Artikel 1
1. Het gebruik van meeteenheden met betrekking tot lucht- en grondoperaties in de burgerluchtvaart, die zijn neergelegd in Bijlage 5 van het Verdrag geschiedt met inachtneming van de voorschriften zoals opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage.
2. Op deze regeling zijn van toepassing de begripsbepalingen zoals neergelegd in de bij deze regelingbehorende bijlage.
3. Een wijziging van Bijlage 5 bij het Verdrag geldt vanaf het moment waarop van deze wijziging mededeling in het Tractatenblad is gedaan.
2. Op deze regeling zijn van toepassing de begripsbepalingen zoals neergelegd in de bij deze regelingbehorende bijlage.
3. Een wijziging van Bijlage 5 bij het Verdrag geldt vanaf het moment waarop van deze wijziging mededeling in het Tractatenblad is gedaan.