang van de verdachte moet worden aangemerkt en voorts dat er geen mogelijkheden aanwezig worden geacht de kennisneming onder begeleiding van een deskundige te doen plaatsvinden. Daaromtrent beslist het gerecht waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd dan wel, indien geen vervolging heeft plaatsgehad of deze nog niet is ingesteld, de rechter-commissaris. 2 Ingeval de verdachte kennisneming op de voet van het bepaalde in het eerste lid geheel of gedeeltelijk niet wordt toegestaan, kan de kennisneming nochtans wel aan de raadsman worden toegestaan.
... 1 De verdachte heeft recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. 2 De termijn vangt aan op het moment dat de verdachte had verwacht en redelijkerwijze had kunnen verwachten, dat zijn zaak strafrechtelijk zou worden vervolgd. 3 Een termijn, waardoor de verdachte langer dan in het algemeen wenselijk is onder de dreiging van een strafvervolging of van de voortzetting daarvan heeft moeten leven, wordt als onredelijk aangemerkt, tenzij bijzondere omstandigheden het tijdsverloop kunnen rechtvaardigen. 4 Indien de verdachte de bevoegdheid, hem bij artikel 56 toegekend, onbenut heeft gelaten, kan hij zich later niet meer op de onredelijkheid van een termijn beroepen, tenzij door het tijdsverloop de kwaliteit van de strafrechtspleging zodanig is aangetast, dat de rechter ook ambtshalve gronden aanwezig acht om het tijdsverloop te beoordelen en daaraan gevolgen te verbinden.
... 1 De rechter-commissaris waakt tegen nodeloze vertraging van het voorbereidend onderzoek. Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, draagt hij in het bijzonder ervoor zorg, dat de zaak met de meest mogelijke spoed wordt voortgezet. 2 Wanneer het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, wordt het toezicht op nodeloze vertraging uitgeoefend door de rechter, die over de zaak ter terechtzitting oordeelt, of door het Hof van Justitie, nadat hoger beroep is ingesteld. 3 De bevoegde rechter kan, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bevelen dat het onderzoek binnen een uiterste termijn wordt voortgezet dan wel wordt beëindigd. Hij kan zich daartoe de nodige processtukken doen overleggen. Nadat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, komen deze bevoegdheden de rechter ook ambtshalve toe. 4 Indien een eenmaal aangevangen vervolging niet wordt voortgezet, kan de rechter tevens verklaren dat de zaak geëindigd is. 5 De verdachte wordt gehoord. 6 Een beslissing als bedoeld in het derde of vierde lid, kan tot een uiterste termijn worden aangehouden, indien het openbaar ministerie aannemelijk maakt, dat het onderzoek alsnog zal worden voortgezet dan wel verdere vervolging zal plaatsvinden. 7 Wanneer de zaak ter terechtzitting in hoger beroep aanhangig is gemaakt, vindt ten aanzien van het Hof van Justitie artikel 38, derde lid , geen toepassing.
... 1 Aan iedere verdachte, die in verzekering is gesteld, wordt een raadsman toegevoegd, zodra tegen hem het bevel tot inverzekeringstelling wordt verleend, tenzij hij uitdrukkelijk heeft verklaard van het recht op toevoeging afstand te doen. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie die het bevel heeft verleend, licht onverwijld de instantie die met de toevoeging is belast, omtrent de inverzekeringstelling in. 2 Een toevoeging ingevolge het eerste lid blijft tijdens de voorlopige hechtenis van kracht, tenzij de verdachte niet on- of minvermogend is in de zin van de Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES . 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden zoveel mogelijk in overeenstemming met de situatie op de eilanden nadere regels gesteld omtrent de toevoeging aan in verzekering gestelde verdachten.
... 1 Indien het bevel, bedoeld in artikel 62, eerste lid , niet is verleend, wordt een verdachte van een misdrijf, van wiens onvermogen voldoende is gebleken, op diens verzoek een raadsman toegevoegd, zodra de vervolging tegen hem is aangevangen. De verdachte kan aan het verzoek niet het recht ontlenen de zaak op te houden. 2 Het eerste lid is tevens van toepassing in hoger beroep. 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de wijze waarop het onvermogen moet worden gestaafd. 4 Omtrent zijn bevoegdheid om toevoeging van een raadsman te verzoeken wordt de verdachte van misdrijf ingelicht op de voet van artikel 82 . Echter geschiedt de mededeling in geval van aantekening van hoger beroep door de griffier van het gerecht, dat vonnis heeft gewezen. Indien de verdachte, anders dan krachtens een bevel tot inverzekeringstelling, rechtens zijn vrijheid is ontnomen, wordt het verzoek onverwijld door de officier van justitie ter kennis gebracht van de instantie die met de toevoeging is belast. 5 Indien het vermoeden bestaat dat bij de verdachte van misdrijf gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens aanwezig is en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen, wordt hem, indien hij nog geen raadsman heeft en een vervolging ter zake van het misdrijf tegen hem is aangevangen, tijdens het voorbereidend onderzoek door de rechter-commissaris ambtshalve een raadsman toegevoegd. 6 De in het vierde lid bedoelde inlichtingen en kennisgevingen geschieden overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bepalingen. Daarbij worden tevens voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop het verzoek om toevoeging behoort te worden gedaan.
... De toegevoegde raadsman kan de waarneming van bepaalde verrichtingen namens hem door een andere advocaat doen geschieden, mits hij of die ander daarvan schriftelijk kennis geeft aan de officier van justitie en, voor zover nodig, aan de hulpofficier van justitie tijdens het voorbereidend onderzoek of, indien de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, aan de bevoegde rechter.
... 1 De verdachte kan tijdens het voorbereidend onderzoek de rechter-commissaris of, indien de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, de bevoegde rechter om toevoeging van een raadsman verzoeken: a. indien hij binnen vierentwintig uren na het tijdstip waarop ingevolge artikel 62 toevoeging had moeten plaatshebben, nog geen raadsman heeft; b. indien zijn verzoek als bedoeld in de artikelen 63, eerste en tweede lid , en 65, tweede lid , niet is ingewilligd; c. indien hem bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman geen andere raadsman is toegevoegd; d. indien de toevoeging op grond van artikel 61, derde lid , is beëindigd. 2 Op het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt zo spoedig mogelijk beslist. De verdachte wordt, tenzij het verzoek aanstonds wordt ingewilligd, op het verzoek gehoord.
... Van elke toevoeging en van elke wijziging daarin wordt onverwijld, op de wijze bij algemene maatregel van bestuur te bepalen, kennis gegeven aan de officier van justitie, de raadsman, de verdachte en bovendien, in geval van een gerechtelijk vooronderzoek, aan de rechter-commissaris, alsmede, indien de verdachte in het huis van bewaring of de gevangenis verblijft, aan de directeur van die inrichting.
... Voor de beloning van de bijstand door toegevoegde raadslieden alsmede voor de vergoeding van door hen noodzakelijk gemaakte onkosten worden uit 's Rijks kas middelen beschikbaar gesteld naar regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur.
... 1 De raadsman heeft vrije toegang tot de verdachte wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen, kan hem buiten aanwezigheid van anderen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen wordt kennisgenomen, een en ander onder het vereiste toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, zulks onverminderd hetgeen door de wettelijke bepalingen wordt gevorderd, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden. 2 Indien uit bepaalde omstandigheden een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte hetzij zal strekken om de verdachte bekend te maken met enige omstandigheid, waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, hetzij wordt misbruikt voor pogingen om de waarheidsvinding te belemmeren, kan tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris en overigens tijdens het voorbereidend onderzoek de officier van justitie telkens aan de bevoegde autoriteiten bevelen, dat de raadsman geen toegang tot de verdachte zal hebben of deze niet alleen zal mogen spreken en dat brieven of andere stukken, tussen raadsman en verdachte gewisseld, niet zullen worden uitgereikt. Het bevel omschrijft de bepaalde omstandigheden in de voorgaande volzin bedoeld; het beperkt de vrijheid van verkeer tussen raadsman en verdachte niet meer en wordt voor niet langer gegeven dan door die omstandigheden wordt gevorderd, en is in elk geval slechts gedurende ten hoogste acht dagen van kracht. Van het bevel geschiedt onverwijld schriftelijke mededeling aan de raadsman en aan de verdachte. 3 De raadsman kan tegen het bevel binnen drie dagen na die mededeling een bezwaarschrift indienen bij het Hof van Justitie. Deze wordt gehoord, althans behoorlijk daartoe opgeroepen. Het Hof kan bij zijn beslissing het bevel opheffen, wijzigen of aanvullen. 4 Wanneer het betreft een persoon die verdacht wordt van een van de in de artikelen 97 tot en met 113 van het Wetboek van Strafrecht BES omschreven misdrijven tegen de veiligheid van de Staat, kan tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris en overigens tijdens het voorbereidend onderzoek de officier van justitie telkens voor het tijdvak van ten hoogste veertien dagen bevelen, dat er geen vrij verkeer tussen de verdachte en zijn raadsman zal plaatsvinden, indien hij van oordeel is, dat het belang van het onderzoek zich daartegen bepaaldelijk verzet. Van het bevel geschiedt onverwijld schriftelijke mededeling aan de raadsman en aan de verdachte. Het derde lid is van toepassing. 5 Alle belemmeringen van het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte, die ingevolge een van de vier voorgaande leden bevolen zijn, nemen een einde zodra het gerechtelijk vooronderzoek is beëindigd of, ingeval een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg is betekend.
... Bij de toepassing van elk dwangmiddel gelden, behalve de overige in dit wetboek gestelde eisen, als algemene voorwaarden: a. dat de toepassing van het dwangmiddel, na afweging van de in het geding zijnde belangen, niet onredelijk is, b. dat de bevoegdheid een dwangmiddel toe te passen niet voor een ander doel wordt aangewend dan waarvoor zij is verleend, c. dat het doel van het dwangmiddel niet op andere, meer doelmatige en minder ingrijpende wijze kan worden bereikt, en d. dat de ernst van de door het dwangmiddel te veroorzaken inbreuk redelijkerwijze door de ernst van het strafbare feit wordt gerechtvaardigd.
... 1 In geval van ontdekking op heterdaad van enig strafbaar feit is ieder bevoegd de verdachte aan te houden. 2 Geschiedt de aanhouding door een opsporingsambtenaar, dan draagt deze zorg dat de aangehoudene zonder uitstel naar een plaats van verhoor en terstond daarna voor een officier van justitie of een hulpofficier wordt geleid. 3 Geschiedt de aanhouding door de officier van justitie of een hulpofficier dan geleidt deze de aangehoudene zonder uitstel naar een plaats van verhoor; hij kan ook de aanhouding of voorgeleiding van de verdachte bevelen. 4 Geschiedt de aanhouding door een ander, dan levert deze de aangehoudene onverwijld aan een opsporingsambtenaar over, onder afgifte aan deze van mogelijk inbeslaggenomen voorwerpen, die dan handelt overeenkomstig de bepaling van het tweede lid. In geval van overlevering aan de officier van justitie of de hulpofficier is het derde lid van toepassing.
... 1 Ook buiten het geval van ontdekking op heterdaad is de officier van justitie bevoegd de verdachte van enig strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, of van het strafbare feit omschreven in artikel 454, aanhef en onder ten 3e, van het Wetboek van Strafrecht BES , aan te houden en zonder uitstel naar een plaats van verhoor te geleiden; hij kan ook de aanhouding of voorgeleiding van de verdachte bevelen. 2 Kan het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan komt gelijke bevoegdheid toe aan de hulpofficier van justitie. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie. 3 Kan ook het optreden van een hulpofficier niet worden afgewacht, dan is elke opsporingsambtenaar bevoegd de verdachte aan te houden, onder de verplichting zorg te dragen dat hij onverwijld voor de officier van justitie of de hulpofficier wordt geleid. Op de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, is de tweede volzin van het tweede lid van toepassing.
... De hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, geeft van de aanhouding uiterlijk binnen vierentwintig uren schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie.
... 1 In geval van ontdekking op heterdaad van een misdrijf kan ieder, ter aanhouding van de verdachte, elke plaats betreden, met uitzondering van een woning tot het binnentreden waarvan de bewoner geen uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven, en van de plaatsen in artikel 164 genoemd, op de tijden in dat artikel aangegeven. 2 Zowel in geval van ontdekking op heterdaad als buiten dat geval kan iedere opsporingsambtenaar, ter aanhouding van de verdachte, elke plaats betreden. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing. 3 Een opsporingsambtenaar die overeenkomstig het tweede lid een plaats heeft betreden, kan in afwachting van de komst van de ambtenaar die bevoegd is ter aanhouding de plaats te doorzoeken, de maatregelen nemen, die redelijkerwijze nodig zijn om te voorkomen, dat de verdachte zich aan zijn aanhouding onttrekt.
... 1 De officier van justitie of de hulpofficier, voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, kan bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze bepalen, dat hij aan zijn lichaam of aan zijn kleding zal worden onderzocht. 2 De overige opsporingsambtenaren zijn bevoegd de aangehoudene, tegen wie ernstige bezwaren bestaan, aan zijn kleding te onderzoeken. 3 Wanneer er in geval van het eerste lid bijzondere aanwijzingen zijn dat voorwerpen of stoffen in of langs de weg van de natuurlijke openingen van het lichaam verborgen worden gehouden, kan het onderzoek aan het lichaam zich ook daartoe uitstrekken, doch slechts indien: a. het onderzoek plaatsvindt door een medisch deskundige, wanneer het betreft een onderzoek van de maag, een rectaal of vaginaal onderzoek, en een meer dan oppervlakkig onderzoek van andere lichaamsholten, en b. het onderzoek geschiedt op een daartoe geschikte plaats en, indien het niet door een medisch deskundige wordt verricht, door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als dat van de verdachte die aan het onderzoek wordt onderworpen. 4 Indien bij het onderzoek, bedoeld in het derde lid, instrumenten of kunstmatige middelen worden aangewend met het doel de verwijdering van voorwerpen en stoffen uit het lichaam te bewerkstelligen, dient voor het gebruik daarvan door de rechter-commissaris machtiging te worden verleend. In die machtiging kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de wijze van uitvoering.
... 1 De rechter-commissaris kan op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman een deskundige, verbonden aan een van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen laboratoria, benoemen met de opdracht een onderzoek te verrichten dat gebaseerd is op een vergelijking tussen kenmerken van celmateriaal. De deskundige brengt aan de rechter-commissaris een met redenen omkleed verslag uit. 2 De rechter-commissaris geeft de verdachte, indien deze bekend is, steeds en zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis van de aan de deskundige verleende opdracht, van de tijd waarop en van het laboratorium alwaar het onderzoek plaatsvindt of heeft plaatsgevonden en van de uitslag daarvan. Hij wijst de verdachte op artikel 79b . 3 De rechter-commissaris doet het celmateriaal vernietigen overeenkomstig de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels. Van de vernietiging wordt onverwijld proces-verbaal opgemaakt. 4 Kenmerken van celmateriaal kunnen worden opgenomen in een register. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inrichting en raadpleging van het register, alsmede omtrent de gevallen waarin de opname van gegevens in dit register is toegestaan en de wijze waarop daartegen bij het Hof beroep kan worden ingesteld. 5 Het register, bedoeld in het vierde lid, kan, volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, worden geraadpleegd ten behoeve van opsporingsonderzoek waarop het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, geen betrekking heeft.
a ... 1 De rechter-commissaris kan op de vordering van de officier van justitie bevelen dat van de verdachte van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, bloed zal worden afgenomen ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid . 2 Het bevel kan slechts worden gegeven, indien uit feiten of omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte en indien het onderzoek redelijkerwijze nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid. Het bevel is met redenen omkleed en wordt betekend aan de verdachte. 3 De rechter-commissaris geeft het bevel niet, dan nadat de verdachte is gehoord en vruchteloos is uitgenodigd vrijwillig bloed ten behoeve van het onderzoek af te staan. De verdachte is bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan. 4 Het bevel tot afname van bloed wordt niet ten uitvoer gelegd, indien aannemelijk is dat afname van bloed om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. 5 De verdachte ten aanzien van wie een bevel als bedoeld in het eerste lid, is gegeven, wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek en een tegenonderzoek noodzakelijk is. 6 Bij toepassing van het vierde lid of indien de deskundige als bedoeld in artikel 79, eerste lid , oordeelt dat het bloed van de verdachte geen geschikt materiaal voor het daar bedoelde onderzoek zal opleveren, kan de rechter-commissaris bevelen dat van de verdachte wangslijmvlies, haarwortels of ander bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid. De laatste volzin van het tweede lid en het derde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 7 De verdachte kan tegen het krachtens het eerste of zesde lid gegeven bevel binnen zeven dagen na betekening in hoger beroep komen bij het Hof van Justitie, dat zo spoedig mogelijk beslist. De verdachte wordt gehoord. Het bevel wordt in afwachting van de beslissing van het Hof niet ten uitvoer gelegd.
b ... 1 De verdachte kan, indien geen verzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid , is gedaan, binnen veertien dagen nadat hem de uitslag van het onderzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid, schriftelijk is kennisgegeven, de rechter-commissaris verzoeken een andere door de verdachte aangewezen deskundige, verbonden aan een van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen laboratoria, te benoemen met de opdracht een onderzoek te verrichten dat gebaseerd is op een vergelijking tussen kenmerken van celmateriaal. Indien daartoe voldoende celmateriaal beschikbaar is, willigt de rechter-commissaris het verzoek in. De deskundige brengt aan de rechter-commissaris een met redenen omkleed verslag uit. Artikel 79, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. 2 In geval van toepassing van het eerste lid wordt de verdachte een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gedeelte van de kosten van het onderzoek in rekening gebracht, indien dit onderzoek het in opdracht van de rechter-commissaris verrichte onderzoek bevestigt. 3 Indien onvoldoende materiaal voor tegenonderzoek als bedoeld in het eerste lid beschikbaar is, stelt de rechter-commissaris de verdachte, indien slechts één verdachte bekend is, in de gelegenheid een deskundige als bedoeld in artikel 267 aan te wijzen. De deskundige dient verbonden te zijn aan een van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen laboratoria. Het eerste lid is niet van toepassing.
d ... Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de wijze van uitvoering van de artikelen 79 , 79a , en 79b , in het bijzonder met betrekking tot de wijze waarop celmateriaal van een persoon wordt afgenomen, de methode en de plaats van onderzoek, de aanwijzing van de deskundigen, het door de deskundigen uit te brengen verslag, de wijze waarop het recht op tegenonderzoek kan worden uitgeoefend en het bewaren van celmateriaal.
... 1 Iedere verdachte, die naar een plaats van verhoor is geleid, wordt terstond daarna, in ieder geval voordat het verhoor een aanvang neemt, op de hoogte gebracht van: a. de aard en de reden van de vrijheidsontneming, b. het recht om zich te onthouden van antwoorden, en c. het recht zich door een raadsman te doen bijstaan en, bij toepasselijkheid van de artikelen 62 of 63 , het recht om toevoeging van een raadsman te verzoeken. 2 Behalve de mondelinge mededeling van de rechten, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de verdachte een formulier uitgereikt, waarop die rechten zijn vermeld. Het model van het formulier wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Het formulier is steeds beschikbaar in tenminste de navolgende talen: Nederlands, Papiamentu, Engels en Spaans. 3 Na de mededeling van zijn rechten tekent de verdachte het formulier voor gezien. Weigert hij te tekenen, dan wordt daarvan in het proces-verbaal melding gemaakt. Een afschrift van het formulier wordt bij de processtukken gevoegd. 4 De mededeling geschiedt in een taal die de verdachte verstaat. Bij gegronde twijfel of een verdachte de mededeling goed heeft begrepen, neemt het verhoor geen aanvang, voordat de bijstand van een tolk is ingeroepen.
... 1 De officier van justitie of de hulpofficier, voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden of verhoord, kan na het verhoor, in het belang van het onderzoek bevelen dat hij tijdens het onderzoek ter beschikking van de justitie zal blijven en daarvoor op een in het bevel aan te duiden plaats in verzekering zal worden gesteld. 2 De verdachte wordt, door de officier van justitie of de hulpofficier voorafgaand aan het bevel, gehoord. Hem wordt tevens meegedeeld, dat hem vanaf het tijdstip waarop het bevel tot inverzekeringstelling wordt verleend en gedurende die periode, kosteloos een raadsman zal worden toegevoegd. 3 Van het horen wordt in het proces-verbaal van verhoor melding gemaakt. 4 De hulpofficier geeft van zijn bevel ten spoedigste, maar in ieder geval binnen vierentwintig uren schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie. 5 Zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, gelast de officier van justitie de invrijheidstelling van de verdachte. Binnen de eerste vierentwintig uren is daartoe ook bevoegd de hulpofficier, die het bevel heeft gegeven. 6 Gelast de hulpofficier de invrijheidstelling niet, dan doet hij de verdachte voor de officier van justitie geleiden, voor zover deze niet anders beslist.
... De officier van justitie doet de aangehouden verdachte, wiens bewaring hij noodzakelijk oordeelt, onverwijld geleiden voor de rechter-commissaris.
... Wordt de verdachte noch overeenkomstig artikel 83 in verzekering gesteld, noch overeenkomstig artikel 84 voor de rechter-commissaris geleid, dan wordt hij, na te zijn verhoord, dadelijk in vrijheid gesteld.
... Het bevel tot inverzekeringstelling wordt slechts verleend in geval van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting in eerste aanleg is aangevangen, kan zodanig bevel voor hetzelfde feit niet meer worden verleend.
... 1 De in verzekering gestelde personen worden aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke voor het doel van hun opsluiting of in het belang van de orde volstrekt noodzakelijk zijn. 2 Tijdens de inverzekeringstelling kunnen door de officier van justitie en, in geval van het gerechtelijk vooronderzoek, de rechter-commissaris in het bijzonder als maatregel in het belang van het onderzoek jegens de verdachte worden bevolen: a. het maken van afbeeldingen, al dan niet in bepaalde standen; b. het tijdelijk doen aantrekken van bepaalde kleding, daaronder begrepen het opzetten van een bril of het dragen van een pruik; c. het vastleggen van uiterlijke lichamelijke kenmerken; d. een onderzoek van schrijf- en stemkenmerken; e. sorteer- en geurproeven; f. een tegenoverstelling met derden; g. de beperking of ontzegging van de uitreiking van kranten en lectuur; h. algemeen of individueel bepaalde bezoek-, contact- en correspondentieverboden; i. een verbod op het voeren van telefoongesprekken; j. afzondering; k. het overbrengen naar bepaalde plaatsen; l. het afscheren, knippen of laten groeien van baard- en hoofdhaar; m. de in artikel 78 bedoelde onderzoeken en de aldaar bedoelde verwijdering van voorwerpen en stoffen; n. een onderzoek van het op grond van artikel 78 verkregen materiaal. 3 De in het tweede lid, onderdelen a tot en met c, alsmede f tot en met j, bedoelde maatregelen kunnen tevens worden bevolen door de hulpofficier van justitie die de inverzekeringstelling heeft gelast, indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht. 4 De toepassing van de in het tweede lid bedoelde maatregelen wordt schriftelijk vastgelegd. 5 Voor maatregelen als bedoeld in het tweede lid, onderdelen l, m, voor zover het de verwijdering van voorwerpen en stoffen uit het lichaam betreft, en n, voor zover het lichaamsmateriaal betreft, dient door de rechter-commissaris een machtiging te worden verleend. Artikel 78, vierde lid, laatste volzin , is van overeenkomstige toepassing. 6 De uitvoering van de in het tweede lid bedoelde maatregelen geschiedt onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie. 7 Tegen de oplegging van in het tweede lid bedoelde maatregelen kan de verdachte binnen zeven dagen een bezwaarschrift indienen bij het Hof. 8 Een maatregel wordt, in afwachting van de rechterlijke beslissing op het bezwaarschrift, niet ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter-commissaris of de officier van justitie de onverwijlde tenuitvoerlegging in het belang van het onderzoek volstrekt noodzakelijk acht. 9 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
a ... Met betrekking tot de behandeling van in verzekering gestelde personen en tot de eisen waaraan de voor inverzekeringstelling bestemde plaatsen moeten voldoen, worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld, voor zover daarin bij wet, houdende regels voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsontneming, niet is voorzien.
... 1 De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van justitie, een bevel tot bewaring van de verdachte verlenen. De griffier geeft van de vordering onverwijld mondeling of schriftelijk kennis aan de raadsman en doet hem alsmede de officier van justitie en de hulpofficier tevens mededeling omtrent de plaats waar en, zo mogelijk, het tijdstip waarop de verdachte door de rechter-commissaris zal worden gehoord. 2 Indien de rechter-commissaris reeds aanstonds van oordeel is, dat voor het verlenen van zodanig bevel geen grond bestaat, wijst hij de vordering af. 3 In het andere geval hoort hij, alvorens te beslissen, de verdachte omtrent de vordering van de officier van justitie en kan hij te dien einde, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, diens dagvaarding gelasten. Indien het voorafgaand horen van de verdachte niet kan worden afgewacht, wordt deze bij de eerste gelegenheid na het bevel gehoord.
... De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van justitie, de gevangenhouding bevelen van de verdachte die zich in bewaring bevindt, doch niet dan na hem in de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord.
... De rechter-commissaris kan, indien dit nodig is om de uitlevering van de verdachte te verkrijgen, op de vordering van de officier van justitie de gevangenneming van de verdachte bevelen.
... Na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting, kan de rechter in eerste aanleg ambtshalve of op de vordering van de officier van justitie, de gevangenneming van de verdachte bevelen. Zo nodig hoort de rechter deze vooraf; hij is bevoegd te dien einde zijn dagvaarding te gelasten.
... 1 Het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is van kracht gedurende een door de rechter te bepalen termijn van ten hoogste zestig dagen, die ingaat op het ogenblik van de tenuitvoerlegging. 2 Indien het bevel is gegeven op de terechtzitting, dan wel, binnen de krachtens het eerste lid bepaalde termijn, het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen, blijft het bevel voor onbepaalde tijd geldig en blijft van kracht totdat het is opgeheven. 3 De termijn gedurende welke het bevel van kracht is, kan door de rechter-commissaris op de vordering van de officier van justitie, voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting eenmaal met ten hoogste dertig dagen worden verlengd. 4 Indien een gerechtelijk vooronderzoek is gevorderd en dit op grond van bijzondere, op de zaak zelf betrekking hebbende omstandigheden niet binnen negentig dagen nadat het bevel tot gevangenhouding van kracht is geworden, is voltooid, kan op de vordering van de officier van justitie de rechter-commissaris in de gevallen en op de gronden, vermeld in de artikelen 100 en 101 , de termijn nog eenmaal met ten hoogste dertig dagen verlengen. 5 De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op elke vordering op grond van dit artikel te worden gehoord. 6 Op bevelen tot verlenging, overeenkomstig het derde en vierde lid, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.
... Ten aanzien van de gevangenhouding en de gevangenneming is artikel 94 van overeenkomstige toepassing.
... 1 Een bevel, als bedoeld in artikel 100 , kan slechts worden gegeven, indien uit feiten of omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte ter zake van de in dat artikel vermelde misdrijven, en voorts: a. indien uit bepaalde gedragingen van de verdachte of uit bepaalde, hem persoonlijk betreffende omstandigheden blijkt van ernstig gevaar voor vlucht, of b. indien uit bepaalde omstandigheden blijkt van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, die de onverwijlde vrijheidsontneming vordert. 2 Een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid kan voor de toepassing van het eerste lid slechts in aanmerking worden genomen: a. indien wegens het vermoedelijk begane feit levenslange gevangenisstraf, dan wel tijdelijke van zes jaren of meer kan worden opgelegd of de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt, of b. indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden, dat de verdachte een misdrijf zal begaan, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld, of waardoor de veiligheid van de staat of de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan, of c. indien de voorlopige hechtenis in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid. 3 Een bevel tot voorlopige hechtenis blijft achterwege, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsontneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hem bij tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd rechtens zijn vrijheid zou worden ontnomen dan de duur van de straf of maatregel.
... 1 De termijn gedurende welke een bevel tot voorlopige hechtenis van kracht is, loopt niet gedurende de tijd dat de verdachte zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel heeft onttrokken of hem uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Ondergaat evenwel de verdachte op het tijdstip dat het bevel tot voorlopige hechtenis wordt gegeven een vrijheidsstraf, dan wordt de tenuitvoerlegging van de straf van rechtswege geschorst zolang het bevel van kracht is. De in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd wordt in dat geval zoveel mogelijk in mindering gebracht op die straf. 2 Indien binnen de in de eerste volzin van het eerste lid bedoelde termijn een vordering krachtens artikel 281 , dan wel een bezwaarschrift tegen de dagvaarding is ingediend, blijft het bevel, onverminderd het bepaalde in artikel 98, tweede lid , van kracht totdat dertig dagen zijn verstreken sedert de dag waarop onherroepelijk op de vordering of het bezwaarschrift is beschikt.
... 1 Bij alle einduitspraken wordt, behoudens het bepaalde in artikel 34, tweede lid , het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, indien, ter zake van het feit waarvoor dat bevel is verleend, aan de verdachte noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel die vrijheidsontneming meebrengt of kan meebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd. 2 Indien de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf die van de reeds ondergane voorlopige hechtenis met minder dan vijf maanden overtreft en geen maatregel die vrijheidsontneming meebrengt of kan meebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 103 , bij de einduitspraak het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf. 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid van dit artikel wordt onder de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd begrepen de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld. 4 Indien de einduitspraak tot invrijheidstelling van de verdachte zou moeten leiden, kan de rechter, in afwijking van het eerste lid en alle belangen in aanmerking genomen, bepalen, dat de voorlopige hechtenis gedurende een termijn van ten hoogste drie weken van kracht blijft, onverminderd het bepaalde in het vijfde en zesde lid. 5 Indien de einduitspraak nietigverklaring van de dagvaarding inhoudt, de officier van justitie een nieuwe dagvaarding uitbrengt en de behandeling ter terechtzitting binnen de termijn van drie weken geen aanvang heeft genomen, wordt de verdachte bij het verstrijken van die termijn terstond in vrijheid gesteld.Vindt de behandeling ter terechtzitting wel binnen deze termijn plaats, dan duurt de voorlopige hechtenis voort, overeenkomstig artikel 98, tweede lid , ook ingeval de verdachte tegen die nieuwe dagvaarding een bezwaarschrift heeft ingediend. 6 Indien de einduitspraak vrijspraak van het tenlastegelegde of ontslag van rechtsvervolging inhoudt en tegen die beslissing hoger beroep is aangetekend, dient de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep binnen drie weken na de einduitspraak te zijn aangevangen. Indien die termijn is verstreken, voordat de behandeling in hoger beroep een aanvang heeft genomen, of indien, voordat die termijn is verstreken, het openbaar ministerie van het hoger beroep heeft afgezien, wordt de verdachte terstond in vrijheid gesteld.
... Behoudens het bepaalde in artikel 105, tweede lid , zijn bevelen tot voorlopige hechtenis en die tot opheffing daarvan dadelijk uitvoerbaar.
... Indien het Hof van Justitie tot het geven van enige beslissing is geroepen voordat beroep van de einduitspraak is aangetekend, wordt daarbij de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis gelast, indien dit uit de beslissing voortvloeit.
... 1 Na de aantekening van beroep van de einduitspraak worden de in de artikelen 96 tot en met 103 bedoelde bevelen met overeenkomstige toepassing van die artikelen gegeven door het Hof van Justitie, behoudens de volgende afwijkingen. 2 Onverminderd het in artikel 97 bepaalde, kan het Hof ook bij de einduitspraak, niettegenstaande een eerder beëindigde voorlopige hechtenis en onverminderd het in de artikelen 100 en 101, eerste en tweede lid, onderdelen a en b , bepaalde, de gevangenneming van de verdachte bevelen. 3 Een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is, na de einduitspraak in eerste aanleg, voor een termijn van ten hoogste vijf maanden van kracht. Echter toetst het Hof binnen een termijn van dertig dagen, nadat hoger beroep is aangetekend, of de gevallen en de gronden, bedoeld in de artikelen 100 en 101 , nog aanwezig zijn. Het Hof hoort de verdachte, indien het daartoe gronden aanwezig acht. De termijn van vijf maanden kan, indien er gegronde redenen zijn, waarom het onderzoek op de terechtzitting niet binnen deze termijn een aanvang kan nemen, door het Hof eenmaal met ten hoogste dertig dagen worden verlengd. 4 Een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding, dat voor het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn door het onderzoek op de terechtzitting is gevolgd, is, evenals een tijdens of na dat onderzoek verleend bevel, geldig voor onbepaalde tijd, behoudens invrijheidstelling ingevolge de artikelen 103 , 105 , 107 en 108, vijfde lid , totdat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, ook ingeval tegen de einduitspraak beroep in cassatie is aangetekend of de Hoge Raad de zaak overeenkomstig artikel 14 van de Cassatieregeling van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba naar het Hof heeft verwezen. 5 Buiten de gevallen voorzien in artikel 105 heft het Hof van Justitie het bevel op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf, tenzij een maatregel die vrijheidsontneming meebrengt of kan meebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd. 6 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd begrepen de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld.
... 1 De rechter kan hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bevelen, dat de voorlopige hechtenis zal worden geschorst, zodra de verdachte al of niet onder zekerheidstelling zich, in de vorm door de rechter te bepalen, bereid heeft verklaard tot nakoming van de aan de schorsing te verbinden voorwaarden. 2 Onder de voorwaarden van de schorsing wordt steeds opgenomen: a. dat de verdachte, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken, en b. dat de verdachte, ingeval hij wegens het feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken. 3 De zekerheidstelling voor de nakoming van de voorwaarden bestaat in de storting van geldswaarden door de verdachte of een derde. 4 De rechter bepaalt in zijn beslissing het bedrag waarvoor, en de wijze waarop zekerheid zal zijn te stellen. 5 De verdachte wordt op het eerste verzoek of de eerste vordering gehoord.
... De rechter kan ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte in de beslissing tot schorsing wijziging brengen. De verdachte wordt gehoord.
... De bevoegdheid tot schorsing, tot opheffing van de schorsing of tot wijziging van de aan de schorsing verbonden voorwaarden komt toe aan de rechter, die de voorlopige hechtenis heeft bevolen. Indien de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, is de rechter die over de zaak oordeelt of het laatst heeft geoordeeld, daartoe bevoegd.
a ... 1 Indien de opheffing geschiedt wegens het niet nakomen van voorwaarden, kan bij de beslissing tot opheffing de zekerheid vervallen worden verklaard aan de Staat. 2 De beslissing geldt als een onherroepelijke uitspraak van de burgerlijke rechter en wordt als zodanig ten uitvoer gelegd. 3 Indien de verdachte zich na de opheffing van de schorsing aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekt, wordt, indien dit nog niet is gebeurd, de zekerheid vervallen verklaard aan de Staat. De zekerheid wordt eveneens, ook zonder dat de opheffing van de schorsing is bevolen, vervallen verklaard aan de Staat, indien de verdachte de voorwaarde bedoeld in artikel 111, tweede lid, onderdeel b , niet nakomt. De beslissing wordt ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie gegeven. Het tweede lid is van toepassing.
... De beslissingen tot schorsing, tot opheffing daarvan en die tot wijziging van de beslissing zijn dadelijk uitvoerbaar.
... Waar in deze paragraaf wordt gesproken van schorsing, wordt daaronder begrepen opschorting.
a ... 1 In geval van verdenking van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete. 2 In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, kunnen voorwerpen in beslag worden genomen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES . 3 Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, kunnen in beslag worden genomen indien: a. die voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig zijn van het misdrijf in verband waarmee de geldboete kan worden opgelegd onderscheidenlijk het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, en b. voldoende aanwijzingen bestaan dat die voorwerpen aan die ander zijn gaan toebehoren met het doel de uitwinning van die voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en c. die ander ten tijde van dat gaan toebehoren wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat die voorwerpen van enig misdrijf afkomstig waren. 4 In het geval, bedoeld in het derde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het derde lid bedoelde voorwerpen.
b ... Voor de toepassing van de artikelen 119 en 119a geldt: a. dat beslag op vorderingen wordt gelegd en beëindigd door een schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar; b. dat bij het leggen en beëindigen van beslag op onroerende goederen de tussenkomst van de deurwaarder wordt ingeroepen en formaliteiten in acht worden genomen welke ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES gelden ten aanzien van de mededeling of aanzegging van de inbeslagneming, dan wel de betekening van het proces-verbaal van inbeslagneming, de aantekening, inschrijving of doorhaling in registers en de betekening daarvan aan derden; c. dat bij het leggen of beëindigen van beslag op schepen en luchtvaartuigen formaliteiten in acht worden genomen welke ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES gelden ten aanzien van de betekening van het proces-verbaal van inbeslagneming, en ingevolge enige regeling inzake teboekgestelde schepen onderscheidenlijk luchtvaartuigen ten aanzien van de inschrijving en doorhaling daarvan in registers.
c ... Op het beslag, bedoeld in artikel 119a , Boek 3, Titel 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES van overeenkomstige toepassing, behoudens dat: a. voor het leggen van het beslag geen verlof van de rechter in eerste aanleg vereist is, noch vrees voor verduistering behoeft te bestaan; b. een maximum bedrag waarvoor het recht tot verhaal zal worden uitgeoefend in het proces-verbaal van inbeslagneming of het beslagexploit dient te worden vermeld; c. geen overeenkomstige toepassing toekomt aan voorschriften omtrent termijnen waarbinnen na het beslag de eis in de hoofdzaak dient te zijn ingesteld; d. voor roerende zaken die geen registergoederen zijn en rechten aan toonder of order ook volstaan kan worden met het door een opsporingsambtenaar opmaken van een proces-verbaal van inbeslagneming en het afgeven van een bewijs van ontvangst aan degene bij wie de voorwerpen in beslag zijn genomen; e. het niet in acht nemen van termijnen waarbinnen betekening van het beslag moet plaatsvinden, buiten de gevallen van artikel 119b, onderdeel b , geen nietigheid van het beslag meebrengt; f. geen overeenkomstige toepassing toekomt aan artikel 721 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES . De officier van justitie geeft, indien de hoofdzaak na het beslag ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt, daarvan zo spoedig mogelijk aan de derde schriftelijk kennis; g. geen overeenkomstige toepassing toekomt aan artikel 722 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES ; h. op in beslag genomen roerende zaken die in bewaring worden genomen de artikelen 141 tot en met 143 van toepassing zijn; i. de beëindiging van het beslag met inachtneming van de bepalingen van dit wetboek geschiedt.
d ... 1 Tot bewaring van het recht tot verhaal kan de officier van justitie namens de staat de bevoegdheid uitoefenen, welke in artikel 1358 van het Burgerlijk Wetboek BES is toegekend aan een schuldeiser die in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld als gevolg van een onverplicht door de schuldenaar verrichte rechtshandeling. De artikelen 39 en 41 van Faillissementswet BES zijn van overeenkomstige toepassing. 2 Voor de toepassing van de artikelen 39 en 41 van de Faillissementswet BES geldt het in die artikelen bedoelde vermoeden van wetenschap voor rechtshandelingen welke door de verdachte of veroordeelde zijn verricht binnen een jaar voor het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen. 3 De officier van justitie heeft voorts tot bewaring van het recht tot verhaal de bevoegdheid namens de Staat als schuldeiser in het faillissement van de verdachte of de veroordeelde op te komen. Zolang het bedrag van de boete of van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel nog niet vaststaat, wordt hij geacht voor een voorwaardelijke vordering op te komen. 4 De officier van justitie behoudt de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en het tweede lid, ondanks faillissement, voor zover de voorwerpen waarop de onverplichte rechtshandelingen betrekking hebben, niet door de curator op grond van de artikelen 38 tot en met 47 van de Faillissementswet BES worden opgevorderd.
... 1 In geval van ontdekking op heterdaad of van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier van justitie bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht: a. ter inbeslagneming huiszoeking doen en de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag nemen; b. ter gelegenheid van een schouw elders, voor inbeslagneming vatbare voorwerpen, voor zover deze voor de hand worden aangetroffen, in beslag nemen. 2 Kan het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan komt de bevoegdheid toe aan een hulpofficier van justitie, onder verplichting om van de ondernomen handeling onverwijld kennis te geven aan de officier van justitie. 3 In geval van toepassing van het eerste en tweede lid is de officier van justitie of de hulpofficier van justitie bevoegd elke plaats te betreden. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.
... De opsporingsambtenaren hebben te allen tijde vrije toegang tot alle lokaliteiten en alle plaatsen, waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed, dat zij door een goud- of zilversmid, kashouder, horlogemaker, rijwiel- of autohandelaar, uitdrager, opkoper of tagrijn worden gebruikt. Artikel 95bis van het Wetboek van Strafrecht BES , zomede de artikelen 155 tot en met 164 van dit wetboek zijn van toepassing.
... 1 Tenzij het belang van het onderzoek dit dringend vordert, wordt tot inbeslagneming in een woning niet overgegaan dan nadat de bewoner of, indien hij afwezig is, een van zijn aanwezige huisgenoten is gehoord en vruchteloos uitgenodigd de voorwerpen vrijwillig af te geven ter inbeslagneming. 2 Voor zover het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet, stelt de opsporende ambtenaar de bewoner of, indien deze afwezig is, een van zijn aanwezige huisgenoten in de gelegenheid, zich omtrent de ter plaatse aangetroffen en voor inbeslagneming vatbare voorwerpen te verklaren. Hetzelfde geldt ten aanzien van de verdachte, indien deze tegenwoordig is. 3 De verdachte is bevoegd zich tijdens een huiszoeking door zijn raadsman te doen bijstaan, zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
... 1 Blijken de zaken na opening van belang voor het onderzoek, dan voegt de officier van justitie deze bij de processtukken of de stukken van overtuiging. In het tegenovergestelde geval worden zij, na door de officier van justitie te zijn gesloten, door deze onverwijld naar hun bestemming verzonden. 2 Voor zover het belang van het onderzoek dit niet verbiedt, worden zij vooraf door de hulpofficier van justitie gewaarmerkt. 3 De inhoud van de door de officier van justitie geopende zaken, voor zover deze niet bij de processtukken of de stukken van overtuiging zijn gevoegd, wordt door hem geheim gehouden. Gelijke geheimhouding wordt door hem en door de hulpofficier van justitie in acht genomen ter zake van de inlichtingen, in artikel 127, tweede lid , vermeld, voor zover daarvan niet uit de processtukken blijkt. 4 Van de inbeslagneming, de teruggave, de opening en de verzending wordt door de officier van justitie proces-verbaal opgemaakt, dat bij de processtukken wordt gevoegd.
... Indien het over te brengen stuk een gedeelte uitmaakt van een register, waarvan het niet kan worden afgescheiden, kan de rechter-commissaris bevelen dat het register, voor de tijd bij het bevel te bepalen, ter inzage zal worden overgebracht of aan hem zal worden uitgeleverd ten einde afschriften van het geheel of een gedeelte daarvan te doen vervaardigen.
... De rechter-commissaris is na een met redenen omklede vordering van de officier van justitie bevoegd huiszoeking ter inbeslagneming te doen en daarbij de te onderzoeken plaatsen te betreden.
... 1 Inbeslaggenomen voorwerpen worden zoveel mogelijk gesloten en verzegeld in een omslag waarop een mededeling van de dag van de inbeslagneming en een vermelding van degene bij wie zij zijn inbeslaggenomen, met een korte opgave van de inhoud, wordt gesteld en ondertekend. Indien de voorwerpen niet geschikt zijn om in een omslag te worden gesloten, wordt daaraan een strook gehecht, waarop gelijke mededeling en vermelding met een korte aanduiding van het voorwerp wordt gesteld en ondertekend. Kan aan een of ander niet worden voldaan, dan worden de voorwerpen zoveel mogelijk gewaarmerkt. Zoveel mogelijk wordt aan degene bij wie zij zijn inbeslaggenomen, een bewijs van ontvangst afgegeven. 2 De inbeslaggenomen voorwerpen waarvan de bewaring noodzakelijk wordt geacht, worden, zodra het belang van het onderzoek het toelaat, gesteld onder de hoede van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bewaarder. 3 Inbeslaggenomen voorwerpen kunnen ook aan een andere door het openbaar ministerie aangewezen bewaarder in gerechtelijke bewaring worden gegeven, indien dit voor het behoud, de bestemming of de beveiliging van deze voorwerpen redelijkerwijs noodzakelijk is.
... 1 De voorwerpen worden niet vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek bestemd, tenzij na verkregen machtiging. 2 Indien de voorwerpen niet geschikt zijn voor opslag, of dit hoogst ongewenst wordt geacht, kan de machtiging door het openbaar ministerie worden verleend aan de bewaarder, dan wel aan de ambtenaar die de voorwerpen in afwachting van hun vervoer naar de bewaarder onder zich heeft. 3 Indien de voorwerpen niet geschikt zijn voor opslag gedurende langere tijd, of dit hoogst ongewenst wordt geacht, kan het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd of anders het laatst werd vervolgd, op de vordering van het openbaar ministerie, de machtiging aan de bewaarder verlenen. 4 Dit artikel blijft, voor zover teruggave van voorwerpen in de zin van artikel 144 mogelijk is, buiten toepassing, behoudens in het geval dat de rechthebbende afstand heeft gedaan. 5 Gelden en geldswaarden worden gestort in de consignatiekas dan wel op een daartoe bestemde rekening van de Staat.
... Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de wijze, waarop de inbeslaggenomen voorwerpen worden bewaard en ter beschikking van het onderzoek gehouden, dan wel, ingevolge artikel 142 , worden vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek bestemd.
... 1 Zodra het belang van de strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp, doet het openbaar ministerie dit door de bewaarder teruggeven aan degene, aan wie het door het strafbare feit is onttrokken. Is deze niet bekend, dan wordt het voorwerp teruggegeven aan degene bij wie het is inbeslaggenomen, tenzij deze het voorwerp onrechtmatig in zijn bezit heeft gekregen. In het laatste geval wordt het voorwerp teruggegeven aan de degene aan wie teruggave van het voorwerp op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is. Is deze niet bekend, dan wordt met het voorwerp gehandeld overeenkomstig artikel 142 . 2 Een verplichting tot teruggave bestaat niet ten aanzien van voorwerpen, waarvan de rechthebbende schriftelijk heeft verklaard afstand te doen. Met betrekking tot deze voorwerpen kan, ook indien zij geschikt zijn voor opslag, een machtiging worden verleend als bedoeld in artikel 142, tweede lid ; voor het overige wordt daarmee gehandeld als met verbeurdverklaarde voorwerpen.
... 1 Een last tot teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp dat in bewaring is gegeven is gericht tot de bewaarder. 2 Indien deze aan de last niet kan voldoen, omdat het voorwerp op wettige wijze vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek bestemd is, gaat hij na daartoe verkregen machtiging van het gerecht, bedoeld in artikel 142, derde lid , over tot uitbetaling van de prijs, die het voorwerp bij verkoop door hem redelijkerwijze had moeten opbrengen. 3 Indien de bewaarder, buiten de gevallen in het tweede lid bedoeld, niet in staat is aan de last tot teruggave te voldoen dan wel het geven van zodanige last niet mogelijk bleek, houdt hij het voorwerp ter beschikking van de rechthebbende totdat sedert de last tot teruggave zes maanden, onderscheidenlijk sedert de inbeslagneming drie jaren, zijn verstreken. Is teruggave alsdan nog niet mogelijk gebleken dan wordt met het voorwerp gehandeld als met verbeurdverklaarde voorwerpen. 4 De bewaarder geeft het voorwerp niet terug zolang er een beslag op rust, door een derde onder hem gelegd ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES tenzij degene door wie de last tot teruggave is gegeven uitdrukkelijk anders bepaalt
a ... Het openbaar ministerie kan op verzoek van de beslagene of van een andere belanghebbende een voorwerp dat op grond van artikel 119a in beslag is genomen onder zekerheidstelling doen teruggeven. De zekerheid bestaat in de storting van geldswaarden door de beslagene of een derde, of in de verbintenis van een derde als waarborg, voor een bedrag en op een wijze als door het openbaar ministerie wordt aanvaard.
Afdeling Zesde
... 1 De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van inbeslaggenomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over de teruggave aan een bepaald persoon, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, als bedoeld in de artikelen 127 , 128 en 140 . 2 Het klaagschrift wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen of de kennisneming van de gegevens ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift is niet ontvankelijk, indien het is ingediend op het tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. 3 Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie jaren na de inbeslagneming of kennisneming ingediend ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, binnen het rechtsgebied waarvan de inbeslagneming of kennisneming is geschied. Het gerecht is bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift een aanvang kon worden gemaakt. In dat geval zendt de griffier het klaagschrift ter afdoening aan het gerecht, bedoeld in het tweede lid. 4 Het gerecht geeft een met redenen omklede beschikking, nadat de klager in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Op last van het gerecht stelt de griffier tevens andere belanghebbenden van het klaagschrift in kennis, hun de gelegenheid biedende hetzij zelf binnen een in de kennisgeving te vermelden termijn een klaagschrift in te dienen, betrekking hebbend op hetzelfde voorwerp, hetzij tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden gehoord. In het laatste geval geldt de kennisgeving als oproeping. 5 Indien een belanghebbende zich beklaagt over het uitblijven van een last tot teruggave aan hem, dan wordt de beslagene in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. 6 Acht het gerecht het beklag gegrond, dan geeft het de daarmee overeenkomende last.
a ... 1 De belanghebbenden, anderen dan de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde, kunnen zich schriftelijk beklagen over een schikking als bedoeld in artikel 503b op de grond dat deze betrekking heeft op hun toekomende voorwerpen en de officier van justitie die de voorwaarden heeft opgelegd, onderscheidenlijk de schikking is aangegaan, niet bereid is gebleken die voorwerpen of de waarde die zij bij verkoop redelijkerwijs hadden moeten opbrengen te vergoeden. 2 Het klaagschrift wordt, niet later dan nadat de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde aan de gestelde voorwaarden of aan de termen van de schikking heeft voldaan, dan wel de klager daarmee bekend is geworden, ingediend ter griffie van het gerecht waarbij de in het eerste lid bedoelde officier van justitie is geplaatst. 3 Het gerecht behandelt het klaagschrift in het openbaar. 4 Tijdens de behandeling van het klaagschrift worden de klager en de officier van justitie in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Het gerecht doet tevens de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde oproepen ten einde hem in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Deze kan zich doen bijstaan door een advocaat of een daartoe bij bijzondere volmacht gemachtigde welke in de gelegenheid wordt gesteld de nodige opmerkingen te maken. De beschikking van het gerecht is met redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Aan de klager en de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde die voor de behandeling is verschenen wordt door de griffie tijdig te voren schriftelijk mededeling gedaan van de dag der uitspraak. Acht dit gerecht het beklag gegrond, dan verklaart het de voorwaarden, onderscheidenlijk de schikking, bedoeld in het eerste lid, vervallen.
... 1 De belanghebbenden, andere dan de veroordeelde, kunnen zich schriftelijk beklagen over de verbeurdverklaring van hun toebehorende voorwerpen of over de onttrekking van zodanige voorwerpen aan het verkeer. Geen beklag staat open, indien het bedrag, waarop de verbeurdverklaarde voorwerpen bij de uitspraak zijn geschat, is betaald of ingevorderd, dan wel vervangende vrijheidsstraf is toegepast. 2 Het klaagschrift wordt, binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden, ingediend ter griffie van het gerecht dat in hoogste feitelijke aanleg de beslissing heeft genomen. 3 Het gerecht behandelt het klaagschrift in het openbaar. 4 Tijdens de behandeling van het klaagschrift worden de klager en het openbaar ministerie in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De beschikking van het gerecht is met redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Aan de klager wordt door de griffier tijdig te voren schriftelijk mededeling gedaan van de dag der uitspraak. 5 Acht het gerecht het beklag gegrond, dan herroept het de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer en geeft een last, als bedoeld in artikel 397 . 6 Bij de herroeping van een verbeurdverklaring kan het gerecht de voorwerpen aan het verkeer onttrokken verklaren, indien zij daarvoor vatbaar zijn. De artikelen 35a , 35b en 37, laatste zinsnede, van het Wetboek van Strafrecht BES zijn van overeenkomstige toepassing.
... Zodra het openbaar ministerie bemerkt, dat een inbeslaggenomen voorwerp tijdens het begaan van het strafbare feit toebehoorde aan een ander dan de verdachte, stelt het die persoon, indien zijn verblijfplaats bekend is, in kennis van de bevoegdheden die hij heeft ingevolge de artikelen 150 en 151 .
... Met hetgeen onder de Staat berust als verbeurdverklaarde of aan het verkeer onttrokken verklaarde voorwerpen, wordt, zolang de mogelijkheid van herroeping van de straf of maatregel bestaat, gehandeld naar de artikelen 141 tot en met 143 .
a ... Tot kennisneming van geschillen over de toepassing door openbaar ministerie van zijn bevoegdheden uit hoofde van artikel 119d is de burgerlijke rechter bevoegd.
... 1 Voor het binnentreden in een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner is een bijzondere schriftelijke machtiging vereist, onverminderd het bepaalde in het vierde lid. Van het vereiste van een machtiging is vrijgesteld de rechter of de rechter-commissaris, die bevoegd is tot binnentreden zonder toestemming van de bewoner. 2 Het model van de machtiging wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. 3 De machtiging wordt, zo mogelijk voorafgaande aan het binnentreden of anders bij de eerste gelegenheid daarna, aan de bewoner getoond. De machtiging wordt de bewoner in afschrift uitgereikt of voor hem achtergelaten. 4 Een machtiging als bedoeld in het eerste lid, is voor de officier van justitie of de hulpofficier van justitie met het oog op de opsporing van misdrijven, huiszoeking ter inbeslagneming van voorwerpen of het doorzoeken van een woning ter aanhouding van een verdachte niet vereist in de gevallen waarin met het binnentreden niet kan worden gewacht, totdat hij over een machtiging beschikt.
... Degene die bevoegd is zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner binnen te treden, kan zich de toegang tot of de doorgang in de woning verschaffen, voor zover het doel van het binnentreden dit redelijkerwijze vereist. Hij kan daartoe zo nodig de hulp van de sterke arm inroepen.
... 1 Onverminderd hetgeen in deze titel ten aanzien van de machtiging is bepaald, is degene die in een woning binnentreedt, verplicht zich voorafgaand tegenover de bewoner te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Indien twee of meer personen voor hetzelfde doel in een woning binnentreden, rusten deze verplichtingen slechts op degene die bij het binnentreden de leiding heeft. 2 Indien de naleving van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen naar redelijke verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, feitelijk onmogelijk is dan wel naar redelijke verwachting de strafvordering schaadt ten aanzien van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan, gelden deze verplichtingen slechts voor zover de naleving daarvan in die omstandigheden kan worden gevergd. 3 Degene die zich ingevolge het eerste lid legitimeert, toont een legitimatiebewijs dat is uitgegeven door of vanwege Onze Minister van Justitie. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de houder en vermeldt diens naam en hoedanigheid. Indien de veiligheid van de houder van het legitimatiebewijs vordert dat zijn identiteit verborgen blijft, kan in plaats van zijn naam zijn nummer worden vermeld. 4 De persoon, bedoeld in het eerste lid, die met toestemming van de bewoner wenst binnen te treden, vraagt voorafgaand aan het binnentreden diens toestemming. De toestemming moet blijken aan degene die wenst binnen te treden en wordt schriftelijk vastgelegd in het proces-verbaal dat naar aanleiding van het binnentreden wordt opgemaakt.
... 1 Degene die zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner in een woning is binnengetreden, maakt op zijn ambtseed of -belofte een schriftelijk verslag op omtrent het binnentreden. 2 In het verslag vermeldt hij: a. zijn naam en hoedanigheid; b. de dagtekening van de machtiging en de naam en hoedanigheid van degene die de machtiging tot binnentreden heeft gegeven; c. de wettelijke bepalingen waarop het binnentreden berust en het doel waartoe is binnengetreden; d. de plaats van de woning en de naam van de bewoner; e. de wijze van binnentreden en het tijdstip waarop in de woning is binnengetreden en waarop deze is verlaten; f. hetgeen in de woning is verricht of overigens is voorgevallen, het aantal en de hoedanigheid van degenen die hem hebben vergezeld, de namen van de personen aan wie in de woning hun vrijheid is ontnomen en de voorwerpen die in de woning in beslag zijn genomen. g. voor zover van toepassing: de redenen waarom en de wijze waarop het bepaalde in artikel 155, vierde lid , dan wel artikel 162, tweede lid , toepassing heeft gevonden. 3 Het verslag wordt binnen tweemaal vierentwintig uren nadat in de woning is binnengetreden, toegezonden aan de officier van justitie. Een afschrift van het verslag wordt binnen diezelfde termijn aan de bewoner uitgereikt of toegezonden. Indien het niet mogelijk is dit afschrift uit te reiken of toe te zenden, houdt degene aan wie het verslag is toegezonden dan wel degene die zijn bevoegdheid zonder machtiging binnen te treden heeft uitgeoefend, het afschrift gedurende zes maanden voor de bewoner beschikbaar.
... In de gevallen waarin het binnentreden van plaatsen krachtens dit wetboek is toegelaten, geschiedt dit, buiten het geval van ontdekking op heterdaad, niet: a. in de vergaderruimten van een van de eilandsraden, gedurende de vergadering; b. in de ruimten bestemd voor godsdienstoefeningen of bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, gedurende de godsdienstoefening of bezinningssamenkomst; c. in de ruimten waarin terechtzittingen worden gehouden, gedurende de terechtzitting.
Titel XIV
... Indien het noodzakelijk is, dat een onderzoek naar de geestvermogens van een verdachte tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen, zal worden ingesteld en dit niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, kan de rechter-commissaris, hetzij op de vordering van de officier van justitie, hetzij op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bevelen, dat de verdachte ter waarneming zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te duiden psychiatrisch ziekenhuis tot verpleging of genezing bestemd.
a ... 1 In geval van verdenking van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, kan overeenkomstig de bepalingen van deze Titel een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld. 2 Een strafrechtelijk financieel onderzoek is gericht op de bepaling van het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel, met het oog op de ontneming daarvan op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES . 3 Het strafrechtelijk financieel onderzoek wordt ingesteld krachtens een met redenen omklede machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie die met de opsporing van het misdrijf is belast, verleend. 4 De vordering van de officier van justitie is met redenen omkleed. Bij de vordering wordt een lijst van voorwerpen overgelegd die reeds op grond van artikel 119a, tweede lid , in beslag zijn genomen.
b ... 1 Krachtens de ingevolge artikel 177a gegeven machtiging is een met het strafrechtelijk financieel onderzoek belaste opsporingsambtenaar op vertoon van een afschrift van de machtiging bevoegd, ten einde inzicht te verkrijgen in de vermogenspositie van degenen tegen wie het onderzoek is gericht, aan een ieder te bevelen hem op de eerste vordering: a. opgave te doen of inzage of afschrift te geven van bescheiden of gegevens; b. op te geven of, en zo ja welke, vermogensbestanddelen hij onder zich heeft of heeft gehad, die toebehoren of hebben toebehoord aan degene tegen wie het onderzoek is gericht, en aldus verstrekte schriftelijke bescheiden in beslag te nemen. 2 Het bevel wordt niet gericht aan degene tegen wie het onderzoek is gericht. 3 Artikel 132, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing. 4 Ter gelegenheid van het eerste verhoor van degene tegen wie het onderzoek is gericht, wordt hem door de verhorende rechter of ambtenaar een afschrift van de in artikel 177a bedoelde vordering en machtiging ter hand gesteld.
c ... 1 Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek is de officier van justitie bevoegd zonder verder rechterlijke machtiging te gelasten dat voorwerpen op grond van artikel 119a in beslag worden genomen. 2 Indien de officier van justitie zulks in het belang van het strafrechtelijk financieel onderzoek noodzakelijk acht, vordert hij dat de rechter-commissaris ter inbeslagneming huiszoeking doet of andere hem krachtens het derde lid toekomende bevoegdheden uitoefent. 3 De rechter-commissaris beschikt tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek over alle bevoegdheden die hem krachtens dit wetboek toekomen, met dien verstande dat: a. hij ook bevoegd is huiszoeking te doen ter inbeslagneming van alle voorwerpen die kunnen dienen om door degene tegen wie het onderzoek is gericht, verkregen wederrechtelijk voordeel aan te tonen, of de uitlevering daarvan te bevelen; b. hij niet gehouden is degene tegen wie het onderzoek is gericht of diens raadsman, buiten het geval van de in onderdeel a bedoelde huiszoeking, tot bijwoning van enige door hem te verrichten onderzoekshandeling toe te laten. 4 De rechter-commissaris kan de uitoefening van ambtsverrichtingen in een ander eilandgebied overdragen aan zijn ambtgenoot aldaar.
e ... Ten aanzien van de artikelen 177a tot en met 177d zijn de artikelen 125 en 126 van overeenkomstige toepassing.
g ... 1 Zodra de officier van justitie oordeelt dat het strafrechtelijk financieel onderzoek is voltooid, of dat tot voortzetting daarvan geen grond meer bestaat, sluit hij het onderzoek bij schriftelijke gedagtekende beschikking. 2 Indien de verdachte bij de einduitspraak ter zake van het strafbare feit of het misdrijf, bedoeld in artikel 38e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES , niet wordt veroordeeld, sluit de officier van justitie het strafrechtelijk financieel onderzoek evenzo. In dat geval is de officier van justitie bevoegd van de rechter-commissaris heropening van het strafrechtelijk financieel onderzoek te vorderen, zodra de verdachte alsnog ter zake van het tenlastegelegde feit wordt veroordeeld. 3 De officier van justitie zendt zijn beschikking aan de rechter-commissaris en doet een afschrift daarvan aan degene tegen wie het is gericht, betekenen, onder mededeling van het recht tot kennisneming van de stukken van het onderzoek. 4 Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, de artikelen 503c, tweede en derde lid , 503d, derde lid , en 503f, tweede lid, onderdeel c , kan een gesloten strafrechtelijk financieel onderzoek slechts worden heropend krachtens een nadere machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie verleend. Het vierde lid van artikel 177a is van toepassing. 5 Een nadere machtiging wordt zo spoedig mogelijk met de vordering waarop zij rust, aan degene tegen wie het onderzoek is gericht, betekend. Het eerste tot en met vierde lid is van toepassing.
h ... 1 Bevelen tot toepassing van een bevoegdheid als bedoeld in titel XVIII en XIX alsmede een wijziging, aanvulling, verlenging of intrekking daarvan worden schriftelijk gegeven. Aan een schriftelijk bevel staat gelijk een mondeling bevel dat, op straffe van nietigheid, binnen drie dagen op schrift wordt gesteld. 2 Een schriftelijk bevel vermeldt: a. het misdrijf en in geval van verdenking indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte; b. de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de wettelijke voorwaarden voor uitoefening van de bevoegdheid zijn vervuld; c. de wijze waarop aan het bevel uitvoering moet worden gegeven, en d. de geldigheidsduur van het bevel. 3 Elk bevel kan worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of ingetrokken. 4 Onverminderd artikel 53 worden schriftelijke bevelen, alsmede de schriftelijke wijziging, aanvulling, verlenging en intrekking ervan, bij de processtukken gevoegd, zodra het onderzoek dit toelaat. 5 Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, die ten grondslag liggen aan de gegeven bevoegdheid, bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van het bevel, de vordering dan wel de overeenkomst tot toepassing ervan wordt beëindigd. 6 Teneinde toepassing te geven aan een bevel als bedoeld in het eerste lid, kan een technisch hulpmiddel worden ingezet. Onder het inzetten van een technisch hulpmiddel wordt mede verstaan het plaatsen en verwijderen van een technisch hulpmiddel. 7 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de technische eisen waaraan de hulpmiddelen, bedoeld in het zesde lid, voldoen, onder meer met het oog op de onschendbaarheid van de vastgelegde waarnemingen.
i ... 1 Een machtiging van de rechter-commissaris als bedoeld in titel XVIII wordt schriftelijk gegeven. Aan een schriftelijke machtiging staat gelijk een mondelinge machtiging die, op straffe van nietigheid, binnen drie dagen op schrift wordt gesteld. 2 De machtiging wordt gegeven op schriftelijke vordering van de officier van justitie. Aan een schriftelijke vordering staat gelijk een mondelinge vordering die binnen drie dagen op schrift wordt gesteld. 3 De vordering geeft het voorgenomen bevel kort weer en bevat een uiteenzetting omtrent de redenen welke tot de vordering aanleiding hebben gegeven. 4 De machtiging betreft alle onderdelen van het bevel. Indien ter uitvoering van het bevel een woning mag worden betreden, wordt dat uitdrukkelijk in de machtiging vermeld. 5 Indien voor een bevel van de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris is vereist, is ook voor een wijziging, aanvulling of verlenging van dat bevel een machtiging vereist. 6 Onverminderd artikel 53 worden de in het eerste, tweede en vijfde lid bedoelde documenten bij de processtukken gevoegd zodra het onderzoek dit toelaat.
j ... Bij ministeriële regeling kunnen personen in de openbare dienst van de andere landen van het Koninkrijk of van een vreemde staat die voldoen aan in de algemene maatregel van bestuur te stellen eisen voor de toepassing van daarin aan te wijzen bevoegdheden met een opsporingsambtenaar gelijk worden gesteld.
