BWBR0028292
Artikel 15a
Vaartuigenwet 1930 BES
1 Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast
de politieambtenaren, alsmede andere, daartoe bij besluit van Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat aangewezen ambtenaren. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in
de Staatscourant.
2 De in het eerste lid bedoelde personen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling
van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:
a. alle inlichtingen te vragen;
b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan
afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen;
c. goederen aan opneming en onderzoek te onderwerpen en deze daartoe tijdelijk mee te
nemen;
d. vaartuigen, met uitzondering van de tot woning bestemde gedeelten daarvan zonder de
uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, te betreden, vergezeld van door hen aangewezen
personen;
e. vaartuigen en de lading daarvan te onderzoeken.
3 Zo nodig, wordt de toegang tot een vaartuig als bedoeld in het tweede lid, onderdeel
d, verschaft met behulp van de sterke arm.
4 Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de wijze van taakuitoefening van de in het eerste lid bedoelde
personen.
5 Een ieder is verplicht aan de in het eerste lid bedoelde personen alle medewerking
te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd.
de politieambtenaren, alsmede andere, daartoe bij besluit van Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat aangewezen ambtenaren. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in
de Staatscourant.
2 De in het eerste lid bedoelde personen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling
van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:
a. alle inlichtingen te vragen;
b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan
afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen;
c. goederen aan opneming en onderzoek te onderwerpen en deze daartoe tijdelijk mee te
nemen;
d. vaartuigen, met uitzondering van de tot woning bestemde gedeelten daarvan zonder de
uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, te betreden, vergezeld van door hen aangewezen
personen;
e. vaartuigen en de lading daarvan te onderzoeken.
3 Zo nodig, wordt de toegang tot een vaartuig als bedoeld in het tweede lid, onderdeel
d, verschaft met behulp van de sterke arm.
4 Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de wijze van taakuitoefening van de in het eerste lid bedoelde
personen.
5 Een ieder is verplicht aan de in het eerste lid bedoelde personen alle medewerking
te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd.