BWBR0028278
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 552
Wetboek van Koophandel BES
... 1 In geval van verlies van het schip door schipbreuk, is de zeewerkgever verplicht om aan de schepeling zolang deze dientengevolge werkloos is doch ten hoogste gedurende twee maanden een schadeloosstelling te betalen tot een bedrag gelijk aan het bij de arbeidsovereenkomst in geld vastgestelde deel van het loon. Is het loon geheel of voor een deel niet naar tijdruimte vastgesteld, dan is een bedrag verschuldigd gelijk aan het loon, dat volgens het gebruik wegens een reis als die waarop het schip is verloren gegaan, bij vaststelling van het gehele loon naar tijdruimte, wordt betaald. In geval van geschil beslist de rechter in eerste aanleg binnen wiens gebied de monsterrol is opgemaakt of de zetel van het scheepsbedrijf is gevestigd. 2 Voor zover de schepeling krachtens het bepaalde in artikel 541 recht heeft op loon, komt dit loon in mindering van de hierbedoelde schadeloosstelling. 3 De vordering tot schadeloosstelling is bevoorrecht op alle goederen van de zeewerkgever; het voorrecht staat in rang gelijk met dat bedoeld in artikel 288, onder e, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES . 4 De zeewerkgever, die vermeent, dat een of meer van de schepelingen ten aanzien van de schipbreuk grove schuld treft, is bevoegd om zich te wenden tot de rechter in eerste aanleg met verzoek zijn in het eerste lid bedoelde verplichting tegenover bepaalde schepelingen voor een bij zijn beslissing bepaalde en op dezelfde wijze verlengbare tijd op te schorten, totdat omtrent de oorzaak van de ramp uitspraak is gedaan. De rechter in eerste aanleg mag naar aanleiding van die uitspraak de zeewerkgever voorgoed van zijn verplichting ontheffen.