k ... 1 De officier van justitie voegt de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door de uitoefening van een van de bevoegdheden genoemd in de titels XVIII en XIX , voor zover die voor het onderzoek in de zaak van enige betekenis zijn, bij de processtukken. 2 Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 252 zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, worden deze processen-verbaal en andere voorwerpen onverwijld vernietigd. 3 Onverminderd artikel 53 , vindt de voeging bij de processtukken plaats zodra het onderzoek dat toelaat. 4 Indien geen processen-verbaal van de uitoefening van één van de bevoegdheden, bedoeld in de titels XVIII en XIX , bij de processtukken zijn gevoegd, wordt van het gebruik van deze bevoegdheid in de processtukken melding gemaakt.
l ... 1 De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar een persoon planmatig observeert in geval van: a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten; b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf. 2 De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek, indien het een misdrijf betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere vermoedelijk door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert en indien het een misdrijf betreft als bedoeld in onderdeel b, bepalen dat ter uitvoering van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, kan worden betreden zonder toestemming van de rechthebbende. 3 De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel kan worden aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen. Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon bevestigd, tenzij met diens toestemming. 4 Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste zes weken. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van zes weken worden verlengd. 5 Het bevel tot planmatige observatie vermeldt, behalve de gegevens bedoeld in artikel 177h , tevens: a. de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de in het eerste lid bedoelde persoon; b. bij toepassing van het tweede lid, de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in dat lid, zijn vervuld, alsmede de plaats die zal worden betreden.
m ... 1 In geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, en dat, gezien zijn aard of de samenhang met andere vermoedelijk door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd. 2 In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen ten aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat daarbinnen een terroristisch misdrijf wordt beraamd of gepleegd. 3 De opsporingsambtenaar brengt bij de uitoefening van het bevel een ander niet tot strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht. 4 Het bevel tot infiltratie vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in artikel 177h , tevens: a. een omschrijving van de groep van personen; b. de wijze waarop aan het bevel uitvoering moet worden gegeven, daaronder begrepen strafbaar gesteld handelen, voor zover bij het geven van het bevel te voorzien. 5 Toepassing van het eerste en tweede lid vindt alleen plaats na voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur-generaal.
n ... 1 De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar goederen afneemt van of gegevens, die zijn opgeslagen of worden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk, door tussenkomst van een aanbieder van een communicatiedienst afneemt van of diensten verleent aan een persoon in het geval dat: a. die persoon verdacht wordt van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten; b. er aanwijzingen zijn van een terroristisch misdrijf. 2 De opsporingsambtenaar brengt bij de uitoefening van het bevel een ander niet tot strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht. 3 Het bevel tot pseudo-koop of -dienstverlening vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in artikel 177h , tevens, de aard van de goederen, gegevens of diensten. 4 Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats na voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur-generaal.
q ... 1 De officier van justitie kan indien het onderzoek dit dringend vordert, na door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar met een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie opneemt in geval van: a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, en dat, gezien zijn aard of de samenhang met andere vermoedelijk door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert; b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf. 2 De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden zonder toestemming van de rechthebbende. Hij kan, na door de rechter-commissaris daartoe verleende machtiging, bepalen dat ter uitvoering van het bevel een woning zonder toestemming van de rechthebbende wordt betreden, indien het onderzoek dit dringend vordert. In het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, betreft het een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. De artikelen 155 tot en met 163 , met uitzondering van artikel 162 , zijn van overeenkomstige toepassing. 3 Het bevel vermeldt, behalve de gegevens bedoeld in artikel 177h , tevens: a. ten minste de naam van één van de personen die aan de communicatie deelnemen en, indien het bevel communicatie betreft op een besloten plaats of in een vervoermiddel, bovendien een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van die plaats of dat vervoermiddel; b. bij toepassing van het tweede lid, de plaats die kan worden betreden. 4 In een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan het bevel ten opzichte van een persoon, die zich op grond van artikel 252 kan verschonen van het geven van een getuigenis, uitsluitend worden gegeven, indien deze zelf als verdachte wordt aangemerkt. 5 Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste vier weken. De geldigheidsduur kan telkens voor een termijn van ten hoogste vier weken worden verlengd. 6 Van het opnemen wordt binnen drie dagen proces-verbaal opgemaakt.
r ... 1 De officier van justitie kan indien het onderzoek dit dringend vordert, na door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen aan een opsporingsambtenaar dat met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, wordt opgenomen, in geval van: a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, en dat, gezien zijn aard of de samenhang met andere vermoedelijk door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert; b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf. 2 Het bevel vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in artikel 177h , tevens zo mogelijk het nummer of een andere aanduiding waarmee de individuele gebruiker van de communicatiedienst wordt geïdentificeerd alsmede, voor zover bekend, de naam en het adres van de gebruiker en een aanduiding van de aard van het technisch hulpmiddel of de technische hulpmiddelen waarmee de communicatie wordt opgenomen. 3 Het bevel kan in het belang van het onderzoek ten uitvoer worden gelegd met medewerking van de aanbieder van een communicatiedienst. In dat geval gaat het bevel vergezeld van de schriftelijke vordering van de officier van justitie aan de aanbieder om medewerking te verlenen. 4 In een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan het bevel ten opzichte van een persoon, die zich op grond van artikel 252 kan verschonen van het geven van een getuigenis, uitsluitend worden gegeven, indien deze zelf als verdachte wordt aangemerkt. 5 Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste vier weken. De geldigheidsduur kan telkens voor een termijn van ten hoogste vier weken worden verlengd. 6 Van het opnemen wordt binnen drie dagen proces-verbaal opgemaakt.
s ... 1 De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen gegevens of vastgelegde gegevens van een persoon te verstrekken. De vordering kan betrekking hebben op gegevens die ten tijde van de vordering zijn verwerkt, dan wel na het tijdstip van de vordering worden verwerkt, in geval van: a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten; b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf. 2 Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan noch worden gericht tot de verdachte noch tot de persoon, bedoeld in de artikelen 251 , 252 of 253 . De vordering kan geen betrekking hebben op persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven of lidmaatschap van een vakvereniging. 3 Een vordering als bedoeld in het eerste lid is schriftelijk en vermeldt: a. indien bekend, de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de persoon of de personen over wie gegevens worden gevorderd; b. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de gegevens die worden gevorderd en de termijn waarbinnen, alsmede de wijze waarop deze dienen te worden verstrekt; c. de grondslag van de vordering. 4 Indien de vordering van gegevens betrekking heeft op gegevens die na het tijdstip van de vordering worden verwerkt, wordt de vordering gedaan voor een periode van ten hoogste vier weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering. 5 Bij dringende noodzaak kan de vordering mondeling worden gegeven. De officier van justitie stelt de vordering in dat geval achteraf op schrift en verstrekt deze, op straffe van nietigheid, binnen drie dagen nadat de vordering is gedaan aan degene tot wie de vordering is gericht. 6 De officier van justitie doet van de verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld: a. de gegevens, bedoeld in het derde lid; b. de verstrekte gegevens; c. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte; d. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld; e. de reden waarom de gegevens in het belang van het onderzoek worden gevorderd. 7 In geval van verdenking van een ander strafbaar feit dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering als bedoeld in dat lid slechts doen na door de rechter-commissaris verleende machtiging. Het tweede tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 8 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de gegevens worden gevorderd en verstrekt.
t ... 1 De officier van justitie kan, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in artikel 177s, tweede lid, tweede volzin , deze gegevens vorderen, in geval van: a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, en dat, gezien zijn aard of de samenhang met andere vermoedelijk door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert; b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf. 2 Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan noch worden gericht tot de verdachte noch tot de persoon, bedoeld in de artikelen 251 , 252 of 253 . 3 Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden gedaan na voorafgaande machtiging, te verlenen door de rechter-commissaris. 4 Artikel 177s, derde, vijfde, zesde, en achtste lid , is van overeenkomstige toepassing.
u ... 1 Teneinde toepassing te kunnen geven aan artikel 177r of artikel 177s kan de officier van justitie bevelen dat met behulp van bij ministeriële regeling omschreven apparatuur het nummer, waarmee een gebruiker van een communicatiedienst kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen. 2 Het bevel wordt gegeven aan een ambtenaar aan te wijzen door Onze Minister van Justitie. 3 Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste één week en vermeldt: a. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 177r of artikel 177s en b. de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de gebruiker van een communicatiedienst van wie het nummer moet worden verkregen. 4 De officier van justitie doet te zijnen overstaan de processen-verbaal of andere voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden ontleend dat is verkregen door toepassing van het eerste lid vernietigen indien dat gegeven niet gebruikt wordt voor de toepassing van artikel 177r of artikel 177s .
w ... 1 Een opsporingsambtenaar kan, bij bevel daartoe van de officier van justitie, in het belang van het onderzoek met een persoon, die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze voor de duur van het bevel bijstand verleent aan de opsporing door goederen af te nemen van of gegevens, die zijn opgeslagen of worden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk, door tussenkomst van een aanbieder van een communicatiedienst af te nemen van of diensten te verlenen aan een persoon of stelselmatig informatie in te winnen omtrent een persoon in geval dat: a. die persoon verdacht wordt van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten; b. er aanwijzingen zijn van een terroristisch misdrijf. 2 Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel als bedoeld in artikel 177n, eerste lid , en artikel 177o, eerste lid , kan worden gegeven. 3 De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing brengt bij de uitvoering daarvan een ander niet tot strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds van tevoren was gericht. 4 Het bevel vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in artikel 177h , tevens de aard van de goederen, gegevens of diensten. 5 De overeenkomst is schriftelijk en vermeldt de rechten en plichten van de persoon die bijstand verleent aan de opsporing, de wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven, alsmede de geldigheidsduur van de overeenkomst. De overeenkomst kan schriftelijk worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of beëindigd. 6 Het bevel tot uitoefening van de bevoegdheid, wordt gegeven voor een periode van ten hoogste zes weken. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van zes weken worden verlengd. 7 Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats na voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur-generaal.
x ... 1 In geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, en dat, gezien zijn aard of de samenhang met andere vermoedelijk door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd. 2 In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep van personen ten aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat daarbinnen een terroristisch misdrijf wordt beraamd of gepleegd. 3 Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel als bedoeld in artikel 177m, eerste lid , kan worden gegeven. 4 De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing brengt bij de uitvoering daarvan een ander niet tot strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht. 5 Bij de toepassing van het eerste lid legt de officier van justitie schriftelijk vast: a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte; b. een omschrijving van de groep van personen; c. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn vervuld. 6 De overeenkomst tot infiltratie is schriftelijk en vermeldt: a. de rechten en plichten van de persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, alsmede de wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven, en b. de geldigheidsduur van de overeenkomst. 7 De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, verricht bij de uitvoering daarvan geen strafbare handelingen, tenzij vooraf schriftelijk toestemming door de officier van justitie is gegeven om dergelijke handelingen te verrichten. Bij dringende noodzaak kan de toestemming mondeling worden gegeven. De officier van justitie stelt in dat geval de toestemming, op straffe van nietigheid, binnen drie dagen op schrift. 8 De overeenkomst kan schriftelijk worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of beëindigd. De officier van justitie legt de redenen daarvan uiterlijk binnen drie dagen schriftelijk vast. 9 Toepassing van het eerste en tweede lid vindt alleen plaats na voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur-generaal.
y ... 1 De opsporingsambtenaar is verplicht van de hem in de wet verleende inbeslagnemingsbevoegdheden gebruik te maken, indien hij tijdens het opsporingsonderzoek de vindplaats weet van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de gezondheid of hun gevaar voor de veiligheid. Uitstel van inbeslagneming wordt slechts in het belang van het onderzoek toegestaan met het oogmerk om op een later tijdstip daartoe over te gaan. 2 Uitstel van inbeslagneming vindt alleen plaats na voorafgaand bevel van de officier van justitie. 3 Het bevel is schriftelijk en vermeldt: a. de voorwerpen waarop het betrekking heeft; b. de wijze waarop aan het bevel uitvoering moet worden gegeven; c. het tijdstip waarop of de periode waarin het bevel geldt. 4 De verplichting tot inbeslagneming, bedoeld in het eerste lid, geldt niet in het geval de officier van justitie op grond van een zwaarwegend opsporingsbelang anders beveelt. 5 Een bevel als bedoeld in het vierde lid is schriftelijk en vermeldt: a. de voorwerpen waarop het betrekking heeft; b. het zwaarwegende opsporingsbelang; c. het tijdstip waarop of de periode gedurende welke de verplichting tot inbeslagneming niet geldt. 6 Toepassing van het vierde lid vindt alleen plaats na voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur-generaal.
z ... 1 Indien uit feiten of omstandigheden aanwijzingen voortvloeien dat binnen verzamelingen van personen misdrijven worden beraamd of gepleegd waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, en die, gezien hun aard of de samenhang met andere vermoedelijk binnen die groep beraamde of gepleegde misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, kan de officier van justitie bevelen dat opsporingsambtenaren daarnaar een onderzoek instellen met als doel de voorbereiding van opsporing. 2 Indien een onderzoek als bedoeld in het eerste lid de voorbereiding van de opsporing van terroristische misdrijven tot doel heeft, kan de officier van justitie na voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris, in het belang van het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen gegevens of vastgestelde gegevens van een persoon te verstrekken, teneinde de gegevens te doen bewerken. 3 Een vordering als bedoeld in het tweede lid kan noch worden gericht tot de personen bedoeld in het eerste lid noch tot de persoon, bedoeld in de artikelen 251 , 252 of 253 . 4 De bewerking als bedoeld in het tweede lid kan bestaan uit het onderling vergelijken dan wel het in combinatie met elkaar verwerken van de gegevens met gegevens uit de politieregisters. 5 De bewerking wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van personen zo veel mogelijk wordt gewaarborgd. 6 Van de verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, doet de officier van justitie proces-verbaal opmaken, waarin wordt vermeld: a. de verstrekte gegevens; b. de reden waarom de gegevens in het belang van het onderzoek worden gevorderd. 7 De officier van justitie doet van de bewerking proces-verbaal opmaken, waarin wordt vermeld: a. een aanduiding van de gegevens waarop de bewerking is uitgevoerd; b. een beschrijving van de wijze waarop de bewerking is uitgevoerd; c. de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, zijn vervuld. 8 Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop de gegevens die voortvloeien uit een onderzoek als bedoeld in het eerste lid worden bewaard en vernietigd.
... 1 Degene die schade heeft geleden ten gevolge van onrechtmatige toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel, heeft recht op schadevergoeding. Bij rechtmatige toepassing van een dwangmiddel kan eveneens schadevergoeding worden toegekend, wanneer er gronden van redelijkheid en billijkheid aanwezig zijn, dat de geleden schade geheel of gedeeltelijk door de Staat wordt gedragen. 2 De rechtmatigheid of onrechtmatigheid wordt beoordeeld naar het tijdstip, waarop het dwangmiddel werd toegepast. 3 Onder schade is mede begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Bij algemene maatregel van bestuur kan de hoogte van het bedrag van de schadevergoeding aan een maximum worden gebonden. 4 Voor vergoeding komt ook de schade in aanmerking die de gewezen verdachte heeft geleden ten gevolge van vrijheidsontneming, die hij in het buitenland heeft ondergaan in verband met een door de Nederlandse autoriteiten gedaan verzoek om uitlevering. 5 De vaststelling van de schadevergoeding geschiedt alle omstandigheden in aanmerking genomen. In het bijzonder kan rekening worden gehouden met de mate waarin de gelaedeerde de toepassing van het dwangmiddel aan zichzelf heeft te wijten. In geval van schade die niet in vermogensschade bestaat, kan bij het bepalen van het bedrag ook met de levensomstandigheden van de gelaedeerde rekening worden gehouden.
... 1 Het verzoek om schadevergoeding kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak of de beslissing dat geen of geen verdere vervolging zal worden ingesteld. De gelaedeerde wordt gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen. Hij kan zich door een advocaat doen bijstaan. 2 Tot de toekenning is bevoegd het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd of zou worden vervolgd. De raadkamer is zoveel mogelijk samengesteld uit de leden, die op de terechtzitting over de zaak hebben gezeten. 3 Een verzoek om schadevergoeding kan ook door de erfgenamen van de gelaedeerde orden gedaan en de vergoeding kan ook aan hen worden toegekend. In dat geval blijft vergoeding van schade, die niet in vermogensschade bestaat, achterwege. Indien de gelaedeerde na het indienen van zijn verzoek of na het instellen van hoger beroep is overleden, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.
... Degene die schade heeft geleden ten gevolge van de toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel, kan alleen krachtens de bepalingen van deze titel, met uitsluiting van enige vordering uit burgerlijk recht, om toekenning van schadevergoeding verzoeken.
... 1 Tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald, zijn met de opsporing van strafbare feiten belast: a. de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en c, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba ; b. de ambtenaren van de recherche, zoals daarin bij wettelijke regeling is voorzien; c. de buitengewone agenten van politie aan wie door Onze Minister van Justitie een akte van opsporingsbevoegdheid is verleend dan wel die behoren tot een door deze aangewezen categorieën of eenheden; d. de door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee. 2 Tot de opsporing van strafbare feiten zijn de procureur-generaal en de officieren van justitie bevoegd. 3 De in het tweede lid genoemde ambtenaren hebben het recht om, in de uitoefening van hun ambtsverrichtingen, de openbare burgerlijke macht onmiddellijk in te roepen. 4 De burgerlijke macht is verplicht aan de vordering onmiddellijk te voldoen. 5 De opsporingsbevoegdheid strekt zich uit tot de in de akte of aanwijzing aangeduide strafbare feiten: de akte of aanwijzing kan bepalen dat de opsporingsbevoegdheid alle strafbare feiten omvat. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent de verlening van de akte van opsporingsbevoegdheid en het doen van de aanwijzing, de reikwijdte van de opsporingsbevoegdheid, het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt, de beëdiging en de instructie van de buitengewone agenten van politie, het toezicht waaraan zij zijn onderworpen en de wijze waarop Onze Minister van Justitie de opsporingsbevoegdheid van afzonderlijke personen kan beëindigen. Voorts kunnen regels worden gegeven over de eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid waaraan zij moeten voldoen.
... Met de opsporing van strafbare feiten zijn ook belast zij, aan wier waakzaamheid bij of krachtens bijzondere wettelijke regelingen de handhaving of de zorg voor de naleving daarvan of de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten is toevertrouwd, een en ander voor zover het die feiten betreft en, voor zover dat in die regeling is bepaald.
... 1 De opsporingsambtenaren, bedoeld in de artikelen 184, eerste lid , en 185 , maken ten spoedigste proces-verbaal op van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. Het proces-verbaal wordt door hen opgemaakt op hun ambtseed of -belofte. Voor zover zij die niet hebben afgelegd, worden zij binnen tweemaal vier en twintig uren beëdigd dan wel wordt hun binnen die termijn de belofte afgenomen voor een hulpofficier van justitie, die daarvan een verklaring op het proces-verbaal stelt. 2 De processen-verbaal worden door de opsporingsambtenaren persoonlijk opgemaakt, gedagtekend en ondertekend. Daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap. 3 Wanneer de opsporing door een officier van justitie persoonlijk geschiedt, doet hij van zijn bevindingen blijken bij proces-verbaal opgemaakt op zijn ambtseed of -belofte. Daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap. 4 Indien de procureur-generaal zijn bevoegdheid tot opsporing uitoefent, vindt hetgeen ten aanzien van de officier van justitie is bepaald zo veel mogelijk overeenkomstig toepassing.
... Wanneer de officier van justitie kennis heeft gekregen van een strafbaar feit, doet hij het nodige opsporingsonderzoek instellen en vordert, zo daartoe termen zijn, dat tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek wordt overgegaan.
... De officier van justitie is te allen tijde bevoegd ten einde enige plaatselijke toestand of enig voorwerp te schouwen, met de personen door hem aangewezen, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning, tot het binnentreden waarvan de bewoner niet uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.
... In geval van ontdekking op heterdaad of van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier van justitie, bij dringende noodzakelijkheid ten einde een plaatselijke toestand of een voorwerp te schouwen, elke plaats betreden waar de daad begaan is of sporen heeft achtergelaten, onverminderd het bepaalde in de artikelen 155 tot en met 164 .
... De officier van justitie kan ambtshalve of op het verzoek van de verdachte een of meer deskundigen benoemen ten einde hem voor te lichten of bij te staan en, zo nodig, met opdracht het door hem gevorderde onderzoek in te stellen en hem een met redenen omkleed verslag uit te brengen. De bepalingen van de zesde afdeling van de Derde Titel vinden overeenkomstige toepassing.
... 1 Ter plaatse waar en binnen de grenzen binnen welke zij bevoegd zijn tot opsporing, zijn hulpofficieren van justitie: a. [vervallen] b. alle ambtenaren van politie in de rang van inspekteur en de daarboven gelegen rangen; c. de ambtenaren van de recherche; d. de door Onze Minister van Justitie aan te wijzen hoofdagenten van politie, met uitzondering van het personeel van de politie, dat is aangesteld om uitsluitend werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; hun bevoegdheden als hulpofficier kunnen door de officier van justitie, hoofd van het parket, tot bepaalde taken worden beperkt; e. de officieren van de Koninklijke marechaussee; f. andere door Onze Minister van Justitie aangewezen personen. 2 De hulpofficieren van justitie zijn gehouden alle inlichtingen te verstrekken en onderzoek te bewerkstelligen als door de officier van justitie wordt gevorderd.
... Kan het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan hebben ook de hulpofficieren de bevoegdheden bij de artikelen 188 en 189 beschreven.
... De hulpofficieren van justitie doen de processen-verbaal, bij hen ingekomen of door hen opgemaakt, alsmede de opgave als benadeelde partij en de inbeslaggenomen voorwerpen onverwijld toekomen aan de officier van justitie.
... Onverminderd het bepaalde in bijzondere wettelijke regelingen doen de personen, bedoeld in artikel 185 , hun processen-verbaal, de aangiften of berichten ter zake van strafbare feiten, alsmede de opgave als benadeelde partij, met de inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de officier van justitie.
... Na overeenkomstig de artikelen 192 tot en met 195 te hebben gehandeld, wachten de hulpofficieren van justitie en de overige opsporingsambtenaren de nadere bevelen van de officier van justitie af; gedoogt het belang van het onderzoek zodanig afwachten niet, dan zetten zij het onderzoek inmiddels voort en winnen zij nadere inlichtingen in, die de zaak tot meer klaarheid kunnen brengen. Van dit onderzoek en de ingewonnen inlichtingen doen zij blijken bij proces-verbaal, waarmee zij handelen overeenkomstig de artikelen 193 , 194 of 195 .
... 1 Het openbaar ministerie kan in het belang van het onderzoek in strafzaken de medewerking inroepen van personen en lichamen, die op het gebied van de reclassering werkzaam zijn en aan deze, ingeval zij zich daartoe bereid hebben verklaard, opdrachten geven tot het verzamelen van gegevens betreffende de persoonlijkheid, de levensomstandigheden of de reclassering van een verdachte. Het verslag betreffende de uitvoering van de opdracht wordt schriftelijk of mondeling gegeven naar gelang het openbaar ministerie dat verzoekt. 2 Indien het openbaar ministerie aan personen of lichamen, als bedoeld in het eerste lid, verzoekt om tot het bekomen van opdrachten of het uitbrengen van verslag betreffende de uitvoering van opdrachten ter terechtzitting of bij enig ander onderzoek in een strafzaak tegenwoordig te zijn of zich te laten vertegenwoordigen, geven zij daaraan zoveel mogelijk gevolg.
... 1 Ieder, die kennis draagt van een van de misdrijven omschreven in de artikelen 97 tot en met 117 van het Wetboek van Strafrecht BES , in Titel VII van het Tweede Boek van dat wetboek , voor zover daardoor levensgevaar is veroorzaakt, of in de artikelen 300 tot en met 312 van dat wetboek , van mensenroof of van verkrachting, dan wel van het voornemen tot een van deze misdrijven, is verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar. 2 De bepaling van het eerste lid is niet van toepassing op hem, die door de aangifte gevaar zou doen ontstaan voor een vervolging van zichzelf of van iemand bij wiens vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschonen. 3 Evenzo is ieder, die kennis draagt dat iemand gevangen gehouden wordt op een plaats die niet wettig daarvoor bestemd is, verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar.
... Ieder, die kennis draagt van een begaan strafbaar feit, is bevoegd daarvan aangifte te doen. Tot het doen van klacht is de belanghebbende bevoegd.
... 1 Openbare colleges of ambtenaren, die in de uitoefening van hun bediening kennis krijgen van een misdrijf met de opsporing waarvan zij niet zijn belast, zijn verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen, met afgifte van de tot de zaak betrekkelijke stukken, aan de officier van justitie of een hulpofficier van justitie, a. indien het misdrijf is een ambtsmisdrijf, als bedoeld in Titel XXVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht BES , dan wel b. indien het misdrijf is begaan door een ambtenaar, die daarbij een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of daarbij gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, dan wel c. indien door het misdrijf inbreuk op of onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van een regeling waarvan de uitvoering of de zorg voor de naleving aan hen is opgedragen. 2 Zij verschaffen de officier van justitie of de hulpofficier desgevraagd alle inlichtingen omtrent strafbare feiten met de opsporing waarvan zij niet zijn belast en die in de uitoefening van hun bediening te hunner kennis zijn gekomen. 3 De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die door het doen van aangifte of het verschaffen van inlichtingen gevaar zou doen ontstaan voor een vervolging van zichzelf of van iemand bij wiens vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschonen. 4 Gelijke verplichtingen rusten op rechtspersonen of organen van rechtspersonen wier taken en bevoegdheden zijn omschreven bij of krachtens de wet, voor zover daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld in het belang van een goede uitvoering van dit artikel. 6 De aangifteplicht met betrekking tot misdrijven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan in overleg met de officier van justitie en met inachtneming van de regels gesteld krachtens het vijfde lid, nader worden beperkt.
... 1 De aangifte van een strafbaar feit geschiedt mondeling of schriftelijk bij de bevoegde ambtenaar, hetzij door de aangever in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van een bijzondere schriftelijke volmacht voorzien. 2 De mondelinge aangifte wordt door de ambtenaar die haar ontvangt, op schrift gesteld en na voorlezing door hem met de aangever of diens gemachtigde ondertekend. Indien deze niet kan tekenen, wordt de reden van het beletsel vermeld. 3 De schriftelijke aangifte wordt door de aangever of diens gemachtigde ondertekend. De schriftelijke volmacht, of, zo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de akte gehecht. 4 Tot het ontvangen van de aangiften, bedoeld in de artikelen 198 en 199 , zijn de opsporingsambtenaren, en tot het ontvangen van de aangiften, bedoeld in artikel 200 , de daarbij genoemde ambtenaren, verplicht. Artikel 194 is van toepassing.
... Indien de klacht krachtens artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES door de wettige vertegenwoordiger van een minderjarige, die twaalf jaren of ouder is of van een onder curatele gestelde is geschied, gaat de officier van justitie niet tot vervolging over dan na de vertegenwoordigde persoon, zo deze in het land verblijft, in de gelegenheid te hebben gesteld zijn mening omtrent de wenselijkheid van vervolging kenbaar te maken, althans na deze daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen, tenzij dit in verband met de lichamelijke of geestelijke toestand van de minderjarige of de onder curatele gestelde niet mogelijk of niet wenselijk is.
... De intrekking van de klacht geschiedt bij de ambtenaren, op de wijze en in de vorm voor het doen van de klacht bij de artikelen 201 , 202 en 203 bepaald. Artikel 193 is van toepassing.
... 1 Ieder, die door het strafbare feit van een ander schade heeft geleden, kan zich opgeven als benadeelde partij. Ten aanzien van die opgave is artikel 201, eerste tot en met derde lid , van overeenkomstige toepassing. De opsporingsambtenaren zijn tot het ontvangen van de opgave verplicht. 2 De benadeelde partij ontvangt een afschrift van het proces-verbaal betreffende haar opgave. 3 Wanneer de benadeelde partij de wens kenbaar heeft gemaakt schadevergoeding te vorderen of omtrent het verloop van de zaak te worden ingelicht, wordt daarvan in het proces-verbaal melding gemaakt. 4 Wanneer de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit hulp en steun behoeft, wordt daartoe de nodige bemiddeling verleend. De bemiddeling kan ook betrekking hebben op de totstandkoming van een regeling tot schadevergoeding tussen de verdachte, indien deze heeft bekend en vrijwillig aan die regeling meewerkt, en de benadeelde partij.
... De rechter-commissaris zet na afloop van zijn functie de door hem aangevangen behandeling van een zaak voort en brengt die ten einde.
... Bij verhindering van de rechter-commissaris of diens plaatsvervanger wordt zijn functie waargenomen door een van de leden of plaatsvervangende leden van het Hof van Justitie of rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg.
... Geen vragen worden gedaan die de strekking hebben verklaringen te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid zijn afgelegd.
... Het proces-verbaal wordt door de rechter-commissaris en de griffier ondertekend.
... Indien bij afwezigheid van de officier van justitie gedurende het onderzoek enig strafbaar feit wordt begaan, doet de rechter-commissaris daarvan een proces-verbaal opmaken en dat toekomen aan de officier van justitie.
... 1 Indien de rechter-commissaris oordeelt, dat tot het gerechtelijk vooronderzoek geen grond bestaat, verklaart hij dit bij een met redenen omklede beschikking. 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 221 kan de rechter-commissaris, zo de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt en aan hem nog niet een dagvaarding ter terechtzitting is betekend, op het verzoek van de verdachte een gerechtelijk vooronderzoek instellen ten aanzien van het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen. Indien de rechter-commissaris oordeelt, dat grond tot gebruik van deze bevoegdheid bestaat, verklaart hij dit bij een met redenen omklede beschikking. Een afschrift daarvan zendt hij aan de officier van justitie. 3 Zodra een overeenkomstig het tweede lid ingesteld gerechtelijk vooronderzoek moet worden uitgebreid tot andere strafbare feiten, dient de officier van justitie een daartoe strekkende vordering in. 4 Wanneer een meer nauwkeurige omschrijving van het feit mogelijk is geworden, dient de officier van justitie een dienovereenkomstige vordering in, zodra het belang van het onderzoek de indiening toelaat. 5 Artikel 222, tweede lid , en artikel 223 zijn van overeenkomstige toepassing.
... Onverminderd het bepaalde in artikel 261 , nodigt de rechter-commissaris, indien naar zijn oordeel het gegrond vermoeden bestaat dat de getuige of de deskundige niet ter terechtzitting zal kunnen verschijnen, de officier van justitie, de verdachte en de raadsman tot bijwoning van het verhoor uit, tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor gedoogt.
... De rechter-commissaris neemt de nodige maatregelen om te beletten dat de voor verhoor verschenen verdachten, getuigen en deskundigen zich voor of tijdens hun verhoor met elkaar onderhouden.
... De rechter-commissaris vraagt de verdachte, getuigen en deskundigen naar hun naam en voornamen, leeftijd, beroep en woon- of verblijfplaats, voorts de verdachte tevens naar zijn geboorteplaats. Indien de verdachte bekend is, vraagt de rechter-commissaris de getuigen en de deskundigen, of zij diens bloedverwanten of aangehuwden zijn, en zo ja, in welke graad.
... 1 Indien een verdachte, getuige of deskundige de taal die de rechter-commissaris bezigt, niet verstaat, benoemt deze een tolk, die de leeftijd van achttien jaren moet hebben bereikt. Artikel 349, tweede lid , is van toepassing. 2 Indien een verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig horen of spreken kan, bepaalt de rechter-commissaris dat de vragen of de antwoorden schriftelijk zullen geschieden. 3 Kan de in het tweede lid bedoelde verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig lezen of schrijven, dan kan de rechter-commissaris een daartoe geschikte persoon tot tolk benoemen. 4 De tolk wordt, zo nodig, op bevel van de rechter-commissaris gedagvaard en wordt beëdigd. Artikel 250, tweede lid , betreffende de vervanging van de beëdiging door een aanmaning, is van overeenkomstige toepassing.
... Ingeval de schouw moet geschieden in een ander eilandgebied, draagt de rechter-commissaris haar over aan zijn ambtgenoot in dat andere eilandgebied.
... Het proces-verbaal van een verhoor van de verdachte, dat op verzoek van de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, wordt hem gesloten en verzegeld toegezonden.
... Indien de verdachte in vrijheid is en niet op de dagvaarding verschijnt, kan de rechter-commissaris hem op de vordering van de officier van justitie andermaal doen dagvaarden. Daarbij kan worden gevoegd een bevel tot medebrenging, doch slechts indien de aanwezigheid van de verdachte noodzakelijk is in verband met een onderzoek naar zijn persoonlijkheid of zijn persoonlijke omstandigheden.
... De verdachte wordt bij zijn verhoor mondeling mededeling gedaan van de verklaringen van getuigen en deskundigen, die buiten zijn tegenwoordigheid zijn verhoord, voor zover naar het oordeel van de rechter-commissaris het belang van het onderzoek dit niet verbiedt. Wordt de verdachte de wetenschap van bepaalde opgaven onthouden, dan geeft de rechter-commissaris hem dit mondeling te kennen.
... 1 De verdachte kan bij zijn verhoor mondeling getuigen en feiten ten onderzoek opgeven. Bij het proces-verbaal wordt, voor zover de opgave redelijke grenzen niet overschrijdt, van een en ander melding gemaakt, met korte aanduiding van hetgeen de getuigen volgens de opgave van de verdachte zouden kunnen verklaren. 2 Indien de rechter-commissaris bezwaar heeft, hetzij tegen het vermelden van een en ander in het proces-verbaal, hetzij tegen het verhoren van de opgegeven getuigen, hetzij tegen het onderzoek naar de opgegeven feiten, deelt hij zijn weigering om tot een of ander over te gaan, bij het verhoor of het eerstvolgend verhoor aan de verdachte mee, en vermeldt deze onder opgave van redenen in het proces-verbaal. Wanneer de verdachte de dagvaarding van getuigen verzoekt, ten aanzien van wie naar het oordeel van de rechter-commissaris het gegronde vermoeden bestaat dat zij niet op de terechtzitting zullen kunnen verschijnen en die naar het oordeel van de verdachte voor hem ontlastende verklaringen zouden kunnen afleggen, mag dagvaarding niet worden geweigerd. 3 De verdachte kan binnen drie dagen na de in het tweede lid bedoelde mededeling tegen die weigering een bezwaarschrift indienen bij het Hof van Justitie.
... De rechter-commissaris verhoort de getuige, wiens verhoor door de rechter wordt bevolen, door de officier van justitie wordt gevorderd of door de verdachte of diens raadsman wordt verzocht. Hij kan op de vordering van de officier van justitie de dagvaarding van de getuige bevelen.
... Indien dit in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is, kan de rechter-commissaris op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman bevelen, dat de overeenkomstig artikel 247 meegebrachte getuige gedurende ten hoogste vierentwintig uren in een door hem aan te wijzen plaats zal worden opgehouden. De redenen daarvan worden in het bevel vermeld.
... De getuige verklaart de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.
... Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich verschonen: a. de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de verdachte of de medeverdachte; b. de bloed- of aanverwanten in de zijlijn tot de derde graad ingesloten, van de verdachte of de medeverdachte; c. de echtgenoot of vroegere echtgenoot van de verdachte of de medeverdachte, dan wel de persoon, met wie de verdachte of medeverdachte duurzaam feitelijk samenwoont of heeft samengewoond. Die samenwoning zal op genoegzame wijze aannemelijk moeten worden gemaakt.
... De getuige kan zich verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag, indien hij daardoor of zichzelf of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of derde graad of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot dan wel de persoon, met wie hij duurzaam feitelijk samenwoont of samengewoond heeft, aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen. Die samenwoning zal op genoegzame wijze aannemelijk moeten worden gemaakt.
... Alle beschikkingen waarbij gijzeling wordt bevolen of verlengd, of waarbij een verzoek van de getuige tot ontslag uit de gijzeling wordt afgewezen, zijn met redenen omkleed en worden binnen vierentwintig uren aan de getuige betekend.
... 1 Gedurende de gijzeling kan de getuige zich beraden met een advocaat. 2 Deze heeft vrije toegang tot de getuige, kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen wordt kennisgenomen, een en ander onder het vereiste toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden. 3 De officier van justitie staat de advocaat op diens verzoek toe van de processen-verbaal betreffende de verhoren van de getuige kennis te nemen. 4 Hij kan, voor zover het belang van het onderzoek dit niet verbiedt, de advocaat op diens verzoek toestaan ook van de overige processtukken kennis te nemen. 5 Weigert de officier van justitie de inzage, dan staat tegen diens beslissing binnen drie dagen na de mededeling beroep open bij de rechter-commissaris.
... 1 Wanneer een getuige met het oog op een door hem af te leggen verklaring ernstig wordt bedreigd, kan de rechter-commissaris, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de getuige, bepalen dat de getuige op zodanige wijze wordt verhoord, dat zijn identiteit geheel verborgen blijft. 2 Ernstige bedreiging in de zin van het eerste lid kan slechts worden aangenomen, indien: a. de getuige met het oog op de door hem af te leggen verklaring zich zodanig bedreigd kan achten dat, naar redelijkerwijze moet worden aangenomen, ernstig voor het leven, de gezondheid of het maatschappelijk functioneren van de getuige of van een andere persoon moet worden gevreesd, b. de getuige te kennen heeft gegeven vanwege die bedreiging anders geen verklaring te willen afleggen, en c. er een gegrond vermoeden bestaat dat de getuige deswege niet ter terechtzitting zal kunnen verschijnen. 3 Het eerste lid blijft buiten toepassing, indien het verhoor een misdrijf betreft, waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten. 4 Bij toepassing van het eerste lid ziet de rechter-commissaris erop toe, dat de getuige bij gelegenheid van het verhoor tegen herkenning wordt beschermd. In uitzonderlijke gevallen kan hij bepalen dat de verdachte en diens raadsman het verhoor van de getuige niet zullen bijwonen. In dat geval zal de officier van justitie daarbij ook niet tegenwoordig zijn. De rechter-commissaris stelt hun zodra mogelijk in kennis van de inhoud van de door de getuige afgelegde verklaringen. Zij worden in de gelegenheid gesteld zoveel mogelijk de vragen op te geven, die zij gesteld wensen te zien. Tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor gedoogt, kunnen vragen reeds voor de aanvang van het verhoor worden opgegeven. Het proces-verbaal van verhoor wordt naar de vorm van vraag en antwoord ingericht. De persoonsgegevens van de getuige, bedoeld in artikel 230 , worden niet in het proces-verbaal van verhoor opgenomen. 5 Voorafgaand aan het verhoor, bedoeld in het vierde lid, toetst de rechter-commissaris de bezwaren van de getuige tegen onthulling van diens identiteit. Deze bezwaren worden in het proces-verbaal vermeld. De rechter-commissaris verantwoordt daarin of hij de bezwaren gegrond acht. 6 De getuige die op de voet van het vierde lid zal worden verhoord, wordt door de rechter-commissaris in verband met artikel 250, eerste lid , beëdigd. Daarvan wordt in het proces-verbaal melding gemaakt. Artikel 250, tweede en derde lid, is van toepassing. 7 Wanneer de rechter-commissaris van oordeel is dat ernstige bedreiging in de zin van het eerste lid niet kan worden aangenomen, en de getuige volhardt in zijn wens anoniem te blijven, beslist de rechter-commissaris dat de getuige zal worden verhoord zonder toepassing van het vierde lid, tenzij de officier van justitie zich daartegen verzet, in welk geval wordt afgezien van verhoor van de getuige. 8 In bijzonder spoedeisende gevallen, waarin het verhoor door de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht, kan de getuige ook door een opsporingsambtenaar worden verhoord, doch alleen op grond van verkregen toestemming door de rechter-commissaris. Het in het eerste tot en met zevende lid bepaalde vindt zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing. 9 Toepassing van dit artikel vindt, voor zoveel nodig, plaats in afwijking van het bepaalde omtrent het verhoor van de getuige en de daaraan door de verdachte of diens raadsman te ontlenen bevoegdheden.
... 1 De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, een of meer deskundigen benoemen, ten einde hem voor te lichten of bij te staan en, zo nodig, met opdracht het door hem gevorderde onderzoek in te stellen en hem een met redenen omkleed verslag uit te brengen. Hij kan hun dagvaarding bevelen. 2 De verdachte is bevoegd te verzoeken dat een of meer door hem aanbevolen personen als deskundigen zullen worden benoemd. Indien het belang van het onderzoek dit niet verbiedt, kiest de rechter-commissaris een of meer van de deskundigen uit de door de verdachte aanbevolen personen. 3 Ten aanzien van de deskundigen en hun verhoor vinden de artikelen 243 , en 245 tot en met 247 alsmede de artikelen 251 tot en met 254 overeenkomstige toepassing. 4 Ieder die tot deskundige is benoemd, is verplicht de door de rechter-commissaris gevorderde diensten te bewijzen.
... De rechter-commissaris bepaalt het tijdstip waarop het onderzoek van de deskundigen zal aanvangen, en de termijn waarbinnen dit zal moeten zijn afgelopen; deze termijn kan door de rechter-commissaris worden verlengd.
... 1 Het onderzoek van de deskundigen geschiedt in tegenwoordigheid van de rechter-commissaris, indien deze dat nodig oordeelt. 2 De rechter-commissaris kan, indien het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet, bepalen dat de verdachte aan wie van de opdracht aan deskundigen is kennis gegeven, en diens raadsman, het onderzoek van de deskundigen geheel of gedeeltelijk zullen kunnen bijwonen. De officier van justitie kan bij het onderzoek tegenwoordig zijn. 3 De officier van justitie, de verdachte en diens raadsman, hebben, ook indien het onderzoek van de deskundigen buiten hun tegenwoordigheid geschiedt, de bevoegdheid met betrekking tot dat onderzoek aanwijzingen te doen en opmerkingen te maken. Desverlangd wordt aan de deskundigen en aan de verdachte de gelegenheid gegeven om ten overstaan van of, voor zover dat in het belang van het onderzoek noodzakelijk schijnt, door bemiddeling van de rechter-commissaris een onderhoud te hebben. Ten aanzien van de officier van justitie en de raadsman is daarbij het tweede lid van artikel 233 van overeenkomstige toepassing. 4 De rechter-commissaris stelt de deskundigen mondeling of schriftelijk in kennis van de opmerkingen en aanwijzingen, voor zover deze geschied zijn buiten hun tegenwoordigheid.
... Ingeval hetzij de wijze waarop het onderzoek door de deskundigen is geschied, hetzij het verschil van de deskundigen omtrent de feiten, hetzij het verschil in oordeelvelling, daartoe aanleiding geeft, kan de rechter-commissaris, hetzij op de vordering van de officier van justitie, hetzij op het verzoek van de verdachte, het onderzoek aan andere deskundigen opdragen. De voorgaande artikelen van deze afdeling en artikel 271 zijn van toepassing.
... De rechter-commissaris kan de deskundigen geheimhouding opleggen.
... Indien de rechter-commissaris oordeelt dat het gerechtelijk vooronderzoek is voltooid of dat tot voortzetting daarvan geen grond bestaat, of wel indien de officier van justitie hem schriftelijk meedeelt dat van verdere vervolging wordt afgezien, sluit hij het onderzoek bij een beschikking waarin de reden van de sluiting is vermeld, en doet hij deze aan de officier van justitie toekomen en aan de verdachte betekenen. Tegen deze beschikking is geen voorziening toegelaten.
... 1 Indien het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten, doch het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, kan de rechter in eerste aanleg, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, de rechter-commissaris het verrichten van bepaalde handelingen van nader onderzoek opdragen. 2 De vordering van de officier van justitie en het verzoek van de verdachte bevatten, op straffe van niet-ontvankelijkheid met redenen omkleed, een nauwkeurige opgave van de handelingen van onderzoek die door de rechter-commissaris dienen te worden verricht. 3 Indien de rechter daartoe gronden aanwezig acht, hoort hij de officier van justitie of de verdachte, tenzij hij de vordering of het verzoek aanstonds niet ontvankelijk of ongegrond acht. 4 Het door de rechter-commissaris te verrichten nader onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt gevoerd overeenkomstig de artikelen 226 tot en met 272 .
... 1 Indien een gerechtelijk vooronderzoek heeft plaatsgehad, doet de officier van justitie, buiten het geval van artikel 276 , uiterlijk binnen een maand nadat de beschikking tot sluiting daarvan aan de verdachte betekend is geworden, hetzij deze kennisgeven dat hij hem ter zake van het feit waarop dat onderzoek betrekking had, niet verder zal vervolgen, hetzij hem dagvaarden ter terechtzitting. 2 De termijn kan op de vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris eenmaal voor ten hoogste een maand worden verlengd. Indien de officier van justitie het Hof ingevolge artikel 279, tweede lid , om bewilliging heeft verzocht, wordt de termijn van rechtswege verlengd tot en met de veertiende dag nadat het Hof op het verzoek heeft beslist. 3 De officier van justitie kan, op het verzoek van de verdachte, en al dan niet onder het stellen van bepaalde voorwaarden, voor het doen van kennisgeving overeenkomstig het eerste lid een bepaalde langere termijn nemen.
... 1 Indien een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, doch wel voorlopige hechtenis is toegepast, doet de officier van justitie, zodra de zaak tot klaarheid is gebracht, hetzij de verdachte kennisgeven dat hij hem ter zake van het feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is toegepast, niet verder zal vervolgen, hetzij hem dagvaarden ter terechtzitting. 2 De rechter-commissaris kan, op het verzoek van de verdachte, de officier van justitie eenmaal een termijn stellen van ten hoogste een maand, binnen welke deze tot kennisgeving of dagvaarding overeenkomstig de bepaling van het eerste lid moet overgaan. 3 De verdachte wordt op het verzoek gehoord. 4 Het tweede en derde lid van artikel 277 zijn van toepassing. 5 De verplichting tot kennisgeving of dagvaarding vervalt, indien binnen de gestelde of verlengde termijn een gerechtelijk vooronderzoek is geopend.
... Indien de zaak niet verder wordt vervolgd op grond van: a. onbevoegdheid van de rechter tot kennisneming van het feit, b. niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, c. niet-strafbaarheid van het feit of van de verdachte, d. onvoldoende aanwijzing van schuld, wordt daarvan in de kennisgeving melding gemaakt.
... Indien de officier van justitie van oordeel is, dat artikel 39, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES van toepassing is, doch dat tevens de last, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, moet worden gegeven, is hij bevoegd een behandeling door de raadkamer te vorderen. De verdachte wordt bij het onderzoek gehoord. De artikelen 294, tweede lid , en 295 zijn van toepassing.
... 1 De verdachte kan na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, na zijn buitenvervolgingstelling of na de hem betekende beschikking houdende de verklaring dat de zaak geëindigd is, ter zake van hetzelfde feit niet weer in rechte worden betrokken, tenzij nieuwe bezwaren zijn bekend geworden. 2 Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van getuigen of van de verdachte en stukken, bescheiden en processen-verbaal, die later zijn bekend geworden of niet zijn onderzocht. 3 In dat geval kan de verdachte niet ter terechtzitting van de rechter in eerste aanleg worden gedagvaard, dan na een ter zake van die nieuwe bezwaren ingesteld gerechtelijk vooronderzoek. 4 Bij verzuim van een termijn, als bedoeld in de artikelen 272 tot en met 278 , kan de verdachte ter zake van hetzelfde feit niet weer in rechte worden betrokken dan onder de voorwaarden, in eerste tot en met derde lid bepaald. Echter kan het gerecht, voor hetwelk de zaak het laatst werd vervolgd, op de vordering van de officier van justitie, deze alsnog eenmaal een nieuwe termijn stellen, indien het algemeen belang dat dringend eist. De verdachte wordt op de vordering gehoord. Artikel 277, tweede lid , is van toepassing. 5 Verzuim van een termijn voor verdere vervolging of kennisgeving van niet verdere vervolging wordt niet aanwezig geacht, indien een tijdig uitgebrachte dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen, vervalt of wordt ingetrokken of nietig verklaard.
... Door de kennisgeving van niet verdere vervolging, de beschikking tot buitenvervolgingstelling of de beschikking houdende verklaring dat de zaak geëindigd is, wordt elk bevel tot voorlopige hechtenis van rechtswege opgeheven. Daarvan wordt in de kennisgeving of beschikking melding gemaakt.
... 1 De zaak wordt ter terechtzitting aanhangig gemaakt door een dagvaarding vanwege de officier van justitie aan de verdachte betekend. Het rechtsgeding neemt op het moment van de betekening een aanvang. 2 Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur reeds eenmaal of ingevolge artikel 98, vierde lid , reeds tweemaal is verlengd, kan de dagvaarding geschieden, ook al is het gerechtelijk vooronderzoek nog niet gesloten.Van de dagvaarding geeft de officier van justitie in dat geval schriftelijk kennis aan de rechter-commissaris. Door deze kennisgeving eindigt het gerechtelijk vooronderzoek. De artikelen 272 en 277 vinden alsdan geen toepassing. 3 Bij de betekening van de dagvaarding, zomede in de oproeping bedoeld bij artikel 414 wordt, de bevoegdheid vermeld, die de verdachte bij artikel 76, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES is verleend. 4 De rechter bepaalt, op de voordracht van de officier van justitie, de dag van de terechtzitting.
... Strafbare feiten die op dezelfde terechtzitting worden aangebracht en waartussen verband bestaat of die door dezelfde persoon zijn begaan, worden gevoegd aan de kennisneming van de rechter onderworpen, indien dit in het belang van het onderzoek is.
... 1 De verdachte heeft het recht getuigen en deskundigen ter terechtzitting te doen dagvaarden. 2 Hij geeft deze daartoe ten minste drie dagen voor de terechtzitting in persoon ten parkette van de officier van justitie of schriftelijk bij aangetekende, aan de officier gerichte brief op. Hij vermeldt daarbij de namen, het beroep en de woon- of verblijfplaats, of, bij onbekendheid van een of ander, duidt hij hen zo nauwkeurig mogelijk aan. Bij schriftelijke opgave geldt de dag van ontvangst van de brief, die onverwijld daarop wordt aangetekend, als dag van opgave. 3 De officier van justitie doet de getuigen of deskundigen, opgegeven met inachtneming van het tweede lid, onverwijld dagvaarden, tenzij er naar zijn oordeel dwingende gronden bestaan om de dagvaarding te weigeren. In dit laatste geval maakt hij de verdachte opmerkzaam op het bepaalde in artikel 318, derde lid . 4 De getuigen en deskundigen, die zijn gedagvaard, worden gebracht op de in artikel 318, tweede lid , bedoelde lijst.
... 1 Op straffe van nietigheid moet tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend, en die van de terechtzitting, een termijn van ten minste zeven dagen, of, ingeval door de rechter-commissaris overeenkomstig de Zevende Titel van het Zevende Boek bevelen tot handhaving van de openbare orde zijn gegeven, van ten minste vier dagen verlopen. Wanneer de verdachte in een ander eilandgebied wordt gedagvaard dan waar de rechter zitting houdt, wordt de termijn van dagvaarding met zeven dagen verlengd. De termijn bedraagt ten minste zes weken, indien de verdachte in het buitenland woonachtig is. 2 Met toestemming van de verdachte kan deze termijn worden verkort, mits van deze toestemming blijkt door een verklaring, af te leggen op de griffie van het gerecht in eerste aanleg waarvoor gedagvaard wordt; de artikelen 446 en 447 zijn van overeenkomstige toepassing. Geschiedt de betekening van de dagvaarding door een deurwaarder of ambtenaar van politie, dan kan de verdachte de verklaring ook doen opnemen in de akte van uitreiking; hij moet de verklaring tekenen; indien hij niet kan tekenen, wordt de oorzaak van het beletsel in de akte vermeld. 3 Vrijwillige verschijning van de verdachte op een dagvaarding, betekend in strijd met de voorschriften van dit artikel, dekt de nietigheid. 4 In dat geval kan de rechter op het verzoek van de verdachte en in het belang van diens verdediging schorsing van het onderzoek tot een bepaalde dag bevelen.
... 1 Indien het feit niet tot de kennisneming van het Hof behoort, verklaart het zich onbevoegd. 2 Is de officier van justitie niet ontvankelijk, het feit waarop de dagvaarding betrekking had, of de verdachte niet strafbaar, of onvoldoende aanwijzing van schuld aanwezig, dan stelt het Hof de verdachte ten aanzien van de gehele telastelegging of voor een bij de beschikking nader aan te duiden gedeelte van de telastelegging buiten vervolging. In het geval, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES , kan tevens gegeven worden de last, bedoeld in het tweede lid van dat artikel. 3 In alle andere gevallen verklaart het Hof het bezwaarschrift niet ontvankelijk of ongegrond. 4 De beschikking van het Hof wordt onverwijld aan de verdachte ter kennis gebracht. Indien de verdachte in raadkamer verschijnt, kan de beslissing hem worden meegedeeld. 5 Wanneer de beschikking waarbij de verdachte ten aanzien van de gehele telastelegging buiten vervolging wordt gesteld, onherroepelijk is geworden, vervalt een reeds uitgebrachte dagvaarding. Wanneer de beschikking waarbij de verdachte voor een gedeelte buiten vervolging wordt gesteld, onherroepelijk is geworden, brengt de officier van justitie de dagvaarding in overeenstemming met die beschikking.
... Tegen de dagvaarding, die is uitgebracht na een bevel krachtens artikel 25, eerste lid , is een bezwaarschrift niet toegelaten, tenzij nieuwe feiten of omstandigheden bekend zijn geworden.
... Is bij de beschikking tot buitenvervolgingstelling tevens gegeven de last, bedoeld in het tweede lid van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht BES , dan kan de verdachte of diens raadsman daartegen bezwaar maken door middel van een verklaring ter griffie van het Hof, af te leggen uiterlijk binnen zes dagen nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Alsdan vervalt de beschikking en beveelt het Hof, dat de verdachte ter zake van het feit waarop de dagvaarding betrekking had, binnen een bepaalde termijn opnieuw zal worden gedagvaard. Deze termijn kan op de vordering van de officier van justitie door het Hof eenmaal voor een bepaalde tijd worden verlengd.
... In geval van buitenvervolgingstelling zijn de artikelen 282 en 283 van toepassing.
... De bepalingen in de volgende afdelingen van deze titel zijn toepasselijk op de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, met dien verstande dat, waar gesproken wordt van het Hof en van de voorzitter, daaronder voor de terechtzitting in eerste aanleg de rechter in eerste aanleg wordt verstaan en waar gesproken wordt van de procureur-generaal, daaronder voor de terechtzitting in eerste aanleg de officier van justitie wordt verstaan, een en ander voor zover niet uit enige van de bepalingen anders blijkt en onverminderd het bepaalde in Titel IV van dit Boek en in de Titels I en II van het Zevende Boek .
... Het onderzoek van de zaak op de terechtzitting neemt een aanvang, nadat de voorzitter de zaak door de deurwaarder heeft doen uitroepen.
... De rechter die als rechter-commissaris enig onderzoek in de zaak heeft verricht of enige beslissing heeft genomen, neemt aan het onderzoek op de terechtzitting geen deel.
... In zaken betreffende strafbare feiten waarop geen gevangenisstraf is gesteld, kan de verdachte zich doen vertegenwoordigen door een advocaat, bepaaldelijk daartoe door hem gemachtigd of, indien hem uitsluitend als overtreding strafbaar gestelde feiten zijn ten laste gelegd, ook door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde, tenzij het Hof vertegenwoordiging niet mocht toelaten; in het laatste geval schorst het Hof het onderzoek voor een bepaalde tijd.
... Tegen de verdachte die niet op de aan hem gedane dagvaarding op de terechtzitting verschijnt of zich, in de gevallen bij wettelijke regeling voorzien, niet door een gemachtigde laat vertegenwoordigen, wordt verstek verleend.
... 1 Indien de verdachte niet op de terechtzitting tegenwoordig is, kan het Hof zowel bij de aanvang als gedurende de loop van het onderzoek bevelen dat, zo er gronden zijn om aan te nemen, dat hij bij een herhaalde dagvaarding wederom niet zal verschijnen, hij op een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting aanwezig zal zijn; het Hof kan daartoe tevens zijn medebrenging gelasten. 2 Indien de verdachte op het bepaalde tijdstip niet op de terechtzitting is verschenen, verleent het Hof, tenzij het de medebrenging tegen een nader tijdstip gelast, verstek, indien dit nog niet had plaatsgehad; het onderzoek wordt daarna voortgezet. 3 Indien de verdachte op het bepaalde tijdstip op de terechtzitting is verschenen, wordt het verstek dat tegen hem verleend mocht zijn, vervallen verklaard en het onderzoek op de terechtzitting opnieuw aangevangen.
... 1 De terechtzitting is openbaar, tenzij het Hof ambtshalve, dan wel op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte, in het belang van de openbare orde of de zedelijkheid beveelt, dat de behandeling ter terechtzitting geheel of ten dele met gesloten deuren zal plaatsvinden. Het bevel kan ook worden gegeven op het verzoek van een getuige op grond dat het in het openbaar afleggen van zijn verklaring voor hemzelf, voor een of meer van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of de derde graad of voor zijn echtgenote of vroegere echtgenote, dan wel de persoon met wie hij duurzaam feitelijk samenwoont of heeft samengewoond, een ernstige krenking van eer of goede naam ten gevolge zou hebben. 2 De redenen worden in het proces-verbaal van de terechtzitting vermeld. 3 Het Hof geeft het bevel niet dan na de verzoeker en in ieder geval de procureur-generaal en de verdachte, zo nodig met gesloten deuren, te hebben gehoord. 4 Indien de in het eerste lid bedoelde beslissing in eerste aanleg is gegeven, staat daartegen geen beroep open. 5 Tot bijwoning van de niet openbare zitting kan de voorzitter, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bijzondere toegang verlenen.
... Behalve de rechters en de griffier neemt aan de tafel van het Hof niemand plaats.
... Bevindt de verdachte zich in voorlopige hechtenis, dan schorst het Hof het onderzoek op de terechtzitting alleen voor bepaalde tijd. De termijn van de schorsing wordt in de regel op niet meer dan twee maanden gesteld. Om klemmende, in het proces-verbaal te vermelden redenen, kan het Hof een langere termijn stellen, doch in geen geval van meer dan vier maanden.
... 1 In de gevallen waarin van nietigheid van de dagvaarding, niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal of onbevoegdheid van het Hof zonder onderzoek van de zaak zelf kan blijken, is de verdachte bevoegd die verwering reeds dadelijk na de ondervraging in artikel 315 vermeld, voor te dragen en toe te lichten. 2 De procureur-generaal kan daarop antwoorden. 3 De verdachte kan andermaal en, zo de procureur-generaal daarna weer het woord voert, nogmaals het woord voeren. 4 Het Hof gaat tot beraadslaging over en doet uitspraak. 5 Wordt de verwering ontijdig of ongegrond bevonden, dan wordt het onderzoek van de zaak zelf onmiddellijk voortgezet. 6 Ook ambtshalve kan het Hof zonder onderzoek van de zaak de nietigheid van de dagvaarding, de niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal of de onbevoegdheid van het Hof, dan wel in het geding in hoger beroep de niet-ontvankelijkheid van het beroep, ingesteld door het openbaar ministerie of de verdachte, uitspreken, na de procureur-generaal en de verdachte te hebben gehoord.
... Indien in het geding in eerste aanleg de officier van justitie, hetzij naar aanleiding van een verwering als bedoeld in het eerste lid van artikel 316 , hetzij naar aanleiding van het horen door de rechter, ingevolge het zesde lid van dat artikel, van oordeel is dat de dagvaarding behoort te worden gewijzigd, zijn de artikelen 355 en 356 van toepassing.
... 1 De procureur-generaal draagt de zaak voor en legt een lijst van de inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen over. 2 Hij legt ook een lijst van de getuigen over, welke de voorzitter doet voorlezen door de griffier. 3 Onmiddellijk nadat de lijst is overgelegd en voorgelezen kan de verdachte, indien de dagvaarding van een door hem opgegeven getuige door de procureur-generaal is verzuimd of geweigerd, het Hof verzoeken alsnog de dagvaarding van die getuige te bevelen. 4 Het Hof beveelt dat de overeenkomstig artikel 289, tweede lid , opgegeven getuige, wiens dagvaarding is verzuimd of geweigerd, tegen een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting zal worden gedagvaard, tenzij de dagvaarding als nodeloos moet worden aangemerkt en het achterwege blijven van de dagvaarding redelijkerwijze niet in strijd komt met het recht van de verdachte om de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge. 5 De getuige, wiens dagvaarding door het Hof is bevolen of wiens plaatsing op de lijst door de procureur-generaal is verzuimd of geweigerd, wordt door de griffier op de lijst gebracht. Hetzelfde geldt ten aanzien van de getuige die gedurende de loop van het onderzoek op de terechtzitting is verschenen en niet bij het voorafgaande onderzoek tegenwoordig is geweest. 6 Op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte worden getuigen, die niet op de lijst voorkomen doch op de terechtzitting tegenwoordig zijn, op bevel van de voorzitter alsnog door de griffier op de lijst gebracht, tenzij de ondervraging van de getuige als nodeloos moet worden aangemerkt en het achterwege blijven daarvan redelijkerwijze niet in strijd komt met het recht van de verdachte om de ondervraging van getuige à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge. 7 Alle op de lijst gebrachte getuigen worden verhoord, tenzij het Hof met toestemming van de procureur-generaal en de verdachte van hun verhoor afziet. 8 Artikel 260 is van overeenkomstige toepassing.
... Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur reeds eenmaal of ingevolge artikel 98, vierde lid , tweemaal is verlengd, kan de officier van justitie, in het geding in eerste aanleg, onmiddellijk nadat hij de zaak heeft voorgedragen, schorsing van het onderzoek op de terechtzitting vorderen, mits hij het voornemen daartoe tijdig aan de verdachte schriftelijk kenbaar heeft gemaakt. In dat geval kan het overleggen van de lijsten, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 318 , worden aangehouden tot de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting.
... De voorzitter kan, met toestemming van de procureur-generaal en van de verdachte, de getuige vergunnen zich vóór het afleggen van zijn verklaring tot een bepaald tijdstip te verwijderen.
... Indien een op de lijst voorkomende getuige niet is verschenen, beveelt het Hof, tenzij overeenkomstig het bepaalde in artikel 318, zevende lid , van zijn verhoor wordt afgezien, dat hij tegen een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting zal worden gedagvaard en kan het daarbij tevens zijn medebrenging gelasten.
... De rechter kan bevelen, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, dat niet anders dan buiten ede worden gehoord, zij, die wegens meineed tot welke straf ook of uit anderen hoofde tot gevangenisstraf van drie jaren of langer zijn veroordeeld, of tegen wie ter zake van misdrijf, waartegen een gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd, een vervolging is ingesteld.
... 1 De getuige wordt het eerst ondervraagd door degene, die hem heeft gedagvaard of op wiens verzoek hij is gedagvaard. Daarna geschiedt de ondervraging door de verdachte of diens raadsman of door de procureur-generaal in de volgorde en op de wijze door de voorzitter te bepalen. 2 De voorzitter en de andere rechters kunnen te allen tijde, doch bij voorkeur na de ondervraging bedoeld in het eerste lid, vragen stellen. De voorzitter kan, indien het belang van een goede procesorde dat nodig maakt, de ondervraging op de voet van het eerste lid beëindigen en zelf de getuige ondervragen. 3 In ieder geval geeft de voorzitter aan de verdachte en diens raadsman de gelegenheid om tegen de getuige en diens verklaring in te brengen wat tot verdediging kan dienen en aan de procureur-generaal die tot het maken van opmerkingen.
... Gedurende de verdere loop van het onderzoek kunnen de getuige door de voorzitter, de rechters, de procureur-generaal en de verdachte nog vragen worden gesteld. Artikel 325, derde lid , is van toepassing.
... De getuige moet bij zijn verklaring zoveel mogelijk uitdrukkelijk opgeven zijn redenen van wetenschap.
... De voorzitter bepaalt welke vragen als ontoelaatbaar zijn aan te merken. Hij kan, ambtshalve of op het verzet van de procureur-generaal of van de verdachte beletten dat aan enige vraag, door de verdachte of diens raadsman of door de procureur-generaal gesteld, door de getuige gevolg wordt gegeven. Op het antwoord, dat op zodanige vraag mocht zijn gegeven, wordt geen acht geslagen.
... 1 Indien de getuige bij zijn verhoor zonder wettige grond weigert op de hem gestelde vragen te antwoorden of wel de eed die van hem gevorderd wordt, af te leggen, beveelt het Hof indien dit in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is, dat hij in gijzeling zal worden gesteld en op een bepaald tijdstip weer voor het Hof zal worden gebracht. 2 Het bevel wordt niet gegeven dan nadat de getuige in zijn verdediging, door hem of zijn advocaat voorgedragen, is gehoord. Het is voor niet langer dan dertig dagen geldig.Tegen dit bevel is geen rechtsmiddel toegelaten. 3 Het Hof gelast het ontslag van de getuige uit de gijzeling, zodra hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan of het onderzoek op de terechtzitting gesloten is. Het is echter bevoegd dat ontslag in elke stand van het onderzoek te bevelen, ook op verzoek van de getuige. 4 De artikelen 258 en 259 zijn van toepassing. 5 Tegen de beslissing, in het geding in eerste aanleg gegeven tot afwijzing van een verzoek van de getuige om ontslag, staat aan deze binnen drie dagen na de betekening hoger beroep open op het Hof. De getuige wordt gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen.
... Na het afleggen van zijn verklaring blijft de getuige in de rechtszaal, tenzij het Hof, met toestemming van de procureur-generaal en van de verdachte, hem vergunt zich te verwijderen, zo nodig met bevel om op een te bepalen tijd weer in de rechtszaal aanwezig te zijn.
... 1 Indien een getuige verdacht wordt zich op de terechtzitting aan het misdrijf van meineed te hebben schuldig gemaakt, kan het Hof ambtshalve, op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte dienaangaande onderzoek bevelen, zonodig met schorsing van het onderzoek op de terechtzitting. 2 In dat geval wordt door de griffier dadelijk een proces-verbaal opgemaakt en dit door de voorzitter, de rechters, en hemzelf ondertekend. Het proces-verbaal bevat de afgelegde verklaring van de getuige. 3 De verklaring van de getuige wordt hem voorgelezen; daarna wordt hem gevraagd, of hij bij zijn verklaring blijft volharden, in welk geval deze door hem wordt ondertekend. Bij gebreke van ondertekening vermeldt het proces-verbaal de weigering of de reden van verhindering. 4 Het Hof kan daarop het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek bevelen, in te stellen door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken. Het kan in dat geval tevens, indien daartoe de voorwaarden en de gronden aanwezig zijn, de gevangenneming bevelen. 5 Het proces-verbaal wordt door het Hof in handen gesteld van de officier van justitie.
... Indien een getuige, tijdens het gerechtelijk vooronderzoek beëdigd of overeenkomstig artikel 250, tweede lid , aangemaand, overleden is of, naar het oordeel van het Hof, niet op de terechtzitting heeft kunnen verschijnen, of van wiens verhoor overeenkomstig het bepaalde in artikel 318, zevende lid , is afgezien, zal zijn vroegere verklaring, mits ter terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd worden aangemerkt.
... 1 Processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere stukken worden door de voorzitter, wanneer deze of een van de rechters of wel de procureur-generaal dit verlangt, voorgelezen, voor zover daarbij naar zijn oordeel redelijke grenzen niet worden overschreden. 2 Gelijke voorlezing heeft plaats op verzoek van de verdachte, tenzij het Hof ambtshalve of op het verzet van de procureur-generaal anders beveelt. 3 In alle gevallen waarin de verdachte verzoekt dat een getuigenverklaring op de terechtzitting zal worden voorgelezen, ten einde als aldaar afgelegd te worden aangemerkt, zal die voorlezing moeten geschieden. 4 De voorlezing van stukken kan, tenzij de procureur-generaal of de verdachte zich daartegen verzet, worden vervangen door een mondelinge mededeling van de korte inhoud door de voorzitter. 5 Ten bezware van de verdachte wordt, op straffe van nietigheid, op geen stukken acht geslagen, dan voor zover zij zijn voorgelezen, of hun korte inhoud overeenkomstig het vierde lid is meegedeeld. 6 Stukken, die op de terechtzitting in eerste aanleg zijn voorgelezen, mogen voor de behandeling in hoger beroep als voorgelezen worden aangemerkt. Indien echter de verdachte verzoekt, dat bepaalde stukken opnieuw zullen worden voorgelezen, wordt aan dat verzoek gevolg gegeven, voor zover door die voorlezing naar het oordeel van het Hof redelijke grenzen niet worden overschreden.
... 1 Wanneer de verdachte zich ertegen verzet,dat een getuige op de voet van het bepaalde in het vierde lid van artikel 261 anoniem is verhoord, kan het Hof die getuige horen zonder dat diens identiteit wordt onthuld. Het kan daartoe de nodige maatregelen nemen. Noch de procureur-generaal noch de verdachte of diens raadsman zijn bij het horen aanwezig. De artikelen 38 tot en met 42 zijn van toepassing, doch alleen voor zover de inachtneming van die artikelen geen gevaar oplevert voor onthulling van de identiteit van de getuige. Alvorens de getuige te horen, stelt het Hof de procureur-generaal in de gelegenheid opmerkingen te maken. 2 Is het Hof van oordeel, dat ernstige bedreiging in de zin van artikel 261, eerste lid , niet kan worden aangenomen, dan beslist het, dat de getuige geen aanspraak maakt op anonimiteit en dat hij alleen dan opnieuw kan worden verhoord, indien het vierde lid van artikel 261 geen toepassing vindt. Een zodanig verhoor vindt niet plaats dan met toestemming van de procureur-generaal. Het Hof kan ook beslissen dat het proces-verbaal, houdende de verklaring die door de getuige ten overstaan van de rechter-commissaris anoniem is afgelegd, niet tot het bewijs van het strafbare feit is toegelaten. 3 Indien naar het oordeel van het Hof ernstige bedreiging wel kan worden aangenomen, wordt het verweer van de verdachte verworpen en blijft het proces-verbaal van verhoor deel van de processtukken uitmaken. Indien een nader verhoor wenselijk wordt geoordeeld, kan het Hof beslissen dat de getuige door de rechter-commissaris met toepassing van het vierde lid van artikel 261 nader zal worden verhoord, eventueel met vermelding van de vragen die het Hof gesteld wenst te zien. 4 Nader verhoor door de rechter-commissaris kan ook worden opgedragen, indien bij een eerder verhoor bepaalde vormen zijn verzuimd. 5 De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, komt het Hof ook ambtshalve toe.
... 1 Wanneer een getuige in verband met het bepaalde in het zevende lid van artikel 261 niet door de rechter-commissaris is verhoord, kan het Hof op de vordering van de procureur-generaal een onderzoek instellen naar de gegrondheid van de bezwaren tegen onthulling van de identiteit van die getuige. Het Hof kan daartoe de getuige overeenkomstig het eerste lid van artikel 338 horen. Alvorens de getuige te horen, stelt het Hof de verdachte of diens raadsman in de gelegenheid opmerkingen te maken. 2 Is het Hof van oordeel, dat ernstige bedreiging in de zin van artikel 261, eerste lid , niet kan worden aangenomen, dan beslist het, dat de getuige geen aanspraak maakt op anonimiteit en dat hij alleen dan kan worden verhoord, indien het vierde lid van artikel 261 geen toepassing vindt. Een zodanig verhoor vindt niet plaats dan met toestemming van de procureur-generaal. 3 Indien naar het oordeel van het Hof ernstige bedreiging wel kan worden aangenomen, beslist het dat de getuige door de rechter-commissaris met toepassing van het vierde lid van artikel 261 kan worden verhoord, eventueel met vermelding van de vragen die het Hof gesteld wenst te zien.
... 1 Nadat alle deskundigen en getuigen zijn verhoord, wordt de verdachte ondervraagd. Hij wordt echter, indien dat door de voorzitter nodig wordt geoordeeld, eerder ondervraagd. 2 Is er meer dan een verdachte, dan geschiedt de ondervraging in de volgorde, door de voorzitter te bepalen, na de procureur-generaal en de raadslieden te hebben gehoord. 3 De verdachte wordt eerst door de voorzitter ondervraagd. Daarna kunnen de andere rechters en vervolgens de raadsman en de procureur-generaal vragen stellen. 4 Wanneer de voorzitter daartoe aanleiding ziet, kan hij de procureur-generaal in de gelegenheid stellen de verdachte het eerst te ondervragen. In dat geval krijgt de raadsman daarna de gelegenheid de verdachte vragen te stellen. 5 In ieder geval geeft de voorzitter aan de raadsman en aan de procureur-generaal de gelegenheid om naar aanleiding van de verklaring van de verdachte opmerkingen te maken. 6 De voorzitter bepaalt welke vragen als ontoelaatbaar zijn aan te merken. Hij kan, ambtshalve of op het verzet van de raadsman of van de procureur-generaal, beletten dat aan enige vraag, aan de verdachte gesteld, gevolg wordt gegeven. Op het antwoord, dat op zodanige vraag mocht zijn gegeven, wordt geen acht geslagen.
... Gedurende de verdere loop van het onderzoek kunnen de verdachte door de voorzitter, de rechters, de procureur-generaal, de raadsman en de medeverdachte vragen worden gesteld.
... Bij het verhoor van de verdachte wordt zoveel mogelijk onderzocht, of zijn verklaring op eigen wetenschap steunt.
... Noch de voorzitter, noch een van de rechters geeft op de terechtzitting blijk van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte.
... Indien de verdachte de stilte of de orde op de terechtzitting verstoort en vruchteloos door de voorzitter is gewaarschuwd, kan deze zijn verwijdering uit de rechtszaal bevelen en, zo nodig, bepalen, dat hij gedurende het geheel of een gedeelte van de zitting elders zal worden opgehouden. De behandeling van de zaak wordt voortgezet en de uitspraak geschiedt als ware de verdachte tegenwoordig. In dat geval blijft de raadsman van de verdachte met de verdediging belast.
... Na de ondervraging van de verdachte kunnen, op de voet van artikel 326 , aan de getuigen opnieuw vragen worden gesteld of stukken worden voorgelezen.
... 1 Indien een verdachte of getuige de rechtstaal niet verstaat heeft het onderzoek niet plaats zonder bijstand van een tolk. 2 Indien een verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig horen of spreken kan, geschieden de vragen of de antwoorden schriftelijk. 3 Kan de in het tweede lid bedoelde verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig lezen of schrijven, dan wordt de bijstand van een daartoe geschikt persoon als tolk gevorderd. 4 De tolk wordt, zo nodig, vanwege de procureur-generaal gedagvaard. 5 Indien op de terechtzitting de bijstand van een tolk blijkt nodig te zijn, kan het Hof de dagvaarding van een tolk bevelen. 6 Bij niet-verschijning van een tolk is artikel 321 van overeenkomstige toepassing. 7 De verdachte kan op bepaald aangegeven gronden de tolk wraken. Het Hof doet daarover terstond uitspraak.
... In de gevallen, waarin de bijstand van een tolk wordt gevorderd, wordt ten bezware van de verdachte geen acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen zonder voor hem vertolkt te zijn.
... Het Hof heeft gelijke bevoegdheid als in artikel 197 aan het openbaar ministerie is toegekend. Het oefent die uit hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de procureur-generaal, of op het verzoek van de verdachte.
... 1 Nadat, behoudens het bepaalde bij artikel 347 , de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad, kan de procureur-generaal het woord voeren en legt hij zijn vordering, na voorlezing, aan het Hof over. De vordering omschrijft de straf of de maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist, en vermeldt in dat geval tevens, welk bepaald strafbaar feit zou zijn begaan. De procureur-generaal maakt, voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is een vordering als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES aanhangig te maken, alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 177a , is ingesteld. Van deze mededeling van de procureur-generaal wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gedaan. 2 De verdachte kan hierop antwoorden. 3 De procureur-generaal kan daarna andermaal het woord voeren. 4 Daarna kan de verdachte nog eenmaal opmerkingen maken. 5 Aan de verdachte wordt echter, op straffe van nietigheid, het recht gelaten om het laatst te spreken. 6 Ook daarna is artikel 347 van toepassing en kan ook de verdachte nader worden ondervraagd. In dat geval kunnen de procureur-generaal en de verdachte nogmaals, op de hiervoor vermelde voet, het woord voeren.
... Indien uit het onderzoek omstandigheden zijn bekend geworden die, niet in de dagvaarding vermeld, volgens wettelijke regeling tot verzwaring van straf grond opleveren, is de procureur-generaal bevoegd deze alsnog mondeling ten laste te leggen.
... 1 In alle gevallen, waarin het onderzoek wordt onderbroken of voor een bepaalde tijd geschorst, wordt door de voorzitter aan de aanwezige verdachte en aan de aanwezige getuigen, deskundigen en tolken mondeling het tijdstip aangezegd, waarop zij op de terechtzitting aanwezig zullen moeten zijn, tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet is vereist. De aanzegging geldt als dagvaarding. Bij niet-verschijning van getuigen, deskundigen of tolken op het aangewezen tijdstip is artikel 321 van toepassing. 2 De verdachte, getuigen, deskundigen en tolken, die bij de in het eerste lid bedoelde aanzegging niet op de terechtzitting aanwezig zijn, worden, in geval van schorsing, voor de nadere behandeling opnieuw opgeroepen of gedagvaard, tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet is vereist.
... 1 In alle gevallen waarin het onderzoek voor een onbepaalde tijd is geschorst, wordt, zodra de oorzaak van de schorsing is vervallen, de verdachte opgeroepen en worden de getuigen, deskundigen en tolken opnieuw ter terechtzitting voor de nadere behandeling bepaald, gedagvaard, tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet is vereist. 2 De verdachte, getuigen, deskundigen en tolken die, ofschoon opgeroepen of gedagvaard, niet op de terechtzitting zijn verschenen, worden opnieuw opgeroepen of gedagvaard, tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet is vereist. 3 Hetgeen bij artikel 290 ten opzichte van de dagvaarding van de verdachte is bepaald, geldt hier ten aanzien van de oproeping van de verdachte.
... 1 Onverminderd het bepaalde bij artikel 366 , wordt in alle gevallen waarin schorsing van het onderzoek plaatsheeft, de zaak op de nadere terechtzitting hervat in de stand waarin zij zich op het tijdstip van de schorsing bevond. Het Hof is bevoegd te bevelen dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen. 2 In het geval dat het onderzoek opnieuw wordt aangevangen, wordt de verklaring van een getuige die bij het voorgaand onderzoek is verhoord, mits op de nadere terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd aangemerkt: a. indien die getuige overleden is of naar het oordeel van het Hof niet op de nadere terechtzitting heeft kunnen verschijnen, b. indien die getuige op de nadere terechtzitting is verschenen, doch weigert getuigenis te geven, of c. indien met toestemming van de procureur-generaal en de verdachte van zijn verhoor wordt afgezien.
... 1 De griffier houdt het proces-verbaal van de terechtzitting, waarin achtereenvolgens aantekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt. 2 Het behelst tevens de zakelijke inhoud van de verklaringen van de getuigen, deskundigen en verdachten. Indien de procureur-generaal vordert of de verdachte verzoekt dat enige verklaring woordelijk zal worden opgenomen, wordt daaraan, voor zover de verklaring redelijke grenzen niet overschrijdt, op last van het Hof zoveel mogelijk voldaan en daarvan voorlezing gedaan Acht de procureur-generaal of de verdachte de verklaring niet voldoende weergegeven, dan beslist het Hof. 3 De voorzitter kan gelasten dat in het proces-verbaal van enige bepaalde omstandigheid, verklaring of opgave aantekening zal worden gedaan. 4 Gelijke aantekening geschiedt, wanneer een van de rechters het verlangt, of op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte.
... Het proces-verbaal wordt door de voorzitter of door een van de rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en de griffier vastgesteld en zo spoedig mogelijk na elke sluiting van de terechtzitting en in ieder geval binnen de in het eerste lid van artikel 410 vermelde termijn ondertekend. Voor zover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijn medewerking en wordt van zijn verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.
... Tot het nemen van elke rechterlijke beslissing op grond van de bepalingen van deze titel kan door de procureur-generaal een vordering en door de verdachte een verzoek tot het Hof worden gedaan, tenzij uit enige bepaling het tegendeel volgt.
... Alvorens te beslissen op enig verzoek of verzet van de verdachte, hoort het Hof de procureur-generaal. Alvorens te beslissen op enige vordering of op enig verzet van de procureur- generaal, hoort het Hof de verdachte, indien deze tegenwoordig is, of diens raadsman.
... 1 De benadeelde partij kan zich ter zake van haar vordering tot schadevergoeding, indien deze wordt beperkt tot ten hoogste USD 27.933 en zij niet aan het oordeel van de burgerlijke rechter is onderworpen, voegen in het geding over de strafzaak in eerste aanleg. De vordering dient naar het oordeel van de rechter van zodanige aard te zijn, dat zij zich leent voor een beslissing in de strafzaak. 2 Tot deze voeging kan zij voorts door de rechter worden toegelaten ingeval een niet tenlastegelegd strafbaar feit, als bedoeld in artikel 412 , bij het onderzoek ter terechtzitting ter sprake komt en dit feit in beginsel bij de strafbepaling in aanmerking kan worden genomen. 3 De voeging geschiedt op de terechtzitting door een opgave van de inhoud van de vordering, uiterlijk voordat de officier van justitie zijn vordering ingevolge artikel 353 overlegt. 4 De benadeelde partij die zich niet in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, is daartoe onbevoegd in het geding in hoger beroep. 5 Heeft de voeging in eerste aanleg plaatsgehad, dan duurt zij, voor zover de vordering is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep, ook al is de benadeelde partij in hoger beroep niet verschenen. 6 Is de vordering niet of slechts ten dele toegewezen, dan kan de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep voegen. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
... Zij, die om in een burgerlijk geding in rechte te verschijnen, bijstand behoeven of vertegenwoordigd moeten worden, hebben, om zich in het strafgeding te voegen, die bijstand of die vertegenwoordiging nodig. Ten aanzien van de verdachte zijn de bepalingen betreffende de bijstand of de vertegenwoordiging, nodig in burgerlijke zaken, niet van toepassing.
... De benadeelde partij kan haar eis toelichten of doen toelichten, nadat de officier van justitie zijn vordering ingevolge artikel 353 heeft overgelegd. Zij heeft andermaal het woord, nadat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld ten tweede male het woord te voeren.
... 1 Het Hof doet over de vordering van de benadeelde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak. 2 De vordering zal alleen ontvankelijk zijn, indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, of wordt schuldig verklaard zonder oplegging van enige straf of maatregel. 3 Bij toewijzing van de vordering veroordeelt het Hof de verdachte geheel of ten dele in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. 4 Hieronder zijn niet begrepen de kosten die het Hof verklaart nodeloos te zijn gemaakt. 5 Bij gehele of gedeeltelijke ontzegging veroordeelt het Hof de benadeelde partij geheel of ten dele in de kosten door de verdachte te zijner verdediging tegen de vordering gemaakt, met uitzondering van die kosten die het Hof verklaart nodeloos te zijn gemaakt.
... Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.
... Onder eigen waarneming van de rechter wordt verstaan die welke bij het onderzoek op de terechtzitting door hem persoonlijk is geschied.
... 1 Onder verklaring van de verdachte wordt verstaan, zijn bij het onderzoek op de terechtzitting gedane opgave van feiten of omstandigheden, hem uit eigen wetenschap bekend. 2 Zodanige opgave, elders dan ter terechtzitting gedaan, kan tot het bewijs, dat de verdachte het tenlastegelegde feit begaan heeft, meewerken, indien daarvan uit enig wettig bewijsmiddel blijkt. 3 Zijn opgaven kunnen alleen te zijnen aanzien gelden. 4 Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op grond van diens eigen verklaringen. 5 Houden de opgaven van de verdachte een gerechtelijke bekentenis van schuld in, dan worden zij door een herroeping van de bekentenis niet krachteloos gemaakt, tenzij die herroeping op aannemelijke gronden berust.
... 1 Onder verklaring van een getuige wordt verstaan, zijn bij het onderzoek op de terechtzitting gedane mededeling van feiten of omstandigheden, die hij zelf waargenomen of ondervonden heeft. 2 De verklaring van een getuige wiens identiteit niet blijkt, kan niet meewerken tot het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, behoudens ingeval de getuige met toepassing van het vierde lid van artikel 261 is verhoord. 3 Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van slechts één getuige. 4 Verklaringen van getuigen, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 261 zijn verhoord, mogen alleen dan als bewijsmateriaal worden gebezigd, indien belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend.
... Onder verklaring van een deskundige wordt verstaan, zijn bij het onderzoek op de terechtzitting meegedeeld gevoelen betreffende hetgeen zijn wetenschap hem leert omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is.
... 1 Onder schriftelijke bescheiden worden verstaan: a. beslissingen in de wettelijke vorm opgemaakt door colleges of personen met rechtspraak belast; b. processen-verbaal en andere geschriften, in de wettelijke vorm opgemaakt door colleges en personen, die daartoe bevoegd zijn, en behelzende hun mededeling van feiten of omstandigheden, door hen zelf waargenomen of ondervonden; c. geschriften opgemaakt door openbare colleges of ambtenaren, betreffende onderwerpen behorende tot de onder hun beheer gestelde dienst, en bestemd om tot bewijs van enig feit of van enige omstandigheid te dienen; d. verslagen van deskundigen behelzende hun gevoelen betreffende hetgeen hun wetenschap hen leert omtrent datgene wat aan hun oordeel onderworpen is; e. alle andere geschriften, doch deze kunnen alleen gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. 2 Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, kan door de rechter worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar. 3 Schriftelijke bescheiden, houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, kunnen slechts als bewijsmiddel worden erkend, indien deze persoon met de toestemming van of door de rechter-commissaris op de voet van het bepaalde in artikel 261 is verhoord, mits belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend.
... De artikelen 414 tot en met 428 kunnen in eerste aanleg ook bij de berechting van misdrijven toepassing vinden, indien naar het oordeel van de rechter de zaak van eenvoudige aard is, bepaaldelijk ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wettelijke regeling en daarin geen zwaardere hoofdstraf dan gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden dient te worden opgelegd.
... Indien het onderzoek in artikel 392 bedoeld, daartoe aanleiding geeft, spreekt het Hof uit de niet-ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep, de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van het Hof, de niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal of de schorsing van de vervolging.
... 1 In het geval van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging gelast het Hof, tenzij het verklaart tot het geven van zodanige last niet in staat te zijn, dat inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen zullen worden teruggegeven aan een met name genoemde persoon, voor zover zij niet worden verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer. De beslissing van het Hof laat ieders rechten op het voorwerp onverlet. Artikel 144 vindt zoveel mogelijk toepassing. 2 Het Hof kan gelasten dat een voorwerp, waarover een geding bij de burgerlijke rechter aanhangig is, hangende dit geding op een bepaalde wijze zal worden bewaard, op kosten van ongelijk. 3 Op een last, ingevolge het eerste en tweede lid gegeven, is artikel 145 van overeenkomstige toepassing. 4 Het Hof kan de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen onder zekerheidstelling gelasten. Artikel 145a is van overeenkomstige toepassing.
... 1 Het vonnis bevat het tenlastegelegde alsmede de vordering van de procureur-generaal. 2 De beslissingen vermeld in de artikelen 393 en 401, tweede en derde lid , zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de procureur-generaal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid. 3 De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten of omstandigheden. 4 Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid. 5 Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsontneming meebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet. 6 Indien een zwaardere straf wordt opgelegd dan de procureur-generaal heeft gevorderd, dan wel een straf onvoorwaardelijk wordt opgelegd die vrijheidsontneming van langere duur meebrengt dan de procureur-generaal heeft gevorderd, geeft het vonnis steeds in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid. Hetzelfde geldt ingeval het Hof een zwaardere straf of maatregel oplegt dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd. 7 Het vonnis wordt binnen vier maanden na de einduitspraak aangevuld met de in het derde lid bedoelde bewijsmiddelen indien de verdachte een rechtsmiddel heeft ingesteld dan wel indien de verdachte of diens raadsman daarom verzoekt of de procureur-generaal dit vordert. 8 Behoudens het gestelde in het derde lid geschiedt alles op straffe van nietigheid.
... Heeft de procureur-generaal tevens een vordering ingediend tot het gelasten van gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een met toepassing van artikel 17a van het Wetboek van Strafrecht BES opgelegde straf, dan beraadslaagt het Hof mede over zijn bevoegdheid om over de vordering te oordelen, over de ontvankelijkheid van de procureur-generaal en over de gegrondheid van de vordering. Het vonnis houdt alsdan, tenzij onbevoegdheid van het Hof om over de vordering te oordelen of niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal wordt uitgesproken, ook de beslissing van het Hof over de vordering in.
... 1 In het geding in hoger beroep bevat het vonnis van het Hof, in de gevallen van artikel 393 , de daarbij vermelde beslissingen. 2 In de andere gevallen bevestigt het Hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg met gehele of gedeeltelijke overneming, dan wel met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van dat vonnis, wat de rechter in eerste aanleg had behoren te doen. 3 Indien echter de hoofdzaak niet door de rechter in eerste aanleg is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, verwijst het Hof daartoe de zaak naar de rechter in eerste aanleg van hetzelfde rechtsgebied, tenzij door de procureur-generaal en de verdachte de beslissing van de hoofdzaak door het Hof is verlangd. In geval van verwijzing doet de rechter in eerste aanleg recht met inachtneming van ’s Hofs vonnis. 4 In geval van vernietiging van het vonnis van de rechter in eerste aanleg is het Hof niettemin bevoegd gedeelten daarvan, door daarnaar te verwijzen, in zijn vonnis over te nemen, voor zover zij niet aan nietigheid lijden. Indien het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg aan nietigheid lijdt, kan niettemin het vonnis, voor zover dit niet aan nietigheid lijdt, worden bevestigd. 5 Indien de wettelijke voorschriften, waarop de oplegging van straf of maatregel is gegrond, niet in het vonnis zijn vermeld, kan het Hof er mee volstaan het vonnis alleen te dien aanzien te vernietigen en te doen wat de rechter in eerste aanleg had behoren te doen. 6 Indien bij samenloop van meerdere feiten een hoofdstraf is uitgesproken en het hoger beroep slechts is ingesteld ten aanzien van een of meer van de feiten, wordt in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het vonnis de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.
... 1 De verdachte die zich ter zake van het ter terechtzitting onderzochte feit in voorlopige hechtenis bevindt, is bij de uitspraak tegenwoordig, tenzij hij daartoe buiten staat is of hij mondeling of schriftelijk te kennen heeft gegeven weg te willen blijven. 2 Is zodanige verdachte tot het bijwonen van de uitspraak buiten staat, dan wordt ten spoedigste het vonnis hem ter plaatse waar hij wordt gevangengehouden, door de griffier voorgelezen, met de kennisgeving in artikel 409 voor de voorzitter voorgeschreven. Van een en ander wordt door de griffier op het vonnis melding gemaakt. 3 Indien de verdachte gevangen wordt gehouden in een ander eilandgebied dan dat waar het rechtsgeding heeft plaatsgevonden, kan de voorlezing bedoeld in het tweede lid geschieden door de griffier in het eilandgebied waar de verdachte wordt gevangengehouden.
... 1 Indien de verdachte bij het vonnis bij verstek gewezen, niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, wordt een mededeling van de beslissing door het Hof overeenkomstig de artikelen 393 , 395, eerste lid , of 396, tweede lid , gegeven, vanwege de procureur-generaal zo spoedig mogelijk aan de verdachte betekend. Deze bepaling geldt niet ten aanzien van de verdachte aan wie voor zover betreft het rechtsgeding bij verstek, de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen in persoon is betekend. De mededeling vermeldt de rechters die het vonnis hebben gewezen, de dagtekening van het vonnis, de in het vonnis voorkomende rechtskundige benaming van het strafbare feit met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse dat feit begaan zou zijn, en, voor zover in het vonnis vermeld, naam en voornamen, leeftijd, geboorteplaats, beroep en woon- of verblijfplaats van de verdachte. 2 De mededeling wordt in alle gevallen waarin de procureur-generaal dit bepaalt, en overigens zoveel mogelijk, aan de verdachte in persoon betekend. 3 Is ten aanzien van de verdachte artikel 17a van het Wetboek van Strafrecht BES toegepast, dan vermeldt de mededeling bovendien alle beslissingen die betrekking hebben op het in dat artikel bedoelde bevel, alsmede het tijdstip waarop ingevolge artikel 17b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES de proeftijd zal ingaan, terwijl de betekening niet anders geschiedt dan aan de verdachte in persoon. 4 De mededeling vindt eveneens plaats, indien de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen de verdachte in persoon is betekend of de verdachte ter terechtzitting is verschenen, maar nadien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de oproeping om op de nadere terechtzitting te verschijnen niet aan de verdachte in persoon is betekend en hij evenmin op de nadere zitting is verschenen. Het derde lid is van toepassing.
... 1 Ingeval een straf of maatregel wordt opgelegd kan de rechter ter bepaling daarvan als bijzondere reden een in de processtukken aangeduid, doch niet tenlastegelegd strafbaar feit in aanmerking nemen, indien: a. ervan mag worden uitgegaan, dat tegen de verdachte ter zake van dat feit geen vervolging meer zal worden ingesteld, en b. op grond van de, in enig wettig bewijsmiddel vastgelegde dan wel ter terechtzitting gedane, erkenning van de verdachte te dier zake aannemelijk is geworden, dat hij dat feit heeft begaan. 2 Het is de rechter niet toegestaan om de in het eerste lid bedoelde feiten in aanmerking te nemen, indien: a. die feiten wat betreft hun aard zodanig verschillen van het tenlastegelegde feit, dat daarin voor de bestraffing wezenlijk nieuwe gezichtspunten naar voren komen, dan wel door de ernst daarvan of door hun aantal de straf of maatregel in verregaande mate zouden beïnvloeden; b. bij het onderzoek ter terechtzitting blijkt, dat de verdachte zijn aanvankelijke erkenning niet langer handhaaft, dan wel daarop terug wenst te komen; c. de zaak bij verstek wordt behandeld en door het openbaar ministerie is verzuimd tijdig voor de aanvang van de terechtzitting aan de verdachte mee te delen, dat hij het voornemen heeft bedoelde feiten aan de rechter voor te leggen, opdat deze daarmee bij de strafbepaling rekening kan houden. 3 Indien ter zake van een niet tenlastegelegd feit, als bedoeld in het eerste lid, inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast en dit feit op de voet van de voorgaande artikelen door de rechter bij de strafbepaling in aanmerking is genomen, a. vindt het bepaalde in artikel 31 van het Wetboek van Strafrecht BES overeenkomstige toepassing; b. dient de rechter op de voet van artikel 35 van het Wetboek van Strafrecht BES een beslissing te geven met betrekking tot de terzake inbeslaggenomen voorwerpen.
... 1 Indien normen, daaronder begrepen zowel wettelijk omschreven voorschriften als regels van ongeschreven recht, tijdens het voorbereidend onderzoek of het onderzoek ter terechtzitting, ook ingeval de behandeling van de zaak door de raadkamer plaatsvindt, zijn geschonden, kan de rechter, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of het verzoek van de verdachte of diens raadsman, de normschending herstellen, overeenkomstig de aard en de strekking van de geschonden norm, dan wel bevelen, dat dit zal geschieden. Hij kan daartoe de nodige aanwijzingen geven. 2 Herstel blijft achterwege, indien de normschending niet meer kan worden hersteld en de rechtsgevolgen daarvan reeds uit enige wettelijke regeling voortvloeien. 3 Indien een termijn die de duur van de vrijheidsbeneming betreft, wordt overschreden, kan zij niet worden verlengd, tenzij de rechtsorde door de invrijheidstelling van de verdachte zodanig ernstig zou worden geschokt, dat het algemene belang voortzetting van de vrijheidsbeneming bepaaldelijk vordert. Alsdan kan de rechter, uiterlijk binnen vierentwintig uren nadat de termijnoverschrijding is vastgesteld, doch niet later dan zeven dagen na het verstrijken van de termijn, op de vordering van het openbaar ministerie een nieuwe termijn stellen, doch alleen voor zover dit wetboek in een nieuwe termijn voorziet en ook overigens aan de wettelijke vereisten is voldaan. Gedurende deze vierentwintig uren blijft het bevel tot vrijheidsbeneming waarvan de termijn is verstreken, van kracht. 4 Kan herstel als bedoeld in het eerste en tweede lid niet plaatsvinden, dan blijft de normschending, behoudens in geval van het vijfde lid, zonder gevolgen. 5 De rechter kan in zijn eindvonnis, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij schending van voor de procesvoering wezenlijke normen, na een redelijke afweging van alle in het geding zijnde belangen, beslissen, voor zover een bijzondere wettelijke bepaling niet reeds in de gevolgen van de normschending voorziet: a. dat de hoogte van de straf, in verhouding tot de ernst van de normschending, zal worden verlaagd, indien het door de schending veroorzaakte nadeel langs die weg redelijkerwijze kan worden gecompenseerd; b. dat de resultaten van het onderzoek, voor zover zij rechtstreeks door middel van de normschending zijn verkregen, niet tot het bewijs van het strafbare feit worden toegelaten, indien redelijkerwijze aannemelijk is, dat de verdachte door het gebruik van de onderzoeksresultaten ernstig in zijn verdediging is geschaad; c. dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien door toedoen van de normschending er geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak, die aan de eisen van een eerlijk proces voldoet. 6 Indien de rechter van oordeel is, dat er gronden van redelijkheid en billijkheid zijn voor toekenning van schadevergoeding, kan hij daartoe, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij afzonderlijke beschikking besluiten. Deze bevoegdheid komt toe aan de rechter die de zaak ter terechtzitting behandelt, of, als de zaak is geëindigd, voor wie deze het laatst heeft gediend. Schadevergoeding kan zowel naast als in de plaats van de in het vijfde lid genoemde beslissingen worden toegekend. De artikelen 181 en 182 zijn van overeenkomstige toepassing. 7 Bij de beoordeling van de normschending en de daaraan te verbinden gevolgen, alsmede bij de afweging van de in het geding zijnde belangen houdt de rechter in het bijzonder rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt, en de mate van verwijtbaarheid van degene die de norm schond.
... Zaken, uitsluitend betreffende feiten die als overtreding strafbaar zijn gesteld, worden door of vanwege de officier van justitie ter terechtzitting aanhangig gemaakt: a. hetzij door oproeping; b. hetzij door dagvaarding.
... De officier van justitie, hoofd van het parket, kan ten aanzien van het al of niet aanhangig maken door oproeping aan de opsporingsambtenaren de nodige algemene of bijzondere voorschriften geven.
... 1 Het aanhangig maken van de zaak door oproeping kan enkel plaats vinden in geval van ontdekking op heterdaad door een opsporingsambtenaar. Het aanhangig maken geschiedt doordat aan de verdachte onverwijld een oproeping wordt uitgereikt door een opsporingsambtenaar om te verschijnen op een in die oproeping vermelde terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg. De officier van justitie, hoofd van het parket, geeft voorschriften omtrent de dag en het tijdstip van de terechtzitting waartegen de oproeping geschiedt. 2 Bij de uitreiking worden desgevraagd inhoud en strekking van de oproeping aan de verdachte, zo mogelijk, mondeling kort toegelicht. 3 Wordt een aangeboden oproeping niet aangenomen, dan wordt zij niettemin geacht de verdachte op het ogenblik van de aanbieding te zijn uitgereikt. In dat geval wordt volstaan met toezending van een oproeping over de post, uiterlijk op de twintigste dag na de ontdekking van het feit. 4 Van het uitreiken van de oproeping, van het niet aannemen en de redenen daarvan en van het toezenden van de oproeping over de post wordt in het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar melding gemaakt. 5 De oproeping bevat een vermelding van de bevoegdheid, de verdachte toegekend bij artikel 76, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES . 6 Niet nakoming van het eerste, derde of vierde lid heeft nietigheid van de oproeping tot gevolg.
... 1 Bij de oproeping wordt de gewone termijn van dagvaarding in acht genomen. 2 Indien de verdachte overeenkomstig artikel 74 is aangehouden, kan onverwijld een oproeping worden uitgereikt en kan hij worden opgeroepen om nog op de dag zelf ter terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg te verschijnen. Hij kan dan voor de officier van justitie en vervolgens ter terechtzitting worden geleid. Artikel 428, derde lid , blijft in dit geval buiten toepassing. 3 De oproeping voldoet aan de eisen in artikel 285, eerste lid , betreffende de dagvaarding gesteld. Evenwel kan met een korte aanduiding van het feit worden volstaan. 4 De oproeping wordt door de opsporingsambtenaar, die het feit heeft geconstateerd, gedagtekend en ondertekend. 5 Niet-nakoming van het eerste, derde of vierde lid van dit artikel heeft nietigheid van de oproeping tot gevolg. Vrijwillige verschijning dekt de nietigheid.
... Het formulier van de oproeping aan de verdachte om ter terechtzitting te verschijnen wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.
... 1 In zaken, die door oproeping op de dag zelf ter terechtzitting aanhangig zijn gemaakt, kunnen getuigen door de ambtenaar, die het feit heeft opgespoord, worden uitgenodigd om ter terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg te verschijnen. De uitnodiging wordt door een deurwaarder of ambtenaar van politie uitgereikt aan de persoon van de getuige of aan een van zijn huisgenoten. 2 Een dubbel van de uitnodiging wordt bij de processtukken gevoegd. 3 Indien de officier van justitie de oproeping van de verdachte intrekt of oordeelt, dat de zaak op een latere terechtzitting moet worden aangebracht, geeft hij daarvan onverwijld, aan de ingevolge dit artikel uitgenodigde getuigen kennis. 4 Het formulier van de uitnodiging aan de getuigen om ter terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg te verschijnen wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.
... De officier van justitie is bevoegd getuigen, deskundigen en tolken mondeling op te roepen of door een deurwaarder of een ambtenaar van politie mondeling te doen oproepen om ter terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg te verschijnen.
... Indien de verdachte bij zijn eerste verschijning ter terechtzitting aannemelijk maakt, dat hij in het belang van zijn verdediging uitstel behoeft, schorst de rechter het onderzoek voor een bepaalde tijd.
... 1 Op het rechtsgeding bij het gerecht in eerste aanleg zijn overigens de Eerste Titel en de Vierde Titel van dit Boek van overeenkomstige toepassing, behoudens de uitzonderingen, vermeld in het tweede tot en met zesde lid. 2 De termijn van dagvaarding is ten minste drie dagen en, indien door de rechter-commissaris overeenkomstig de Zevende Titel van het Zevende Boek bevelen tot handhaving van de openbare orde zijn gegeven, ten minste twee dagen. De in de vorige volzin bedoelde termijn van twee dagen wordt, zo nodig, zoveel verlengd, dat daarin ten minste een dag voorkomt, die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. 3 De bepalingen met betrekking tot de voordracht van de zaak door de officier van justitie, de voorlopige hechtenis en het bezwaarschrift tegen de dagvaarding, zijn niet van toepassing. 4 In geval van artikel 333 wordt geen gerechtelijk vooronderzoek gelast, doch worden de stukken toegezonden aan de officier van justitie. 5 Indien tegen de verdachte verstek is verleend, zomede voor zover door de verdachte en door zijn raadsman, zo hij die heeft, verklaard is, dat van bepaaldelijk aangeduide stukken noch de voorlezing noch de mededeling van de korte inhoud wordt gewenst, kan in de plaats van de voorlezing van de tenlastelegging, verklaringen, processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere stukken, vermeld in artikel 337 , treden een op last van de rechter gedane aantekening in het proces-verbaal van de terechtzitting van de overlegging van die stukken; daarop mag dan ook ten bezware van de verdachte worden acht geslagen. 6 In geval van artikel 359 zijn de artikelen 235 , 237, eerste lid , en 241 niet van toepassing. 7 De in artikel 411 bedoelde mededeling behoeft niet te geschieden, tenzij: a. ten aanzien van de verdachte artikel 17a van het Wetboek van Strafrecht BES is toegepast, dan wel, b. een vrijheidsstraf is opgelegd, vervangende vrijheidsstraf daaronder niet begrepen, dan wel, c. een bijkomende straf is opgelegd, waarbij de ontzetting van bepaalde rechten of de ontzetting van bepaalde bevoegdheden is uitgesproken.
... 1 Tegen een bij verstek gewezen vonnis, in eerste aanleg als einduitspraak gegeven, kan degene die daarbij niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, noch daaraan geheel of gedeeltelijk heeft voldaan, verzet doen: a. indien de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen hem in persoon is betekend, gedurende veertien dagen na de uitspraak; b. in andere gevallen, uiterlijk veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het vonnis hem bekend is. 2 Hoger beroep kan door de verdachte niet worden ingesteld tegen een vonnis, waartegen hij verzet kan doen. Hoger beroep, ingesteld door de officier van justitie, vervalt op het moment dat de verdachte verzet doet. 3 Is in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst en de oproeping om op de nadere terechtzitting te verschijnen niet aan de verdachte in persoon betekend, dan kan, behoudens het geval dat de verdachte alsnog op de nadere zitting is verschenen, het verzet worden ingesteld uiterlijk veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het vonnis de verdachte bekend is.
... Heeft de benadeelde partij zich in het geding gevoegd, dan doet de officier van justitie haar van de dag van de terechtzitting schriftelijk mededeling.
... Tegen de vonnissen door de rechter in eerste aanleg als einduitspraak of in de loop van het onderzoek op de terechtzitting gegeven, kan hoger beroep worden ingesteld door de officier van justitie en door de verdachte die niet van de gehele telastelegging is vrijgesproken. Zijn in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan kan de verdachte alleen hoger beroep instellen ten aanzien van die gevoegde zaken, waarin hij niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken.
... Tegen de vonnissen die geen einduitspraken zijn, is het hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak toegelaten.
... 1 Het hoger beroep moet worden ingesteld: a. indien de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen de verdachte in persoon is betekend of de verdachte ter terechtzitting is verschenen, binnen veertien dagen na de einduitspraak; b. in andere gevallen, uiterlijk veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het vonnis de verdachte bekend is. 2 Is in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst en de oproeping om op de nadere terechtzitting te verschijnen niet aan de verdachte in persoon betekend, dan kan, behoudens het geval dat de verdachte alsnog op de nadere zitting is verschenen, het hoger beroep worden ingesteld uiterlijk veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het vonnis de verdachte bekend is.
... Binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep kan de partij die in beroep is gekomen bij de griffie van het Hof een schriftuur indienen, houdende de middelen en gronden, waarop zij haar beroep steunt. Deze schriftuur wordt bij de processtukken gevoegd.
... Tegen beschikkingen staat hoger beroep niet open en is een bezwaarschrift niet toegelaten, dan in de gevallen bij dit wetboek bepaald.
... Voor zover niet bijzondere bepalingen het recht van beroep van de officier van justitie regelen, kan hij van alle beschikkingen van de rechter in eerste aanleg of de rechter-commissaris, waarbij een krachtens dit wetboek gedane vordering niet is toegewezen, binnen drie dagen bij het Hof in hoger beroep komen.
... Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 445 , kan ook geschieden door: a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het middel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gemachtigd; b. een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.
... 1 Is degene die een rechtsmiddel wenst aan te wenden ingesloten in een huis van bewaring, gevangenis, of een andere inrichting dan kan hij de rechtsmiddelen bedoeld in artikel 445 ook aanwenden door middel van een schriftelijke verklaring, die hij doet toekomen aan het hoofd van de inrichting. 2 Het hoofd van de inrichting doet deze verklaring onverwijld inschrijven in een daarvoor bestemd register en zendt haar vervolgens toe aan de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven onder kennisgeving van de datum van inschrijving in het register. Als dag waarop het rechtsmiddel is aangewend, geldt de dag van inschrijving van de verklaring in het register. 3 Onze Minister van Justitie bepaalt het model van het register en kan omtrent het bijhouden daarvan nadere regels geven. Het register kan door de belanghebbenden worden ingezien. 4 De verklaring wordt na ontvangst op de griffie bij de processtukken gevoegd. Van het aanwenden van het rechtsmiddel wordt dadelijk aantekening gedaan in het op de griffie berustend register, bedoeld in artikel 447, derde lid .
... 1 Herziening van een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak houdende veroordeling, kan worden aangevraagd: a. op grond van de omstandigheid dat bij onderscheidene vonnissen, in kracht van gewijsde gegaan of bij verstek gewezen, bewezenverklaringen zijn uitgesproken, die niet zijn overeen te brengen; b. op grond van enige omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet was gebleken en die op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat ernstig vermoeden ontstaat dat ware zij bekend geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging op grond dat deze niet strafbaar was, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. 2 Op gelijke gronden kan herziening worden aangevraagd, indien bij het gewijsde een tenlastegelegd feit als bewezen is aangenomen zonder dat ter zake een veroordeling is gevolgd. Onder veroordeelde wordt in deze titel begrepen hij tegen wie zodanig gewijsde is gegeven; de bepalingen daarvan worden te zijnen aanzien overeenkomstig toegepast, met dien verstande dat artikel 475 geen toepassing vindt.
... De aanvrage vermeldt de omstandigheid waarop zij steunt, met opgave van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
... Indien de aanvrage niet voldoet aan de vereisten bij het voorgaande artikel gesteld, verklaart het Hof bij met redenen omklede beschikking haar niet-ontvankelijk. In het andere geval zijn de navolgende bepalingen van toepassing.
... 1 Indien de aanvrage betreft het geval vermeld in artikel 453, eerste lid, onderdeel a , vernietigt het Hof, na de aanvrage gegrond te hebben bevonden, bij met redenen omklede beschikking de vonnissen, met verwijzing van de zaken naar de openbare terechtzitting, te houden op een door de voorzitter te bepalen dag ten einde die gelijktijdig opnieuw te onderzoeken en daarin bij een en dezelfde uitspraak recht te doen, zonder dat echter de straf zwaarder mag zijn dan die welke bij de vernietigde vonnissen is opgelegd. 2 Indien de veroordeelde krachtens het vernietigde vonnis een vrijheidsstraf ondergaat en het Hof geen vrijheidsstraf oplegt, wordt hij onverwijld in vrijheid gesteld, behoudens het bepaalde bij artikel 465 . 3 Indien het Hof de aanvrage niet gegrond acht, wijst het die bij met redenen omklede beschikking af.
... Indien de aanvrage betreft het geval, vermeld in artikel 453, eerste lid, onderdeel b , beveelt het Hof na zich, zo nodig, door tussenkomst van de procureur-generaal nadere berichten te hebben doen overleggen, de verdere behandeling op de openbare terechtzitting op een daartoe door de voorzitter te bepalen dag.
... De procureur-generaal doet ten minste tien dagen voor de dag van de terechtzitting aan de veroordeelde aanzegging van die dag.
... Acht het Hof alvorens een beslissing te nemen een onderzoek nodig, dan beveelt het dit en draagt dat onderzoek op aan een rechter-commissaris, die in de zaak nog geen onderzoek heeft verricht. Artikel 359 is van overeenkomstige toepassing.
... De beslissingen van het Hof, genoemd in de artikelen 456 , 457 , 461 en 465 , worden zodra mogelijk vanwege de procureur-generaal aan de belanghebbende schriftelijk meegedeeld en in afschrift toegezonden aan de ambtenaar belast met de tenuitvoerlegging van het gewijsde waarvan de herziening is gevraagd, of van het vernietigde vonnis.
... Het Hof ingevolge verwijzing op grond van artikel 457, eerste lid , of van artikel 461, tweede lid , rechtdoende, is, op straffe van nietigheid, samengesteld uit drie leden.
... 1 In geen geval mag een straf worden opgelegd, die de bij het vernietigde vonnis opgelegde te boven gaat. 2 Indien bij samenloop van meerdere feiten een hoofdstraf is uitgesproken en de herziening slechts gevraagd is ten aanzien van een of meer van die feiten, wordt, in geval van vernietiging, bij de uitspraak in herziening de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald. 3 Indien uit het nieuwe onderzoek blijkt dat de verdachte een ander strafbaar feit heeft gepleegd dan waarvoor hij veroordeeld is en dat strafbare feit hem oorspronkelijk mede was ten laste gelegd zonder dat daarover was beslist, doet het Hof te dier zake uitspraak en kan hem wegens dat feit veroordelen, zonder dat echter de straf zwaarder mag zijn dan welke bij het vernietigde vonnis is opgelegd. 4 Bij de uitspraak wordt bepaald dat de reeds vroeger krachtens de vernietigde uitspraak voor het feit ondergane straf, en de krachtens artikel 465 ondergane voorlopige hechtenis in mindering zal worden gebracht.
... Indien gedurende de behandeling van de zaak de veroordeelde overlijdt, wordt het geding voortgezet en wordt door het Hof een bijzondere curator benoemd. De voorgaande artikelen van deze titel zijn dan van overeenkomstige toepassing.
... Geen rechter die op enigerlei wijze deelgenomen heeft aan het onderzoek of de berechting van de zaak waarvan herziening wordt gevraagd, mag aan het onderzoek of de berechting in herziening deelnemen.
... Indien na de vernietiging van het gewijsde geen straf of maatregel of wel de maatregel, bedoeld bij artikel 39, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES , wordt opgelegd, wordt, op verzoek van de gewezen veroordeelde of van zijn erfgenamen, ter zake van de ondergane straf een schadevergoeding toegekend. De toekenning heeft plaats op de voet van het bepaalde in de artikelen 178 tot en met 181 .
... De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen kunnen, ook na hun aftreden, krachtens deze wet niet strafrechtelijk worden vervolgd wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd.
... Niemand kan strafrechtelijk worden vervolgd wegens een feit begaan voordat hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt.
... Ten aanzien van personen, die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is aangevangen, de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, zijn de bepalingen van dit wetboek van toepassing, voor zover deze afdeling geen afwijkende bepalingen bevat.
... De bepalingen van deze afdeling die op de ouders of voogd betrekking hebben, zijn alleen van toepassing, indien de verdachte minderjarig is.
... Aan de verdachte, die zich in verzekering of voorlopige hechtenis bevindt, of die in het tegen hem ingestelde gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris wordt verhoord, wordt op zijn verzoek een raadsman toegevoegd. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie geeft aan de instantie die ingevolge artikel 61, eerste lid , met de toevoeging is belast, onverwijld kennis dat toevoeging moet plaatshebben. Indien hem geen raadsman is toegevoegd of de toevoeging niet tijdig heeft plaatsgehad, komt het beroepsrecht van artikel 67, eerste lid , ook toe aan de ouders of voogd.
... Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, is ten aanzien van zijn ouders of voogd artikel 70 van overeenkomstige toepassing.
... 1 De officier van justitie kan bepalen dat de tenuitvoerlegging van het bevel tot inverzekeringstelling zal worden geschorst, indien de verdachte zich bereid heeft verklaard tot nakoming van de aan de schorsing te verbinden voorwaarden. 2 Als algemene voorwaarde waaraan de verdachte zal moeten voldoen wordt gesteld, dat hij geen strafbaar feit zal begaan noch zich op andere wijze zal misdragen. Bovendien kunnen bijzondere voorwaarden worden gesteld het gedrag van de verdachte betreffende; deze mogen zijn godsdienstige of staatkundige vrijheid niet beperken. 3 De schorsing, bepaald krachtens het eerste lid, kan slechts worden opgeheven wegens overtreding van de gestelde voorwaarden. Het bevel tot opheffing is met redenen omkleed. De verdachte wordt zo mogelijk gehoord. 4 De termijn gedurende welke een bevel tot inverzekeringstelling van kracht is, loopt niet gedurende de tijd waarin de tenuitvoerlegging is geschorst. 5 Behoudens eerdere opheffing vervalt het bevel tot inverzekeringstelling waarvan de tenuitvoerlegging is geschorst, aan het einde van de tiende dag na die waarop het bevel is gegeven.
... Waar in deze afdeling wordt gesproken van schorsing wordt daaronder begrepen opschorting.
... Indien de rechter het noodzakelijk oordeelt, dat alsnog een onderzoek naar de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte wordt ingesteld, kan hij nadere inlichtingen bij de voogdijraad inwinnen.
... De Eerste Titel en de Vierde Titel van het Vijfde Boek zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze titel niet anders wordt bepaald.
... Indien de zaak door oproeping aanhangig is gemaakt, wordt in de oproeping van de ouders of de voogd het in de oproeping tenlastegelegde feit opgenomen. In het geval bedoeld in de aanhef van artikel 420 , is dat artikel ten aanzien van de wijze van oproeping van ouders of voogd, en zo nodig van intrekking van deze oproeping van overeenkomstige toepassing.
... 1 Indien de verdachte, die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen, de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt en een raadsman heeft, komen alle bevoegdheden hem in dit wetboek, met uitzondering van de Vierde Titel van het Vijfde Boek , toegekend, eveneens toe aan zijn raadsman. 2 Tegen het instellen, intrekken of afstand doen door de raadsman van enig rechtsmiddel kan, in het geval van het eerste lid, de verdachte of diens wettelijke vertegenwoordiger binnen drie dagen nadat de termijn voor het instellen daarvan is verstreken, een bezwaarschrift indienen bij de rechter in eerste aanleg of de voorzitter van het college, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst is vervolgd. De rechter in eerste aanleg of de voorzitter beslist ten spoedigste; de verdachte, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de raadsman worden gehoord, althans, op de wijze door de rechter in eerste aanleg of de voorzitter te bepalen, opgeroepen. Indien het bezwaarschrift gegrond wordt bevonden, loopt de termijn voor het instellen of intrekken van het rechtsmiddel alsnog gedurende drie dagen.
... 1 De straf van berisping wordt tenuitvoergelegd door de rechter in eerste aanleg of door de voorzitter van de samenstelling van het Hof die de veroordeling heeft uitgesproken. 2 De tenuitvoerlegging geschiedt in een niet openbare terechtzitting zodra mogelijk na het uitspreken van de veroordeling. 3 De rechter kan daarbij de hulp inroepen van een door hem aan te wijzen ambtenaar. 4 Bij die tenuitvoerlegging kunnen de ouders of de voogd van de veroordeelde desverlangd tegenwoordig zijn, waartoe zij door de griffier van het Hof of van het gerecht in eerste aanleg worden opgeroepen. 5 Indien de verdachte bij de uitspraak van de veroordeling aanwezig is, kan de tenuitvoerlegging van de straf van berisping terstond plaats vinden. In dit geval geschiedt daarvan aantekening in het proces-verbaal van de terechtzitting en blijft de oproeping, bedoeld in het vierde lid, achterwege.
... Alle betekeningen, dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen of andere mededelingen aan ouders of voogd vinden enkel plaats, indien deze een bekende verblijfplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben; aan samenwonende ouders wordt slechts een stuk uitgereikt.
... 1 In elke stand van de zaak betreffende een verdachte die de leeftijd van achttien jaren bereikt heeft of naar burgerlijk recht meerderjarig is, zal de rechter in eerste aanleg of het Hof, indien er vermoeden bestaat dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens bestond, en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen, zulks bij beslissing verklaren. 2 De beslissing wordt gegeven, hetzij ambtshalve, hetzij op de voordracht van de rechter-commissaris, op de vordering van het openbaar ministerie of op het daartoe strekkend verzoek van de verdachte, van zijn raadsman, van zijn echtgenoot, dan wel degene met wie hij duurzaam feitelijk samenwoont, van een van zijn ouders, van zijn voogd, van zijn curator of van een van zijn bloed- of aanverwanten tot de derde graad ingesloten. 3 Voor zover de beslissing niet in zijn tegenwoordigheid is gegeven, wordt de inhoud daarvan de verdachte onverwijld vanwege het openbaar ministerie betekend.
... Ten spoedigste na de beslissing, bij het eerste lid van artikel 499 bedoeld, voegt de rechter in eerste aanleg of, indien de beslissing door het Hof is gegeven, de voorzitter de verdachte van misdrijf, indien hij nog geen toegevoegde raadsman heeft, een raadsman toe. Aan de verdachte van overtreding kan door de rechter in eerste aanleg of de voorzitter een raadsman worden toegevoegd.
... 1 Van het ogenblik af van de beslissing, bij het eerste lid van artikel 499 bedoeld, en, behoudens herroeping, totdat de zaak door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis is beëindigd, vinden de artikelen 31 , 482 , 484, derde lid , 489 , 490 , 497 en 498 , voor zover zij niet reeds rechtstreeks van toepassing zijn, overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bepalingen aangaande ouders of voogd slechts overeenkomstig worden toegepast, indien de verdachte een curator heeft, en in dit geval in dier voege dat zij uitsluitend deze betreffen. Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek vindt artikel 489 tevens overeenkomstige toepassing ten aanzien van het verhoor van de verdachte door de rechter-commissaris. 2 De verdachte is verplicht in persoon ter terechtzitting te verschijnen. Bij de dagvaarding wordt hem kennis gegeven dat, indien hij niet aan deze verplichting voldoet, de rechter zijn medebrenging kan gelasten. Bij niet-verschijning in persoon, kan de rechter in eerste aanleg of het Hof, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de raadsman, indien de rechter of het Hof van oordeel is, dat de persoonlijke verschijning van de verdachte noch noodzakelijk noch gewenst is en de raadsman is verschenen en zich daartegen niet verzet, het geven van het bevel tot medebrenging achterwege laten. In zodanig geval wordt verstek verleend en het onderzoek van de zaak voortgezet; de raadsman blijft met de verdediging belast. 3 Het rechtsgeding wordt niet in het openbaar behandeld. De rechter kan tot bijwoning van deze niet-openbare terechtzitting bijzondere toegang verlenen. 4 De bevoegdheden, bij dit wetboek aan de verdachte toegekend, komen na de beslissing, bij het eerste lid van artikel 499 bedoeld, steeds mede toe aan de raadsman.
a ... 1 Een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES wordt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na de uitspraak van het gerecht in eerste aanleg aanhangig gemaakt. Indien het strafrechtelijk financieel onderzoek overeenkomstig het bepaalde in artikel 177g, tweede lid , is gesloten en heropend, wordt de periode van twee jaren verlengd met de tijd verlopen tussen deze sluiting en heropening. 2 De officier van justitie doet bij zijn vordering de stukken waarop zij berust aan het gerecht toekomen. Artikel 284, vierde lid , is van overeenkomstige toepassing. 3 De vordering wordt aan degene op wie zij betrekking heeft betekend, onder mededeling van het recht op kennisneming van de stukken. Indien ook een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld wordt de vordering gelijktijdig met de sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan degene tegen wie het is gericht betekend. 4 De vordering behelst mede oproeping om op het daarin vermelde tijdstip ter terechtzitting te verschijnen. De artikelen 287 , 289 tot en met 292 zijn van overeenkomstige toepassing.
b ... De officier van justitie kan, zolang het onderzoek op de terechtzitting niet is gesloten, met de verdachte of veroordeelde een schriftelijke schikking aangaan tot betaling van een geldbedrag aan de Staat of tot overdracht van voorwerpen ten gehele of gedeeltelijke ontneming van het geschatte voordeel – met inbegrip van besparing van kosten – door de betrokkene door middel van of uit de baten van het feit waarvoor hij is vervolgd of soortgelijke feiten verkregen.
c ... 1 Op de behandeling van de vordering van de officier van justitie is de Tweede Afdeling van Titel IV van het vijfde Boek van overeenkomstige toepassing. De behandeling van de vordering ter terechtzitting kan worden voorafgegaan door een schriftelijke voorbereiding op de wijze als door het gerecht te bepalen. 2 Indien enig nader strafrechtelijk financieel onderzoek noodzakelijk blijkt, stelt het gerecht met schorsing der zaak onder aanduiding van het onderwerp van onderzoek en zo nodig de wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de stukken in handen van de officier van justitie. 3 Het onderzoek geldt als een met rechterlijke machtiging ingestelde strafrechtelijk financieel onderzoek dat wordt gevoerd overeenkomstig de bepalingen van Titel XVI van het derde Boek , met uitzondering van artikel 177g, vierde en vijfde lid .
d ... 1 Op de beraadslaging en de uitspraak zijn de bepalingen van de vijfde afdeling van Titel IV van het vijfde Boek van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. het gerecht naar aanleiding van de vordering en van het onderzoek ter terechtzitting beraadslaagt over de vraag of de in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES bedoelde maatregel moet worden opgelegd en zo ja, op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten; en b. het gerecht niet gebonden is aan het voorschrift van artikel 388 betreffende de termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan. 2 Indien de dag der uitspraak niet ter terechtzitting aan degene op wie de vordering betrekking heeft is medegedeeld, wordt hem daarvan, zodra die dag is bepaald, een kennisgeving betekend. 3 Het gerecht kan, ingeval onder de beraadslaging blijkt dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest, overeenkomstig artikel 503c, tweede en derde lid , een onderzoek door de officier van justitie doen plaatsvinden. In dit geval wordt gehandeld als ware het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.
e ... Het gerecht kan de schatting van het op geld waardeerbare voordeel als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES slechts ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen.
f ... 1 Tegen de uitspraak van het gerecht kan hoger beroep worden ingesteld. 2 Titel III en Titel IV (met uitzondering van de Eerste Afdeling ) van het vijfde Boek en Titel II van het zesde Boek zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. de zaak in hoger beroep aanhangig wordt gemaakt door een oproeping van de procureur-generaal aan de verdachte of de veroordeelde betekend; b. de behandeling van de vordering waarvan beroep is ingesteld voorafgegaan kan worden door een schriftelijke voorbereiding op de wijze, door het Hof te bepalen; c. de artikelen 503c, tweede en derde lid , en 503d, derde lid , van overeenkomstige toepassing zijn. In deze gevallen wordt het financieel onderzoek gevoerd door de officier van justitie bij het gerecht dat in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Na afloop van het bevolen onderzoek zendt de officier van justitie de stukken toe aan de procureur-generaal; d. artikel 503d, eerste lid, onder b , van overeenkomstige toepassing is.
g ... Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES vervalt van rechtswege, doordat de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte, bedoeld in artikel 38e eerste onderscheidenlijk derde lid van het Wetboek van Strafrecht BES, achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat.
... Een rechter wordt op zijn verlangen van elke bemoeiing in een zaak verschoond, indien er te zijnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
... Ingeval er ten aanzien van een rechter feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid ernstig schade zou kunnen lijden, kan diens wraking schriftelijk of, ter terechtzitting, mondeling worden voorgedragen door het openbaar ministerie en door de verdachte of diens raadsman.
... 1 Zo redenen van wraking ten aanzien van meer dan een rechter bestaan, kan een verdere wraking niet worden voorgedragen, dan nadat over de vroegere is beslist. 2 De redenen van wraking worden alle tegelijk voorgedragen. 3 Een nieuwe wraking kan ten aanzien van dezelfde rechter slechts worden voorgedragen om redenen die na de eerste voordracht zijn ontstaan of bekend geworden. 4 Tijdens het onderzoek op de terechtzitting kan een wraking niet meer worden voorgedragen na de voordracht van de zaak door het openbaar ministerie, bedoeld bij artikel 318 , tenzij om redenen die eerst in de loop van dat onderzoek zijn ontstaan of bekend geworden. 5 Wordt de wraking op de terechtzitting voorgedragen,dan kan de rechter, ingeval van klaarblijkelijk misbruik, bepalen dat volgende voordrachten tot wraking niet ontvankelijk zullen zijn.
... Ingeval de rechter alleen rechtspreekt of als enig rechter bemoeiing in de zaak verricht, worden de redenen van wraking aan hemzelf voorgedragen, waarna het Hof van Justitie daarover ten spoedigste beslist. De verdachte wordt gehoord.
... De beslissingen over de wraking, worden de verdachte voorgelezen of, indien deze niet bij de beslissing aanwezig is, hem betekend.
... Onder rechters worden in deze titel begrepen de leden en plaatsvervangende leden van het Hof en de rechtersplaatsvervanger in eerste aanleg.
... 1 Indien de strafvervolging wordt ingesteld tegen een maatschap of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, geschiedt de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan: a. de plaats van het kantoor van de maat- of vennootschap, dan wel b. de woonplaats van een van de aansprakelijke vennoten. 2 Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door uitreiking aan een van de aansprakelijke vennoten dan wel aan een persoon die door een of meer van hun is gemachtigd het stuk in ontvangst te nemen. De uitreiking geldt in deze gevallen als betekening in persoon. 3 De uitreiking van een gerechtelijke mededeling, als bedoeld in het tweede lid, kan eveneens geschieden op een van de plaatsen, omschreven in het eerste lid, aan ieder die in dienstbetrekking is van de maat- of vennootschap of van een aansprakelijke vennoot. 4 De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing bij de vervolging van een doelvermogen; in dit geval treden de bestuurders in de plaats van de aansprakelijke vennoten.
... Heeft de uitreiking niet overeenkomstig artikel 517, tweede of derde lid , of artikel 518, tweede of derde lid , kunnen plaatsvinden, dan wordt het schrijven teruggezonden aan de autoriteit van welke het is uitgegaan en vervolgens uitgereikt aan de griffier van het gerecht in eerste aanleg in het rechtsgebied waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. De griffier zendt het schrijven alsdan onverwijld als gewone brief over de post aan het in het schrijven vermelde adres en tekent zulks aan op de akte van uitreiking.
... 1 De bevoegdheden, bij enige wetsbepaling toegekend in verband met de opsporing van strafbare feiten of in verband met het onderzoek daarnaar, anders dan ter terechtzitting, kunnen, voor zover in deze titel niet anders is bepaald, buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden uitgeoefend. 2 De bepalingen van de eerste en tweede afdeling van deze titel zijn slechts van toepassing ten aanzien van de opsporing en het onderzoek buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Voor zover zij betrekking hebben op een aangehouden persoon of een inbeslaggenomen voorwerp blijven zij, ook binnen het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing, totdat de aangehoudene of het voorwerp is overgeleverd aan de officier van justitie of een hulpofficier. 3 De bevoegdheden, in de bepalingen van deze titel toegekend, kunnen slechts worden uitgeoefend, voor zover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten.
... 1 Anderen dan opsporingsambtenaren oefenen de bevoegdheden, in artikel 521 of in de tweede afdeling van deze titel toegekend, niet uit dan op aanwijzing van de officier van justitie, tenzij zodanige aanwijzingen niet kunnen worden afgewacht. 2 Ieder die een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid heeft uitgeoefend, stelt de officier van justitie onverwijld en op de snelst mogelijke wijze in kennis van: a. het te zijner kennis gekomen strafbare feit; b. elke door hem krachtens een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid getroffen maatregel. 3 Bij die kennisgeving doet hij voor zover mogelijk opgave van de personalia van de verdachte en diens nationaliteit, alsmede van zijn eigen personalia en van andere terzake doende feiten. Hij tracht voorts ten spoedigste aanwijzingen van de officier van justitie te verkrijgen aangaande de wijze waarop terzake dient te worden gehandeld. Hij neemt de aanwijzingen van de officier van justitie in acht. 4 Het in het tweede en derde lid bepaalde geldt ook voor degene aan wie een aangehouden verdachte of een inbeslaggenomen voorwerp wordt overgeleverd. 5 Het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid geldt niet voor leden van de rechterlijke macht ten aanzien van die verrichtingen waartoe zij als zodanig bevoegd zijn.
... Bij algemene maatregel van bestuur kunnen alle of bepaalde commandanten worden belast met de opsporing, buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van daarbij vermelde strafbare feiten.
... 1 De commandant, de schipper of de gezagvoerder van een luchtvaartuig maakt, indien hij een van de bevoegdheden, in de artikelen 521 of 523 of in de tweede afdeling van deze titel toegekend, uitoefent, persoonlijk ten spoedigste proces-verbaal op van zijn verrichtingen en bevindingen. 2 De officier, de scheepsofficier of het lid van de bemanning van een luchtvaartuig handelt in geval van toepassing van artikel 525 overeenkomstig het eerste lid. 3 Wanneer de schipper of een scheepsofficier dan wel de gezagvoerder van een luchtvaartuig of een lid van de bemanning de verdachte of getuigen verhoort, zijn daarbij zo mogelijk twee opvarenden of inzittenden aanwezig, die het proces-verbaal van verhoor mede ondertekenen. 4 Het proces-verbaal wordt gedagtekend door de verbalisant. Hij vermeldt zoveel mogelijk uitdrukkelijk zijn redenen van wetenschap. 5 Het proces-verbaal van de officier, de scheepsofficier of het lid van de bemanning van een luchtvaartuig wordt mede ondertekend door de commandant, onderscheidenlijk de schipper en de gezagvoerder van het luchtvaartuig. 6 Het proces-verbaal wordt door de commandant, de schipper of de gezagvoerder van het luchtvaartuig ten spoedigste toegezonden aan de officier van justitie, tenzij deze anders beslist.
... De bevoegdheid, omschreven in artikel 72 , komt mede toe aan de commandant, de schipper en de gezagvoerder van een luchtvaartuig.
... Een aangehouden verdachte wordt onverwijld overgeleverd: a. door een ieder aan de officier van justitie, indien deze ter plaatse aanwezig is; b. door de commandant, de schipper of de gezagvoerder van een luchtvaartuig aan een opsporingsambtenaar, indien deze ter plaatse aanwezig is; c. door een opvarende die geen opsporingsambtenaar is, aan de schipper en door een inzittende van een luchtvaartuig die geen opsporingsambtenaar is, aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig; d. door anderen aan een opsporingsambtenaar of aan een commandant.
... 1 De aangehouden verdachte wordt, na te zijn verhoord, dadelijk in vrijheid gesteld. Hij mag niet langer dan zes uren voor het verhoor worden opgehouden, met dien verstande dat de tijd tussen tien uur ’s avonds en acht uur ’s morgens niet wordt meegerekend. 2 Niettemin kan de verdachte langer dan zes uren worden opgehouden: a. wanneer een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem is verleend en de tenuitvoerlegging daarvan, ook buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is gelast; b. wanneer hij wordt verdacht van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en ter zake daarvan een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem kan worden verleend. 3 Een besluit de verdachte in het in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde geval langer dan zes uren op te houden, wordt genomen door de officier van justitie. Kan diens optreden niet worden afgewacht, dan kan ook de opsporingsambtenaar, de commandant, de schipper of de gezagvoerder van het luchtvaartuig in wiens handen de verdachte zich bevindt, daartoe besluiten.
... 1 Zodra de officier van justitie een besluit als bedoeld in artikel 531, derde lid , heeft genomen, stelt hij een vordering tot bewaring in bij de rechter-commissaris. 2 Zodra de officier van justitie verneemt dat een opsporingsambtenaar, een commandant, een schipper of een gezagvoerder van een luchtvaartuig een besluit als bedoeld in artikel 531, derde lid , heeft genomen, stelt hij een vordering tot bewaring in bij de rechter-commissaris of gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. 3 Heeft het in artikel 531, derde lid , bedoelde besluit betrekking op een verdachte die aan boord van een luchtvaartuig is aangehouden, dan gelden de volgende bepalingen: a. in het geval, bedoeld in het eerste lid, stelt de officier van justitie een vordering tot bewaring bij de rechter-commissaris in of beveelt hij de gezagvoerder, indien deze bevoegd is de verdachte over te dragen aan de autoriteiten van de staat waar het luchtvaartuig zal landen, van deze bevoegdheid gebruik te maken; b. in het geval, bedoeld in het tweede lid, neemt hij een van de in onderdeel a genoemde maatregelen of gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. 4 De verdachte kan zich bij het horen, bedoeld in de artikelen 92, derde lid , en 97 , doen vertegenwoordigen door een raadsman. 5 Indien de vordering tot bewaring wordt afgewezen, gelast de officier van justitie de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. Hij gelast die invrijheidstelling tevens, zodra geen titel tot vrijheidsontneming meer aanwezig is of de grond tot vrijheidsontneming is vervallen. 6 Zolang degene in wiens handen de verdachte zich bevindt, geen bericht van de officier van justitie heeft ontvangen, is hij verplicht de verdachte eigener beweging in vrijheid te stellen, zodra hij meent dat de grond tot vrijheidsontneming is vervallen; in ieder geval stelt hij de verdachte in vrijheid, indien hij niet binnen achttien dagen na de aanhouding bericht heeft ontvangen, dat een bevel tot voorlopige hechtenis is verleend, waarvan de tenuitvoerlegging, ook buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is gelast.
... De officier van justitie kan een inbeslaggenomen voorwerp doen teruggeven, voordat het onder de hoede is gesteld van de bewaarder. De last tot teruggave wordt gericht tot hem die het voorwerp onder zich heeft. Deze is verplicht daaraan onmiddellijk te voldoen.
... De gezagvoerder van een luchtvaartuig kan op de voet van artikel 9, eerste lid, van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (Trb. 1964, 115 en 164) aan de bevoegde autoriteiten van een vreemde staat overdragen iedere inzittende van het luchtvaartuig, van wie hij redelijkerwijze vermoedt, dat deze aan boord een misdrijf heeft begaan, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.
... 1 De schipper zorgt dat aan boord een register van strafbare feiten aanwezig is, blad voor blad genummerd en gewaarmerkt door een ambtenaar, te wiens overstaan de monstering geschiedt.Voor het waarmerken worden geen kosten in rekening gebracht. 2 Hij zorgt dat in het register onverwijld wordt vermeld: a. elk te zijner kennis gekomen misdrijf als bedoeld in artikel 541 ; b. elk strafbaar feit ten aanzien waarvan hij van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 522, eerste lid , gebruik heeft gemaakt; c. elk strafbaar feit, aan boord van zijn schip of door een opvarende begaan, waarvan door een opvarende vermelding in het register wordt verlangd of waarvan hij zelf de vermelding wenselijk acht. 3 Bij toepassing van het tweede lid worden vermeld: de plaats waar en het tijdstip waarop het feit is begaan, de personalia en nationaliteit van de verdachte en van de getuigen, alsmede de maatregelen ingevolge de bepalingen van deze titel genomen door de schipper of op zijn aanwijzing door de scheepsofficier. 4 De vermeldingen worden gedagtekend en door de schipper ondertekend. 5 De schipper doet het register viseren door de daartoe bevoegde ambtenaar. Onze Minister van Justitie kan terzake nadere regels stellen. De schipper geeft het register op eerste vordering van een opsporingsambtenaar aan deze ter inzage.
... De bepalingen van het Derde Boek zijn op deze titel van toepassing, voor zover daarin niet uitdrukkelijk anders is bepaald.
... In het geval van ontdekking op heterdaad van enig strafbaar feit, waardoor de openbare orde ernstig is aangerand en ter zake waarvan voorlopige hechtenis niet is toegelaten, kunnen de maatregelen in de navolgende bepalingen omschreven, worden toegepast, indien tegen de verdachte gewichtige bezwaren bestaan en er groot gevaar is voor herhaling of voortzetting van dat feit.
... 1 De officier van justitie is bij het onderzoek door de rechter-commissaris tegenwoordig en doet, na de zaak te hebben voorgedragen, de vorderingen die hij in verband met de bepalingen van deze titel nodig oordeelt. 2 De rechter-commissaris onderzoekt aanstonds de zaak. Het onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt overeenkomstig de bepalingen van de tweede tot en met de zevende afdeling van de Derde Titel van het Vierde Boek gevoerd. 3 De rechter-commissaris is bevoegd, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, te gelasten dat door de officier van justitie of de verdachte aangewezen getuigen, deskundigen en tolken voor hem zullen verschijnen. De oproeping geschiedt overeenkomstig het tweede lid van artikel 546 . 4 In dat geval kan de rechter-commissaris het onderzoek voor ten hoogste vierentwintig uren schorsen.
... Indien de bereidverklaring wordt afgelegd, beveelt de rechter-commissaris de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.
... 1 Indien de bereidverklaring niet wordt afgelegd, beveelt de rechter-commissaris dat de ophouding van de verdachte zal voortduren. 2 De ophouding is van kracht gedurende een in het bevel te bepalen termijn van ten hoogste vijf dagen welke ingaat op de dag van de tenuitvoerlegging. Artikel 102, eerste lid , is van overeenkomstige toepassing. Het bevel tot ophouding is dadelijk uitvoerbaar. 3 Op de vordering van de officier van justitie kan het bevel tot ophouding door de rechter-commissaris eenmaal met ten hoogste vijf dagen worden verlengd. De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering te worden gehoord. 4 De rechter-commissaris beslist met inachtneming van het eerste lid, zomede van de artikelen 548 en 549 . 5 De verdachte kan van het bevel tot ophouding binnen drie dagen na de tenuitvoerlegging in hoger beroep komen bij het Hof van Justitie dat beslist, na de verdachte te hebben gehoord.
... Tegen de beslissing tot afwijzing van een door de officier van justitie krachtens de bepalingen van deze titel genomen vordering staat geen beroep open.
... De officier van justitie die het verzoek heeft ontvangen, beslist onverwijld omtrent het daaraan te geven gevolg.
... 1 Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven: a. in gevallen waarin de verzoekende staat naar de regels van het volkenrecht rechtsmacht over de verdachte ontbeert; b. voor zover de verdachte op een met het volkenrecht strijdige wijze of anderszins onrechtmatige wijze het grondgebied van de verzoekende staat binnen is gebracht of gelokt, dan wel is gearresteerd en zijn vrijheid is ontnomen; c. voor zover het vermoeden bestaat dat het is gedaan ten behoeve van een onderzoek, ingesteld met het oogmerk de verdachte te vervolgen, te straffen of op andere wijze te treffen in verband met zijn godsdienstige of staatkundige overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort; d. voor zover inwilliging zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of berechting die onverenigbaar is met het aan artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht BES en artikel 282, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag liggende beginsel; e. voor zover het is gedaan ten behoeve van een onderzoek naar feiten ter zake waarvan de verdachte in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt vervolgd. 2 In gevallen waarin er grond bestaat om aan te nemen dat een situatie als bedoeld in onderdeel a of b van het eerste lid zich ter zake van het verzoek heeft voorgedaan, wordt het verzoek voorgelegd aan Onze Ministers van Buitenlandse Zaken en van Justitie. Een afwijzende beslissing op het verzoek wordt langs diplomatieke weg ter kennis van de autoriteiten van de verzoekende staat gebracht. 3 In gevallen waarin grond bestaat voor een vermoeden als bedoeld in onderdeel c van het eerste lid wordt het verzoek voorgelegd aan Onze Minister van Justitie.
... 1 Aan verzoeken ten behoeve van een onderzoek naar strafbare feiten van politieke aard, of daarmee verband houdende feiten, wordt niet voldaan dan krachtens een machtiging van Onze Minister van Justitie. Die machtiging kan alleen worden gegeven voor verzoeken die op een verdrag zijn gegrond en slechts na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken. De beslissing op het verzoek wordt langs diplomatieke weg ter kennis van de autoriteiten van de verzoekende staat gebracht. 2 Aan verzoeken, die zijn gedaan ten behoeve van onderzoek naar strafbare feiten met betrekking tot retributies, belastingen, douane, deviezen, of daarmee verband houdende feiten, en waarvan de inwilliging van belang kan zijn voor ’s Rijks belastingdienst, dan wel aan verzoeken betrekking hebbende op gegevens welke onder ’s Rijks belastingdienst berusten of aan ambtenaren van deze dienst in de uitoefening van hun bediening bekend zijn geworden, wordt niet voldaan dan krachtens machtiging van Onze Minister van Justitie. Die machtiging kan alleen worden gegeven voor verzoeken die op een verdrag zijn gegrond en slechts na overleg met Onze Minister van Financiën.
... 1 De officier van justitie stelt een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit in handen van de rechter-commissaris: a. indien het strekt tot het horen of verhoren van personen die niet bereid zijn vrijwillig te verschijnen en de gevraagde verklaring af te leggen; b. indien uitdrukkelijk is gevraagd om een beëdigde verklaring, of om een verklaring afgelegd ten overstaan van een rechter; c. indien het met het oog op het verlangde gevolg nodig is, dat andere dan openbare plaatsen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de rechthebbende worden betreden, of dat stukken van overtuiging in beslag worden genomen. 2 In andere dan de in het eerste lid voorziene gevallen kan de officier van justitie het verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit in handen van de rechter-commissaris stellen. 3 De overlegging van het verzoek geschiedt bij een schriftelijke vordering, waarin wordt omschreven welke verrichtingen van de rechter-commissaris worden verlangd. 4 De in het derde lid bedoelde vordering kan te allen tijde worden ingetrokken.
... 1 Voor zover de in artikel 561, derde lid , bedoelde vordering is gedaan met het oog op de voldoening aan een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit, heeft zij dezelfde rechtsgevolgen als een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek, wat betreft: a. de bevoegdheden van de rechter-commissaris ten aanzien van de door hem te verhoren verdachten, getuigen en deskundigen, alsmede die tot het betreden van plaatsen, het verrichten van huiszoeking en het in beslag nemen van stukken van overtuiging ; b. de bevoegdheden van de officier van justitie; c. de rechten en verplichtingen van de door de rechter-commissaris te horen of te verhoren personen; d. bijstand van een raadsman; e. de verrichtingen van de griffier. 2 Vatbaar voor inbeslagneming, overeenkomstig het eerste lid, zijn stukken van overtuiging die daarvoor vatbaar zouden zijn, indien het feit in verband waarmee de rechtshulp is gevraagd, in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba was begaan en dat feit aanleiding kan geven tot uitlevering aan de verzoekende staat. 3 [vervallen] 4 Tenzij een verdrag anders bepaalt, kan ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp, anders dan overeenkomstig het eerste en tweede lid, geen gebruik van dwangmiddelen worden gemaakt.
... 1 De rechter-commissaris doet het verzoek, na bijvoeging van de processen-verbaal van de door hem afgenomen verhoren en van die van zijn verdere verrichtingen, zo spoedig mogelijk teruggaan naar de officier van justitie. 2 De door de rechter-commissaris inbeslaggenomen stukken van overtuiging worden ter beschikking van de officier van justitie gesteld, voor zover het Hof, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, daartoe verlof verleent. 3 Tenzij aannemelijk is dat de rechthebbenden op de inbeslaggenomen stukken van overtuiging niet in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verblijf houden, wordt het krachtens het tweede lid vereiste verlof slechts verleend onder het voorbehoud, dat bij de afgifte aan de buitenlandse autoriteiten wordt bedongen, dat de stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt. 4 Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 141 tot en met 145 , 150 , en 152 tot en met 154 is van overeenkomstige toepassing. In de plaats van het volgens die artikelen bevoegde gerecht treedt het Hof op.
... Indien bij de inwilliging van een verzoek om rechtshulp de medewerking van buitenlandse ambtenaren van justitie en politie op het eigen grondgebied wordt toegestaan, geschiedt hun optreden onder de feitelijke leiding en de verantwoordelijkheid van de daartoe bevoegde autoriteiten. Het stellen van vragen aan de verdachte of een getuige door buitenlandse ambtenaren geschiedt in aanwezigheid van de rechter-commissaris en op de wijze, door hem te bepalen.
... 1 Wanneer het onderzoek, dat na de landing van een vreemd luchtvaartuig op Bonaire, Sint Eustatius en Saba ingevolge artikel 13, vierde lid, van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (Trb. 1964, 115 en 164) moet worden ingesteld naar hetgeen aan boord van het luchtvaartuig is voorgevallen, betrekking heeft op een feit ten aanzien waarvan de strafwet van Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet toepasselijk is, wordt het ingesteld overeenkomstig de bepalingen die gelden voor een opsporingsonderzoek met betrekking tot een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten.Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid , wordt het feit geacht te zijn begaan ter plaatse waar het luchtvaartuig is geland. 2 De opsporingsambtenaren die het onderzoek verrichten, kunnen behalve de in artikel 119 bedoelde voorwerpen in beslag nemen de voorwerpen, die de gezagvoerder van het vreemde luchtvaartuig ingevolge artikel 9, derde lid, van het Verdrag na de landing overlevert. 3 Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 141 tot en met 145 , 150 , en 152 tot en met 154 is van overeenkomstige toepassing.
... In deze titel wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Justitie; rechterlijke beslissing: een bij vonnis of arrest gewezen rechterlijke beslissing naar aanleiding van een strafbaar feit; sanctie: een bij rechterlijke beslissing opgelegde vrijheidsstraf, met inbegrip van een naast of in plaats van een zodanige straf opgelegde vrijheidsbenemende maatregel; veroordeelde: degene aan wie een sanctie is opgelegd.
... Tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van buitenlandse rechterlijke beslissingen geschiedt niet dan krachtens een verdrag.
... 1 Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba slechts worden tenuitvoergelegd voor zover: a. de rechterlijke beslissing in die staat voor tenuitvoerlegging vatbaar is; b. de rechterlijke beslissing is gewezen ter zake van een feit dat naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba eveneens strafbaar is; c. in geval van veroordeling, de dader naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba eveneens strafbaar zou zijn geweest. 2 Voor de toepassing van het eerste lid is er tevens sprake van een feit dat naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba strafbaar is, indien krachtens de wet eenzelfde inbreuk op de rechtsorde van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, als blijkens de in de vreemde staat gewezen rechterlijke beslissing op de rechtsorde van die staat is gemaakt, strafbaar is.
... Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet worden ten uitvoer gelegd, indien deze betrekking heeft op een vreemdeling die geen vaste woon- of verblijfplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft, of op een rechtspersoon waarvan het bestuur geen zitting of kantoor houdt in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, of waarvan het hoofd van het bestuur geen vaste woonplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft. Deze voorwaarde is niet van toepassing voor zover de in de vreemde staat opgelegde sanctie strekt tot de betaling van een geldboete of tot een verbeurdverklaring of vermogensontneming van vergelijkbare strekking.
... Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet worden ten uitvoer gelegd, indien naar het oordeel van Onze Minister een gegrond vermoeden bestaat dat de beslissing tot vervolging of de oplegging van de sanctie is ingegeven door overwegingen van ras, godsdienst, nationaliteit of politieke overtuiging van de veroordeelde of deswege ongunstig is beïnvloed. Onze Minister doet zijn oordeel kenbaar maken aan de autoriteiten van die vreemde staat.
Afdeling Tweede
... Voor zover een verdrag daarin voorziet, kan de veroordeelde die zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt en aan wie een tot vrijheidsontneming strekkende sanctie is opgelegd, waarvan blijkens de in de vreemde staat uitgesproken rechterlijke beslissing nog ten minste zes maanden moeten worden ten uitvoer gelegd, voorlopig worden aangehouden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat op korte termijn deze sanctie in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zal worden ten uitvoer gelegd.
... 1 De verlenging kan worden gelast voor een termijn van ten hoogste veertien dagen. De voorlopige vrijheidsontneming kan op de vordering van de procureur-generaal telkens met een termijn van ten hoogste dertig dagen verder worden verlengd, totdat het Hof ingevolge artikel 589, tweede lid , over de gevangenhouding beslist. 2 De veroordeelde wiens voorlopige vrijheidsontneming is gelast wordt, behoudens de mogelijkheid van vrijheidsontneming uit anderen hoofde, in vrijheid gesteld: a. zodra dit door het Hof, de rechter-commissaris of de procureur-generaal ambtshalve of op het verzoek van de veroordeelde of diens advocaat wordt gelast; b. zodra de voorlopige vrijheidsontneming veertien dagen heeft geduurd en de procureur-generaal de in de artikelen 581 of 582 bedoelde stukken niet heeft ontvangen; c. indien de duur van de voorlopige vrijheidsontneming die van het voor tenuitvoerlegging vatbare gedeelte van de in de vreemde staat opgelegde sanctie zou overtreffen. 3 De in het tweede lid, onderdeel b, genoemde termijn loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde zich aan de verdere tenuitvoerlegging van de gelaste vrijheidsontneming heeft onttrokken.
... Van elke beslissing naar aanleiding van een verzoek van een autoriteit van een vreemde staat, genomen krachtens een van de artikelen 575 tot en met 578 , wordt onverwijld door of door tussenkomst van de procureur-generaal kennis gegeven aan Onze Minister.
a ... 1 Naar aanleiding van een op een verdrag gegrond verzoek van een vreemde staat kan in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld, overeenkomstig de bepalingen van Titel XVI van het derde Boek , gericht op de bepaling van hier te lande aanwezig of verworven wederrechtelijk verkregen voordeel door een persoon die in de verzoekende staat aan strafrechtelijk onderzoek is onderworpen. 2 Het strafrechtelijk financieel onderzoek kan slechts worden ingesteld, indien zulks ook mogelijk zou zijn geweest wanneer het feit of de feiten ter zake waarvan de persoon in de verzoekende staat wordt verdacht in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zouden zijn begaan. 3 Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek kan inbeslagneming van voorwerpen overeenkomstig artikel 119, tweede lid , en artikel 119a, tweede lid , slechts plaatsvinden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat ten aanzien van die voorwerpen vanwege de verzoekende vreemde staat een verzoek tot tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring of van een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie zal worden gedaan. 4 De officier van justitie zendt van zijn beschikking tot sluiting van een strafrechtelijk financieel onderzoek onverwijld een afschrift door tussenkomst van de procureur-generaal aan Onze Minister. Daarbij doet hij tevens mededeling van alle voor de verzoekende vreemde staat dienstige inlichtingen.
b ... 1 Voor zover een verdrag daarin voorziet kunnen op verzoek van een vreemde staat voorwerpen in beslag worden genomen: a. ten aanzien waarvan naar het recht van de vreemde staat een tot verbeurdverklaring strekkende sanctie kan worden opgelegd; b. tot bewaring van het recht tot verhaal voor een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende verplichting tot betaling van een geldbedrag welke naar het recht van de vreemde staat kan worden opgelegd; of c. die kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. 2 Inbeslagneming, als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kan slechts plaatsvinden, indien blijkens de door de vreemde staat bij zijn verzoek verstrekte inlichtingen, door de bevoegde autoriteiten van die staat een bevel tot inbeslagneming is gegeven of zou zijn gegeven, indien de desbetreffende voorwerpen zich binnen zijn grondgebied zouden bevinden, en inbeslagneming naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toegestaan. 3 Voor de toepassing van het tweede lid is inbeslagneming naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba toegestaan, indien zulks ook mogelijk zou zijn geweest wanneer het feit of de feiten naar aanleiding waarvan de inbeslagneming door de vreemde staat wordt verzocht in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zou of zouden zijn begaan. 4 Inbeslagneming van voorwerpen, als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kan voorts slechts plaatsvinden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat ten aanzien van die voorwerpen vanwege de verzoekende vreemde staat een verzoek tot tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring of van een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie zal worden gedaan.
e ... 1 Bij de overeenkomstige toepassing van de artikelen 150 onderscheidenlijk 154a treedt de rechter niet in een nieuw onderzoek naar de rechten van belanghebbenden, indien daaromtrent door de buitenlandse rechter een uitspraak is gedaan. De rechter kan echter wel in een dergelijk nieuw onderzoek treden, indien: a. die uitspraak betrekking heeft op rechten ter zake van in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelegen onroerende goederen of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba te boek gestelde zeeschepen en luchtvaartuigen; b. die uitspraak betreft de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtspersonen of de besluiten van hun organen; c. die uitspraak is gedaan, zonder dat de belanghebbende tegen wie verstek werd verleend, zo tijdig tevoren, als met het oog op zijn verdediging redelijkerwijs nodig was van het geding officieel in kennis was gesteld; d. die uitspraak onverenigbaar is met een ter zake eerder in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gewezen rechterlijke beslissing; e. erkenning van die uitspraak onverenigbaar zou zijn met de openbare orde van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2 Zolang ter zake van de rechten van een belanghebbende een procedure voor de rechter van de verzoekende vreemde staat aanhangig is, is deze in zijn klaagschrift of vordering niet ontvankelijk.
... Indien de door de vreemde staat overgelegde stukken naar het oordeel van Onze Minister onvoldoende zijn om op een verzoek tot tenuitvoerlegging een beslissing te nemen, biedt hij de autoriteiten van de verzoekende staat de gelegenheid binnen een door hem te stellen redelijke termijn aanvullende stukken of inlichtingen te verschaffen.
... Wanneer een vreemde staat heeft bewilligd in de tenuitvoerlegging van een door deze opgelegde sanctie in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, stelt Onze Minister de door de autoriteiten van die staat overgelegde stukken in handen van de procureur-generaal.
... 1 De procureur-generaal vordert binnen twee weken na de dag waarop hij de in artikel 581 of 582 bedoelde stukken heeft ontvangen, schriftelijk, dat het Hof verlof verleent tot tenuitvoerlegging. Bij zijn vordering legt de procureur-generaal de stukken aan het Hof over. Een afschrift van de vordering wordt aan de veroordeelde betekend. Bij zijn vordering legt de procureur-generaal tevens een lijst van voorwerpen of vorderingen over, die ingevolge de artikelen 579a tot en met 579e , in beslag zijn genomen. 2 De in het eerste lid gestelde termijn wordt geschorst van het tijdstip waarop de procureur-generaal overeenkomstig artikel 581, tweede lid , adviseert aan Onze Minister tot het tijdstip waarop de procureur-generaal van Onze Minister bericht ontvangt dat de tenuitvoerlegging dient te worden gevorderd. 3 Indien de veroordeelde ingevolge deze titel voorlopig zijn vrijheid is ontnomen, eindigt de schorsing in ieder geval na veertien dagen. 4 Het eerste tot en met het derde lid bepaalde is niet van toepassing, indien de ten uitvoer te leggen sanctie uitsluitend bestaat uit een geldboete. 5 De artikelen 197 en 486 zijn van overeenkomstige toepassing.
... De griffier van het Hof doet onverwijld aan de procureur-generaal en aan de veroordeelde mededeling van het tijdstip dat voor de behandeling van de vordering is bepaald. Daarbij wordt de veroordeelde, van wie niet blijkt dat hij reeds een advocaat heeft, opmerkzaam gemaakt op zijn bevoegdheid een of meer advocaten te kiezen en op de mogelijkheden tot toevoeging van een advocaat, alsmede op zijn recht op kennisneming van de processtukken.
... 1 Het Hof onderzoekt de identiteit van de veroordeelde, de ontvankelijkheid van de procureur-generaal, alsmede de mogelijkheid van tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van de in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing en de feiten en omstandigheden die voor zijn beslissing van belang zijn. 2 De procureur-generaal en de veroordeelde en diens advocaat worden in de gelegenheid gesteld ter terechtzitting van het Hof te worden gehoord. 3 Het Hof is gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Het treedt niet in een nieuw onderzoek naar deze feiten. 4 Op punten die niet in deze titel zijn geregeld, vindt het bepaalde in de Tweede Afdeling van Titel IV van het Vijfde Boek overeenkomstige toepassing, behoudens het bepaalde omtrent het verhoor van getuigen en het houden van een schouw. 5 Indien getuigen zijn gedagvaard ter verkrijging van inlichtingen omtrent de persoonlijkheid van de veroordeelde of indien het Hof het noodzakelijk acht feiten te onderzoeken ter beoordeling van het bestaan van gronden die naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, doch niet naar dat van de vreemde staat, de strafbaarheid van het feit of de dader uitsluiten,vindt voorts het bepaalde in de Tweede Afdeling van Titel IV van het Vijfde Boek omtrent het verhoor van getuigen overeenkomstige toepassing. 6 Indien de procureur-generaal overeenkomstig artikel 586, tweede lid , heeft geweigerd een getuige te dagvaarden, kan de veroordeelde het Hof verzoeken alsnog de dagvaarding van de getuige te bevelen. Het Hof gaat hiertoe over, indien het van oordeel is dat de procureur-generaal in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen. 7 De procureur-generaal legt, na voorlezing, een conclusie aan het Hof over. Indien de conclusie strekt tot bewilliging in de tenuitvoerlegging, omschrijft zij de straf of maatregel die naar het oordeel van de procureur-generaal in plaats van de buitenlandse sanctie behoort te worden opgelegd. Tevens vermeldt de procureur-generaal in dat geval met welk strafbaar feit naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba het feit op grond waarvan de veroordeelde aan een buitenlandse sanctie is onderworpen, overeenkomt.
... 1 Bevindt het Hof: a. dat de overgelegde stukken niet voldoen aan het door het toepasselijke verdrag gestelde eisen; b. dat de veroordeelde zich met vrucht op een grond, die naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wel, doch naar het recht van de vreemde staat niet de strafbaarheid van het feit of de dader uitsluit, had kunnen beroepen, en dat hij geen gedwongen psychiatrische verpleging behoeft; c. dat de tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba op grond van het in een van de artikelen 569 , 570 , 571 , 573 of 574 bepaalde niet kan plaatshebben; of d. dat bij afweging van alle betrokken belangen een beslissing tot tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in redelijkheid niet kan worden genomen;dan verklaart het de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar. 2 De procureur-generaal kan, zolang het onderzoek ter terechtzitting niet is gesloten, zijn vordering intrekken. Hij stelt de veroordeelde van het intrekken van de vordering terstond in kennis. 3 In andere dan de in het eerste en tweede lid voorziene gevallen, verklaart het Hof de tenuitvoerlegging toelaatbaar, met vermelding van de toepasselijke wets- en verdragsbepalingen.
... 1 Indien het Hof, de tenuitvoerlegging toelaatbaar acht, verleent het verlof tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke beslissing en legt, met inachtneming van het daaromtrent in het toepasselijke verdrag voorgeschrevene, de straf of maatregel op, die op het overeenkomstige feit naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba is gesteld. De uitspraak van het Hof wordt met redenen omkleed. De uitspraak geeft voorts de bijzondere redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden, waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet. De artikelen 388 , 390 , 391 , 400 , 407, tweede en derde lid , en 410 zijn van toepassing. 2 Bij het opleggen van tijdelijke gevangenisstraf of hechtenis beveelt het Hof, dat de tijd gedurende welke aan de veroordeelde in de vreemde staat ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie, met het oog op zijn overbrenging naar Bonaire, Sint Eustatius en Saba en uit hoofde van deze titel zijn vrijheid ontnomen is geweest, bij de uitvoering van de straf geheel in mindering zal worden gebracht. 3 Het Hof zendt aan Onze Minister van Justitie onverwijld een gewaarmerkt afschrift van zijn uitspraak toe.
a ... 1 Verlof tot tenuitvoerlegging van een in de vreemde staat opgelegde sanctie strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden beperkt tot de tenuitvoerlegging van de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat, dat in omvang slechts een gedeelte van dat voordeel vertegenwoordigt. 2 Indien de in de vreemde staat opgelegde sanctie strekt tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, spreekt het Hof, indien de vreemde staat uitdrukkelijk heeft verzocht die sanctie slechts ten uitvoer te leggen op voorwerpen die dat voordeel vertegenwoordigen, de verbeurdverklaring daarvan uit. In dat geval is het Hof niet gebonden aan beperkingen ingevolge artikel 35, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht BES . 3 Op uitspraken, houdende een verbeurdverklaring, zijn de artikelen 151 , 153 en 154 van overeenkomstige toepassing. 4 Op uitspraken, houdende de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, is artikel 634 van overeenkomstige toepassing. 5 Artikel 579e is van overeenkomstige toepassing.
... De tenuitvoerlegging van een op grond van artikel 591 opgelegde straf of maatregel geschiedt met inachtneming van het bij of krachtens dit Wetboek, het Wetboek van Strafrecht BES of enige bijzondere strafwet betreffende de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen bepaalde.
a ... 1 Indien de in de vreemde staat opgelegde sanctie uitsluitend strekt tot de betaling van een geldboete, eventueel onder bedreiging met een vervangende tot vrijheidsontneming strekkende sanctie, wordt deze ten uitvoer gelegd krachtens een beslissing van de procureur-generaal. 2 Alvorens een beslissing te nemen ingevolge het eerste lid stelt de procureur-generaal de veroordeelde in de gelegenheid te worden gehoord. 3 De procureur-generaal drukt overeenkomstig het bepaalde in het toepasselijke verdrag het bedrag van de geldboete uit valuta van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Indien het verdrag daaromtrent geen voorschriften bevat bepaalt de procureur-generaal de hoogte van het bedrag volgens de wisselkoers die gold op het tijdstip van veroordeling in de vreemde staat. Als wisselkoers geldt de middenkoers zoals dagelijks vastgesteld en genoteerd door de Europese Centrale Bank. 4 Voor valuta waarvan de wisselkoers niet dagelijks door de Europese Centrale Bank wordt vastgesteld en genoteerd geldt de wisselkoers die wordt verkregen uit de waarde in speciale trekkingsrechten van de desbetreffende valuta op de laatste werkdag van de maand waarin de teenuitvoer te leggen sanctie in de vreemde staat werd opgelegd.
b ... 1 De ingevolge artikel 592a genomen beslissing en de dag waarop het daarbij vastgestelde bedrag moet worden voldaan, worden vanwege de procureur-generaal zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde ter kennis gebracht. 2 Tegen de beslissing van de procureur-generaal kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de beslissing hem bekend is, een bezwaarschrift indienen bij het Hof, indien de opgelegde geldboete het bedrag van USD 27,93 overschrijft. 3 Op de wijze van indiening en intrekking van een bezwaarschrift zijn de artikelen 445, tweede lid , 446 tot en met 451 van overeenkomstige toepassing. 4 Op de behandeling van het bezwaarschrift zijn de artikelen 38 tot en met 42 , 47 en 48 van overeenkomstige toepassing. 5 Verklaart het Hof het bezwaar gegrond, dan vernietigt het de beslissing van de procureur-generaal of vult deze aan met inachtneming van het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht BES . Acht het, ondanks vernietiging de tenuitvoerlegging wel toelaatbaar, dan doet het Hof hetgeen de procureur-generaal had behoren te doen. In alle gevallen dat het Hof de tenuitvoerlegging van een geldboete toelaatbaar verklaard, bepaalt het tevens de duur van de vervangende hechtenis. 6 De artikelen 591, derde lid , en 592 , zijn van toepassing.
d ... Indien tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis moet worden overgegaan doet de procureur-generaal met het oog daarop een vordering overeenkomstig artikel 583 , tenzij het Hof krachtens artikel 592b, vijfde lid , de duur van de vervangende hechtenis reeds heeft bepaald.
... 1 Voor zover een verdrag daarin uitdrukkelijk voorziet kan, op aanwijzing van Onze Minister, de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van een in een vreemde staat opgelegde tot vrijheidsontneming strekkende sanctie in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba plaatsvinden buiten toepassing van paragraaf 3 van deze afdeling. 2 De in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan slechts worden gegeven, indien uit een door de veroordeelde ondertekende verklaring blijkt dat hij met zijn instemming naar Bonaire, Sint Eustatius en Saba is overgebracht met het oog op de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde sanctie. 3 De in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan slechts worden gegeven, nadat advies is ingewonnen van het Hof. 4 Hangende de beslissing tot het geven van een aanwijzing kan de veroordeelde met toepassing van de artikelen 575 tot en met 579 voorlopig zijn vrijheid worden ontnomen. 5 Indien op advies van het Hof het geven van een aanwijzing achterwege blijft, nemen leden van het Hof die terzake hebben geadviseerd, niet aan de behandeling van de door de procureur-generaal overeenkomstig artikel 583 ingediende vordering deel. 6 De tenuitvoerlegging van de in het eerste lid bedoelde sanctie geschiedt op last van de procureur-generaal.
... Indien de procureur-generaal het in het belang van een goede rechtsbedeling gewenst acht, dat een vreemde staat een door de rechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba opgelegde straf of maatregel ten uitvoer legt of verder ten uitvoer legt, geeft hij, onder overlegging van het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis of arrest en eventuele andere met het oog op de tenuitvoerlegging van belang zijnde stukken, aan Onze Minister een met redenen omkleed advies tot overdracht van de tenuitvoerlegging aan die staat.
... 1 Behoudens het bepaalde in het tweede lid beslist Onze Minister zo spoedig mogelijk na de ontvangst van een advies, als bedoeld in artikel 594 , omtrent het daaraan te geven gevolg. Daarbij neemt hij, indien het verzoek tot tenuitvoerlegging op een verdrag kan worden gegrond, de bepalingen van dat verdrag in acht. 2 Indien het advies van de procureur-generaal betrekking heeft op een veroordeelde die zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt, aan wie een tot vrijheidsontneming strekkende sanctie is opgelegd en die niet heeft verklaard met de overdracht van de tenuitvoerlegging van die sanctie in te stemmen, dan laat Onze Minister, zo hij voornemens is gevolg te geven aan dit advies, alvorens een beslissing te nemen, de veroordeelde schriftelijk van dit advies in kennis stellen. Daarbij wordt de veroordeelde meegedeeld, dat hij binnen veertien dagen na ontvangst van de kennisgeving tegen het voornemen van Onze Minister een bezwaarschrift kan indienen bij het gerecht, dat in hoogste feitelijke instantie de tot vrijheidsontneming strekkende sanctie heeft opgelegd. 3 Zo spoedig mogelijk na ontvangst van een tijdig ingediend bezwaarschrift onderzoekt het in het tweede lid bedoelde gerecht of Onze Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing kan komen. De veroordeelde wordt bij het onderzoek gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen. Indien niet blijkt dat de veroordeelde reeds een advocaat heeft, voegt de voorzitter van het gerecht hem ambtshalve een advocaat toe. 4 Van zijn beslissing stelt het gerecht Onze Minister en de veroordeelde in kennis. Acht het gerecht het bezwaarschrift gegrond, dan geeft Onze Minister aan het advies van de procureur-generaal tot overdracht van de tenuitvoerlegging geen gevolg.
... Tenzij Onze Minister reeds aanstonds van oordeel is, dat het verzoek van een buitenlandse autoriteit tot overdracht van de tenuitvoerlegging van een in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba opgelegde sanctie moet worden afgewezen, wint hij omtrent de vraag of het belang van een goede rechtsbedeling zich tegen inwilliging van het verzoek verzet, het advies in van het gerecht dat in hoogste feitelijke instantie de sanctie heeft opgelegd en van de procureur-generaal.
... Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de procedure volgens welke een verklaring van of namens een zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindende veroordeelde, houdende instemming met de overdracht van de tenuitvoerlegging van een hem opgelegde tot vrijheidsontneming strekkende sanctie, dient te worden afgelegd.
... 1 Overdracht van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen ingevolge deze afdeling geschiedt slechts onder het algemene beding, dat de door de rechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba opgelegde straf of maatregel niet ten nadele van de veroordeelde worden gewijzigd en dat daarbij met het reeds hier te lande ten uitvoer gelegde gedeelte van die straf of maatregel rekening wordt gehouden. 2 Een veroordeelde die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een tot vrijheidsontneming strekkende sanctie ondergaat of nog zal moeten ondergaan, wordt, wanneer met een vreemde staat overeenstemming is bereikt omtrent de verdere tenuitvoerlegging van deze sanctie, zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld van de autoriteiten van die staat op een door de procureur-generaal, na overleg met die autoriteiten, te bepalen tijd en plaats. 3 De overbrenging van een veroordeelde die niet heeft verklaard met de overdracht van de tenuitvoerlegging in te stemmen, geschiedt niet dan onder het algemene beding, dat hij alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister: a. zal worden vervolgd, gestraft of op enige wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt ter zake van feiten, die voor het tijdstip van zijn overbrenging zijn begaan en ter zake waarvan de tenuitvoerlegging niet is overgedragen; en b. ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van een derde staat ter zake van feiten, die voor het tijdstip van zijn overbrenging zijn begaan, tenzij de veroordeelde nadien de gelegenheid heeft gehad het grondgebied van de staat naar welke hij is overgebracht te verlaten. 4 Op het moment dat een veroordeelde ter beschikking van de in het tweede lid bedoelde autoriteiten wordt gesteld, wordt de tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van de hem opgelegde sanctie van rechtswege geschorst. 5 In geval van hervatting van het recht tot tenuitvoerlegging van de sanctie wordt het in het buitenland reeds ten uitvoer gelegde gedeelte daarop in mindering gebracht.
... Op de krachtens deze titel gegeven bevelen tot voorlopige vrijheidsontneming of tot verlenging of beëindiging daarvan zijn de bepalingen van dit Wetboek betreffende de inverzekeringstelling, onderscheidenlijk de voorlopige hechtenis van overeenkomstige toepassing, tenzij enige bepaling in deze titel anders voorschrijft.
... In gevallen waarin onherroepelijk is vastgesteld dat tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet behoort plaats te vinden, kan het Hof op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden en kosten die hij heeft gemaakt ten gevolge van voorlopige vrijheidsontneming, bevolen krachtens deze titel. Titel XVI van het Derde Boek is van toepassing.
... Onze Minister beslist op verzoeken om doorvoer over het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van vreemdelingen die ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing door de autoriteiten van een vreemde staat ter beschikking van de autoriteiten van een andere staat worden gesteld.
... De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen geschiedt op last van het openbaar ministerie.
... Indien bij dit wetboek enige betekening, dagvaarding, oproeping, kennisgeving, aanzegging of andere mededeling is voorgeschreven, geschiedt deze, indien niet anders is bepaald, op last van het openbaar ministerie.
... Het openbaar ministerie kan voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke of eigen beslissingen de nodige bijzondere of algemene last geven aan de deurwaarders en aan de ambtenaren van politie, alsmede voor de tenuitvoerlegging aan boord van een Nederlands schip dan wel op een bij landsbesluit aangewezen installatie ter zee aan de schipper, een en ander voor zover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten. Voor de tenuitvoerlegging van bevelen tot inbeslagneming en teruggave van onroerende goederen wordt de bijzondere last tot de deurwaarder gericht.
... 1 Voor zover niet anders is bepaald, mag geen beslissing worden tenuitvoergelegd, zolang daartegen nog enig gewoon rechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist. 2 Is een mededeling als bedoeld in artikel 411 voorgeschreven, dan kan de tenuitvoerlegging van het vonnis geschieden na de betekening van die mededeling. Bij vonnissen bij verstek gewezen, waarbij zodanige mededeling niet behoeft te geschieden, kan de tenuitvoerlegging geschieden na de uitspraak. Door verzet, hoger beroep of beroep in cassatie wordt de tenuitvoerlegging geschorst of opgeschort. 3 De laatste volzin van het tweede lid geldt niet: a. voor bevelen bij het vonnis verleend, die dadelijk uitvoerbaar zijn; b. indien naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat het rechtsmiddel na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is aangewend, tenzij op verzoek van degene die het middel aanwendde, en na te zijn gehoord, indien hij dit bij het verzoek heeft gevraagd, de voorzitter van het Hof of de rechter in eerste aanleg anders bepaalt. 4 Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie, als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES , kan eerst worden tenuitvoergelegd, nadat de veroordeling, als bedoeld in artikel 38e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES, in kracht van gewijsde is gegaan.
... De tenuitvoerlegging of ingang van straffen wordt opgeschort gedurende acht dagen volgende op de dag waarop het vonnis, waarbij zij zijn opgelegd, in kracht van gewijsde is gegaan.
... Wanneer een verzoekschrift om gratie van een vrijheidsstraf is ingediend, zonder dat een wettelijke regeling daaraan de opschorting van de tenuitvoerlegging verbindt, kan Onze Minister van Justitie niettemin bepalen dat de tenuitvoerlegging wordt of blijft opgeschort of wel dat zij wordt of blijft geschorst zolang op het verzoek niet is beschikt.
... Een verzoekschrift om gratie dat van een derde afkomstig is, wordt buiten verdere behandeling gelaten indien blijkt dat de veroordeelde niet met het verzoek instemt. Het verliest alsdan de opschortende werking die de wettelijke regeling daaraan verbindt.
... 1 De last tot tenuitvoerlegging van een bevel tot vrijheidsontneming of veroordelend vonnis behelst een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de te vatten persoon, een opgave van de beslissing of het bevel waarop de aanduiding steunt, en een vermelding van de plaats waarheen de aangehoudene moet worden overgebracht, of van de rechter of ambtenaar voor wie hij moet worden geleid. 2 Indien de last dit uitdrukkelijk bepaalt, kan de te vatten persoon, voor zover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten, buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden aangehouden. 3 Het bepaalde in het tweede lid geldt niet, wanneer de last betrekking heeft op een bevel tot medebrenging van een verdachte, getuige, deskundige of tolk. 4 Hij die overeenkomstig de last een persoon heeft aangehouden, geleidt deze onverwijld naar de plaats of voor de rechter of ambtenaar, in de last vermeld. 5 Geschiedt de aanhouding buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan zijn de artikelen 522 , 534 en 535 van overeenkomstige toepassing.
... De met de tenuitvoerlegging belaste ambtenaar kan ter aanhouding van de te vatten persoon elke plaats betreden. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing. Geschiedt de aanhouding echter buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan is artikel 539 van overeenkomstige toepassing.
... 1 De opneming van een persoon tegen wie een bevel tot vrijheidsontneming of veroordelend vonnis wordt ten uitvoer gelegd, in de daartoe bestemde gevangenis of andere inrichting, geschiedt hetzij op vertoon van het bevel tot voorlopige hechtenis of inverzekeringstelling, of wel van het veroordelend vonnis of een uittreksel daarvan, hetzij op vertoon van de last tot tenuitvoerlegging van het openbaar ministerie. 2 In het laatste geval doet de ambtenaar, die de last heeft gegeven, het bevel tot voorlopige hechtenis of inverzekeringstelling of, in geval van tenuitvoerlegging van vrijheidsstraf, het veroordelend vonnis of een uittreksel daarvan ten spoedigste toekomen aan het hoofd van de inrichting. 3 In geval van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, opgelegd bij een mondeling vonnis, geschiedt de in het eerste lid bedoelde opneming op vertoon van: a. hetzij het proces-verbaal van de terechtzitting, dan wel een afschrift daarvan of uittreksel daaruit; b. hetzij de last tot tenuitvoerlegging van het openbaar ministerie, dan wel een afschrift daarvan. 4 In het geval, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, doet de ambtenaar die de last heeft gegeven, het proces-verbaal van de terechtzitting, dan wel een afschrift daarvan of uittreksel daaruit, houdende aantekening van het mondelinge vonnis, ten spoedigste toekomen aan het hoofd van de inrichting.
... Het hoofd van de gevangenis of andere inrichting, waarin de straf van vrijheidsontneming wordt ten uitvoer gelegd, is verplicht een register te houden volgens een door Onze Minister van Justitie vast te stellen model.
... 1 In het register worden bij de opneming van een persoon tegen wie een bevel tot vrijheidsontneming of een veroordelend vonnis wordt ten uitvoer gelegd, diens naam, voornaam, beroep, geboorteplaats en woon- of verblijfplaats ingeschreven. Indien het een of ander onbekend is, wordt daarvan melding gemaakt. 2 De inschrijving wijst verder aan: – de rechter of de ambtenaar, wiens beslissing wordt ten uitvoer gelegd; – de dagtekening van die beslissing; de dag en het uur, waarop de opneming geschiedt, en zo mogelijk het ogenblik waarop de vrijheidsontneming is aangevangen; – bij veroordeling, de duur van de straf. 3 De inschrijving wordt mede ondertekend door de ambtenaar, die het bevel of vonnis ten uitvoer legt. Deze ontvangt van het hoofd van de inrichting de schriftelijke verklaring dat de opneming heeft plaatsgehad, welke verklaring hij overlegt aan de ambtenaar op wiens last de tenuitvoerlegging is geschied.
... 1 De invrijheidstelling geschiedt door het hoofd van de inrichting: a. op de laatste dag van de straftijd, indien de duur van de straf niet meer is dan drie dagen; b. op de laatste dag van de straftijd die geen zondag of algemeen erkende feestdag is, indien de duur van de straf meer dan drie dagen en minder dan twee maanden is; c. in andere gevallen van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, op de laatste dag van de straftijd die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is; d. zodra de geldigheid van het bevel tot vrijheidsontneming ophoudt; e. zodra het bevoegd gezag de last tot invrijheidstelling aan het hoofd van de inrichting heeft verstrekt. 2 De invrijheidstelling vindt in geen geval plaats na het ogenblik waarop de straftijd verstrijkt. 3 Indien de invrijheidstelling ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b of c, geschiedt alvorens de straftijd geheel is verstreken, vervalt het recht van tenuitvoerlegging voor het nog resterende gedeelte van de straf. 4 Voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt, in gevallen waarin ten aanzien van een gedeelte van de straf een bevel als bedoeld in artikel 17a van het Wetboek van Strafrecht BES is gegeven, met dat gedeelte alleen rekening gehouden, voor zover de tenuitvoerlegging daarvan door de rechter is gelast.
... Indien de veroordeelde meer dan een straf achtereenvolgens moet ondergaan, worden zij voor de toepassing van artikel 625, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b of c , als één straf aangemerkt.
... 1 Bij gebreke van volledige betaling binnen de ingevolge artikel 615 bepaalde termijn wordt het verschuldigde bedrag, na voorafgaande schriftelijke waarschuwing, op de goederen van de veroordeelde verhaald. In verband met het verhaal kan woonplaats worden gekozen ten parkette van het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging is belast. 2 Het met de tenuitvoerlegging belaste openbaar ministerie kan van het nemen van verhaal afzien. 3 Is volledig verhaal onmogelijk gebleken of daarvan met toepassing van het tweede lid afgezien, dan wordt, na voorafgaande schriftelijke waarschuwing, de vervangende vrijheidsstraf ten uitvoer gelegd. 4 Tenzij de veroordeelde in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, wordt tot tenuitvoerlegging van vervangende vrijheidsstraf niet overgegaan dan nadat veertien dagen zijn verstreken sedert de dag waarop de in het derde lid bedoelde waarschuwing aan hem is verzonden.
... 1 Op voorwerpen en vorderingen van de veroordeelde die niet op grond van artikel 119a in beslag zijn genomen geschiedt verhaal krachtens een dwangbevel medebrengende het recht om die goederen zonder vonnis aan te tasten. 2 Het dwangbevel wordt in naam van de Koning uitgevaardigd door het openbaar ministerie. Het wordt ten uitvoer gelegd als een vonnis van de burgerlijke rechter. 3 De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan niet worden geschorst dan door een verzet, dat evenwel nimmer gericht zal kunnen zijn tegen het vonnis waarbij de geldboete werd opgelegd. Verzet wordt gedaan bij een met redenen omkleed bezwaarschrift, dat voor de verkoop en uiterlijk binnen zeven dagen te rekenen van de dag van de inbeslagneming, wordt ingediend bij het gerecht waartoe de rechter behoort, die de straf heeft opgelegd. Het gerecht geeft binnen zeven dagen, na zo nodig de veroordeelde en de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, te hebben gehoord, althans daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen om te verschijnen, zijn met redenen omklede beschikking, die onverwijld aan de veroordeelde wordt betekend. 4 Ten aanzien van derden, die bij een inbeslagneming van goederen daarop geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben, zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES van toepassing.
... 1 Verhaal kan zonder dwangbevel worden genomen op: a. inkomsten in geld uit arbeid van de veroordeelde; b. pensioenen, wachtgelden en andere periodieke uitkeringen waarop de veroordeelde aanspraak heeft; c. het tegoed van een rekening bij een bank- of giro- instelling waarover de veroordeelde ten eigen bate vermag te beschikken. 2 Verhaal met toepassing van het eerste lid geschiedt door middel van een schriftelijke kennisgeving van het openbaar ministerie. De kennisgeving bevat een voor de uitoefening van het verhaal voldoende aanduiding van de persoon van de veroordeelde, en vermeldt welk bedrag uit hoofde van de veroordeling nog verschuldigd is, bij welke rechterlijke uitspraak de geldboete is opgelegd, alsmede de plaats waar de betaling moet geschieden. Zij wordt betekend aan de veroordeelde en aan degene onder wie het verhaal wordt genomen. De artikelen 517 tot en met 520 zijn van overeenkomstige toepassing. 3 Door de betekening van de kennisgeving is degene onder wie het verhaal wordt genomen, verplicht tot betaling aan 's Rijks kas van het in de kennisgeving bedoelde bedrag voor zover de veroordeelde op hem een opeisbare vordering heeft of verkrijgt. Het openbaar ministerie bepaalt de termijn waarbinnen de betaling moet geschieden. De verplichting tot betaling vervalt, zodra het uit hoofde van de veroordeling verschuldigde bedrag is betaald of verhaald en uiterlijk wanneer twee jaren na de dag van betekening zijn verstreken. 4 Degene onder wie het verhaal wordt genomen, kan zich niet ten nadele van 's Rijks kas beroepen op het tenietgaan of de vermindering van zijn schuld aan de veroordeelde door betaling of door verrekening met een tegenvordering, die na de betekening aan hem is opgekomen of opeisbaar is geworden. Voor de toepassing van de artikelen 617 en 618 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES en artikel 29 van het Faillissementswet BES wordt het verhaal met beslag onder derden gelijkgesteld. 5 Indien verhaal is genomen op een periodieke uitkering, die ingevolge enig wettelijk voorschrift niet vatbaar is voor beslag, kan telkens ten hoogste een vijfde gedeelte van de uitkering tot betaling van het uit hoofde van de veroordeling verschuldigde bedrag worden bestemd. Overigens strekt het verhaal zich niet uit tot gelden, waarvan bij wettelijke regeling bepaald is dat zij niet voor inbeslagneming vatbaar zijn. 6 Iedere belanghebbende kan zich binnen zeven dagen na de betekening van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed bezwaarschrift verzetten tegen het verhaal. Artikel 630, derde lid , is op dit verzet van toepassing. 7 Een ieder, behoudens de veroordeelde, is verplicht desgevorderd aan het openbaar ministerie de inlichtingen te verstrekken, die naar het redelijk oordeel van het openbaar ministerie noodzakelijk zijn ten behoeve van de toepassing van het eerste lid van dit artikel. De artikelen 251 en 252 zijn van overeenkomstige toepassing.
... Verbeurdverklaring van vorderingen wordt ten uitvoer gelegd door betekening van de uitspraak aan de schuldenaar.
... 1 Indien de maatregel bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES is opgelegd, vinden de artikelen 615, tweede en derde lid , 628 tot en met 631 overeenkomstig toepassing. 2 Op de vordering van het openbaar ministerie, of op het schriftelijke verzoek van de veroordeelde of van een benadeelde derde, kan de rechter die de in het eerste lid genoemde maatregel heeft opgelegd, het daarin vastgestelde bedrag en de bevolen vervangende hechtenis verminderen of kwijtschelden. Is het bedrag reeds betaald of verhaald dan kan de rechter bevelen dat het geheel of gedeeltelijk zal worden teruggegeven of aan een door hem aangewezen derde uitgekeerd. Het bevel laat ieders recht op het teruggegeven of uitgekeerde bedrag onverlet. 3 Wanneer blijkt dat een hoger bedrag is vastgesteld dan de som van het werkelijke voordeel, geeft de rechter een beschikking strekkende tot vermindering of teruggave, ten minste gelijk aan het verschil. 4 Tot vermindering of kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden besloten op grond van omstandigheden die zich na de uitspraak hebben voorgedaan, of die ten tijde daarvan niet, of niet volledig, aan de rechter bekend waren. 5 De rechter beslist, het openbaar ministerie gehoord, na verhoor of behoorlijke oproeping van de veroordeelde en, zo deze het verzoek heeft gedaan, de benadeelde derde. 6 De vordering en het verzoek, bedoeld in het tweede lid, kunnen niet meer worden gedaan nadat drie jaren zijn verstreken sedert de dag waarop het bedrag, of het laatste gedeelte daarvan, is betaald of verhaald. 7 De rechter kan ambtshalve bevelen dat de maatregel, hangende zijn beslissing, niet ten uitvoer zal worden gelegd. Het bevel wordt onverwijld ter kennis gebracht van het openbaar ministerie. 8 De beschikking wordt aan de veroordeelde en, zo zij op verzoek van een derde is gewezen, ook aan deze betekend. Zij is niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen.
... Indien het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES voorwaarden stelt ter voorkoming van de strafvervolging, bepaalt het daarbij de termijn waarbinnen aan die voorwaarden moet zijn voldaan, en zo nodig tevens de plaats waar dat moet geschieden. De gestelde termijn kan worden verlengd.
a ... 1 Indien de officier van justitie overeenkomstig artikel 503b een schikking met de verdachte of veroordeelde aangaat, bepaalt hij de termijn waarbinnen aan de termen van die schikking moet worden voldaan.Tot dat tijdstip is de termijn waarbinnen ingevolge artikel 503a, eerste lid , een vordering aanhangig moet zijn gemaakt geschorst. Door voldoening aan die termen vervalt het recht tot indiening van de vordering of is, indien die vordering reeds is ingediend, de zaak van rechtswege geëindigd. 2 Wanneer na voldoening aan die termen, bedoeld in het eerste lid, blijkt van omstandigheden die de toepasselijkheid van de maatregel bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES zouden hebben uitgesloten, kan de gewezen verdachte of veroordeelde de officier van justitie verzoeken om teruggave van betaalde geldbedragen of overgedragen voorwerpen. 3 Binnen veertien dagen nadat de gewezen verdachte of veroordeelde kennis heeft gekregen van de beslissing op een overeenkomstig het tweede lid gedaan verzoek, kan hij schriftelijk beklag doen bij het gerecht waarbij de officier van justitie is geplaatst. 4 Het beklag kan ook worden gedaan wanneer dertig dagen zijn verstreken sedert de indiening van het verzoek en inmiddels daarop niet is beslist. 5 Acht het gerecht het beklag gegrond, dan beveelt het de teruggave van betaalde geldbedragen of overgedragen voorwerpen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
... Indien iemand die tot het ondergaan van straf is aangehouden, blijft ontkennen de veroordeelde te zijn, of indien daaromtrent niettegenstaande erkentenis twijfel blijft bestaan, beslist de rechter die in eerste aanleg van het strafbare feit heeft kennisgenomen, of hij al dan niet de veroordeelde is.
... 1 Tot het onderzoek wordt, op de vordering van het openbaar ministerie, in een door de rechter te bepalen terechtzitting met de meeste spoed overgegaan. 2 Het openbaar ministerie doet de aangehoudene, de getuigen die van zijnentwege zullen worden verhoord en die waarop de aangehoudene zich beroept, dagvaarden. Het tweede lid van artikel 287 vindt met betrekking tot al deze getuigen overeenkomstig toepassing. 3 Indien het openbaar ministerie weigert een getuige te dagvaarden, kan de rechter op het verzoek van de aangehoudene, de dagvaarding bevelen. Het tweede tot en met vijfde lid van artikel 289 vinden in het laatste geval overeenkomstig toepassing. 4 Indien de zaak bij de rechter in eerste aanleg is aangebracht, wordt de aangehoudene door de rechter een raadsman toegevoegd. Ten aanzien van de raadsman gelden de bepalingen van de Tweede Titel van het Tweede Boek .
... Het onderzoek en de beslissing geschieden overeenkomstig de bepalingen van de Vierde Titel van het Vijfde Boek . Artikel 424 vindt overeenkomstig toepassing.
... Indien de rechter de identiteit niet aanneemt, gelast hij de invrijheidstelling. In het andere geval wordt de tenuitvoerlegging geacht te zijn aangevangen op het ogenblik van de vrijheidsontneming.
... Ten aanzien van personen die tot het ondergaan van enige maatregel zijn aangehouden, vindt deze afdeling overeenkomstig toepassing, met dien verstande, dat, indien de identiteit wordt aangenomen, tot toepassing van de maatregel wordt overgegaan.
... De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen, als in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht BES voorzien, geschiedt, tenzij bij wettelijke regeling anders is bepaald of toegelaten, door toezending van een gewone of aangetekende brief over de post.
... 1 Betekening van gerechtelijke mededelingen vindt alleen plaats in de gevallen bij wettelijke regeling bepaald. 2 Dagvaardingen en aanzeggingen die aan het openbaar ministerie zijn opgedragen, worden steeds betekend. 3 In alle gevallen waarin een gerechtelijke mededeling moet worden betekend, geschiedt de betekening door uitreiking van een gerechtelijk schrijven. 4 De uitreiking van het gerechtelijk schrijven, als bedoeld in het derde lid, wordt door het openbaar ministerie opgedragen aan een deurwaarder of ambtenaar van politie. 5 Ingeval de met de betekening belaste ambtenaar noch de verdachte, noch een van diens huisgenoten aan zijn woon- of verblijfplaats aantreft, zal hij een afschrift van het gerechtelijk schrijven terstond terhandstellen aan de officier van justitie bij het gerecht in eerste aanleg waar de rechter waarvoor gedagvaard wordt, zitting houdt. De officier van justitie zal het oorspronkelijk schrijven voor gezien tekenen en het afschrift zo mogelijk aan de verdachte doen toekomen, zonder dat van ontvangst door deze in rechte zal behoeven te blijken. 6 Indien de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft, geschiedt de betekening van het gerechtelijk schrijven door middel van aanplakking van het afschrift aan het gebouw, waar de rechter waarvoor gedagvaard wordt, zitting houdt. 7 Bij bekende verblijfplaats van de verdachte in het buitenland wordt het gerechtelijk schrijven door tussenkomst van de procureur-generaal aan zijn ambtgenoot in het andere land ter betekening verzonden.
... De uitreiking geschiedt: a. aan hen die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de strafzaak waarop het uit te reiken stuk betrekking heeft, rechtens hun vrijheid is ontnomen: in persoon; b. aan alle anderen: in persoon of, indien betekening in persoon niet is vereist en het stuk wordt aangeboden in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan hun woon- of verblijfplaats en zij daar niet worden aangetroffen, aan degene die zich in het huis bevindt en die zich bereid verklaart om het stuk onverwijld aan hem voor wie het bestemd is te doen toekomen. Onder woon- of verblijfplaats wordt mede begrepen het adres waarop de persoon voor wie het schrijven bestemd is op de dag van aanbieding stond ingeschreven in het bevolkingsregister.
... In het belang van een goede uitvoering van de artikelen 642 , 643 en 644 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften worden gegeven.
... 1 Van iedere uitreiking, als bedoeld in artikel 643 , wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld: a. de autoriteit van welke het gerechtelijk schrijven uitgaat; b. het nummer van het schrijven; c. de persoon voor wie het schrijven bestemd is; d. de persoon aan wie het is uitgereikt; e. de ambtenaar die het heeft uitgereikt; f. de plaats van uitreiking; g. de dag en het uur van uitreiking; 2 De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast, ieder voor zover het zijn bevindingen en handelingen betreft, ter plaatse van die bevindingen en handelingen in persoon opgemaakt op de eed afgelegd bij de aanvaarding van hun bediening en terstond ondertekend. 3 Het model van de akte wordt vastgesteld door het openbaar ministerie. Dit kan nadere voorschriften geven in het belang van een goede uitvoering van dit artikel.
... 1 Aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen wordt uit 's Rijks kas een vergoeding toegekend voor de kosten, die ingevolge het bij en krachtens het Besluit tarief justitiekosten strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de aanwending van die kosten het belang van het onderzoek heeft gediend of door de intrekking van dagvaardingen of rechtsmiddelen door het openbaar ministerie nutteloos is geworden. 2 Het bedrag van de vergoeding wordt op verzoek van de gewezen verdachte of zijn erfgenamen vastgesteld. Het verzoek moet worden ingediend binnen drie maanden na het eindigen van de zaak bij de president van het Hof van Justitie. Deze kan een van de rechters die over de zaak hebben gezeten, tot de vaststelling van de vergoeding aanwijzen. De rechter geeft voor het bedrag van de vergoeding een bevelschrift van tenuitvoerlegging af. 3 Degenen, die het verzoek hebben ingediend, kunnen worden gehoord. Indien zij dit verlangen, worden zij gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen. 4 Uitbetaling geschiedt door of vanwege Onze Minister van Financiën. 5 Een en ander vindt overeenkomstige toepassing op rechtsgedingen tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen en op de behandeling van klaagschriften, als bedoeld in de artikelen 150 tot en met 151 .
... 1 Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, maar niet indien de gewezen verdachte is schuldig verklaard zonder oplegging van enige straf of maatregel, wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit 's Rijks kas een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens Besluit tarief justitiekosten strafzaken bepaalde. 2 Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, maar niet indien de gewezen verdachte is schuldig verklaard zonder oplegging van enige straf of maatregel, kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade, die hij ten gevolge van hem niet toe te rekenen tijdverzuim door het voorbereidend vooronderzoek en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten. 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing voor ouders van een minderjarige verdachte, die zijn opgeroepen ingevolge artikel 489, eerste lid . 4 De artikelen 178, vijfde lid , en 648 tweede tot en met vierde lid , zijn van overeenkomstige toepassing. 5 Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn verzoek overleden is, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.
... Deze wet wordt aangehaald als: Wetboek van Strafvordering BES.
... Degenen die op het moment van inwerkingtreding van deze wet bevoegd zijn tot de opsporing van strafbare feiten, behouden deze bevoegdheid voor de duur van maximaal vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet.