BWBR0028228
Artikel 2
Arbeidsveiligheidswet BES
1 Ter beveiliging van de arbeid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
voorschriften worden gegeven ten aanzien van:
a. het voorkomen van ongevallen;
b. het verschaffen van hulp bij ongevallen;
c. het voorkomen en beperken van brand en van ongevallen bij brand;
d. het voorkomen van vergiftiging, besmetting of beroepsziekten;
e. het verstrekken van drinkwater of andere alcoholvrije dranken;
f. het bevorderen van de zindelijkheid;
g. de aanwezigheid van voldoende zindelijke privaten en urinoirs;
h. het bevorderen van een dragelijke temperatuur;
i. de verlichting;
j. de electrische installaties;
k. het tegengaan van de verspreiding van schadelijke of hinderlijke dampen en van stof
en, waar dit niet mogelijk is, de verwijdering daarvan.
2 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of de door hem daartoe aangewezen
ambtenaar kan nadere voorschriften en aanwijzingen geven ten aanzien van de wijze
van uitvoering van de in het eerste lid bedoelde voorschriften.
3 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of de door hem daartoe aangewezen
ambtenaar is bevoegd bij het niet nakomen van de voorschriften bij of krachtens deze
wet gegeven, de arbeid ter plaatse waar deze voorschriften niet worden nagekomen te
doen staken. Gelijke bevoegdheid bestaat ten aanzien van de arbeid die voor personen
onmiddellijk gevaar oplevert.
4 Het in het vorige lid bedoelde bevel tot staking van de arbeid moet schriftelijk en
gedagtekend gegeven worden.
5 Het besluit van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, houdende aanwijzing
van de ambtenaar, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt in de Staatscourant bekend
gemaakt.
6 Het hoofd of de bestuurder van de onderneming is verplicht te zorgen, dat in zijn
onderneming onverwijld aan een bevel als in het derde lid van dit artikel bedoeld
wordt voldaan; hij is eveneens verplicht te zorgen dat de arbeid niet eerder wordt
hervat dan nadat het bevel tot staking is ingetrokken door degene, die dit bevel gaf.
Hij, die het bevel gaf, kan ter uitvoering hiervan de hulp inroepen van de sterke
arm.
7 Het hoofd of de bestuurder van de onderneming geeft onverwijld kennis aan de ambtenaar,
bedoeld in lid 2 van:
a. ongevallen met dodelijk gevolg;
b. ongevallen waarbij de getroffene of getroffenen in een verplegingsinrichting moeten
worden opgenomen;
c. ongevallen, die zodanige verwondingen veroorzaken, dat blijvende gehele of gedeeltelijke
invaliditeit hier het gevolg van kan zijn;
d. ongevallen waarbij door toevallige omstandigheden geen persoonlijk letsel werd ondervonden.
Deze ongevallen kunnen bij ministeriële regeling nader worden omschreven.
8 De ambtenaar bedoeld in lid 2 is te allen tijde bevoegd terzake van een ongeval een
onderzoek in te stellen of te doen instellen.
9 Het hoofd of de bestuurder van de onderneming is verplicht de nodige maatregelen te
nemen, opdat ter plaatse van het ongeval alles zoveel mogelijk in onveranderde toestand
blijft, tenzij daaruit gevaar kan ontstaan.
10 Het hoofd of de bestuurder van de onderneming is verplicht bij bovenbedoeld onderzoek
de hulp te verlenen of te doen verlenen, die door de met het onderzoek belaste ambtenaren
redelijkerwijze wordt verlangd om de oorzaak en de toedracht van het ongeval te kunnen
vaststellen. Onder hulp wordt ten deze mede begrepen het afstaan van voorwerpen of
stoffen in het belang van het onderzoek.
11 Een beschikking krachtens deze wet van de ambtenaar, bedoeld in het vijfde lid, wordt
gegeven namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
12 De bevoegdheden uit het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien
in verband met de epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A1 of een directe
dreiging daarvan als bedoeld in de Wet publieke gezondheid, bij of krachtens wettelijk voorschrift dan wel gezien de stand van de wetenschap
en professionele dienstverlening benodigde noodzakelijke maatregelen of voorzieningen
die de kans op besmetting van arbeiders of derden in ondernemingen kunnen voorkomen
of beperken, in ernstige mate niet worden getroffen.
voorschriften worden gegeven ten aanzien van:
a. het voorkomen van ongevallen;
b. het verschaffen van hulp bij ongevallen;
c. het voorkomen en beperken van brand en van ongevallen bij brand;
d. het voorkomen van vergiftiging, besmetting of beroepsziekten;
e. het verstrekken van drinkwater of andere alcoholvrije dranken;
f. het bevorderen van de zindelijkheid;
g. de aanwezigheid van voldoende zindelijke privaten en urinoirs;
h. het bevorderen van een dragelijke temperatuur;
i. de verlichting;
j. de electrische installaties;
k. het tegengaan van de verspreiding van schadelijke of hinderlijke dampen en van stof
en, waar dit niet mogelijk is, de verwijdering daarvan.
2 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of de door hem daartoe aangewezen
ambtenaar kan nadere voorschriften en aanwijzingen geven ten aanzien van de wijze
van uitvoering van de in het eerste lid bedoelde voorschriften.
3 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of de door hem daartoe aangewezen
ambtenaar is bevoegd bij het niet nakomen van de voorschriften bij of krachtens deze
wet gegeven, de arbeid ter plaatse waar deze voorschriften niet worden nagekomen te
doen staken. Gelijke bevoegdheid bestaat ten aanzien van de arbeid die voor personen
onmiddellijk gevaar oplevert.
4 Het in het vorige lid bedoelde bevel tot staking van de arbeid moet schriftelijk en
gedagtekend gegeven worden.
5 Het besluit van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, houdende aanwijzing
van de ambtenaar, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt in de Staatscourant bekend
gemaakt.
6 Het hoofd of de bestuurder van de onderneming is verplicht te zorgen, dat in zijn
onderneming onverwijld aan een bevel als in het derde lid van dit artikel bedoeld
wordt voldaan; hij is eveneens verplicht te zorgen dat de arbeid niet eerder wordt
hervat dan nadat het bevel tot staking is ingetrokken door degene, die dit bevel gaf.
Hij, die het bevel gaf, kan ter uitvoering hiervan de hulp inroepen van de sterke
arm.
7 Het hoofd of de bestuurder van de onderneming geeft onverwijld kennis aan de ambtenaar,
bedoeld in lid 2 van:
a. ongevallen met dodelijk gevolg;
b. ongevallen waarbij de getroffene of getroffenen in een verplegingsinrichting moeten
worden opgenomen;
c. ongevallen, die zodanige verwondingen veroorzaken, dat blijvende gehele of gedeeltelijke
invaliditeit hier het gevolg van kan zijn;
d. ongevallen waarbij door toevallige omstandigheden geen persoonlijk letsel werd ondervonden.
Deze ongevallen kunnen bij ministeriële regeling nader worden omschreven.
8 De ambtenaar bedoeld in lid 2 is te allen tijde bevoegd terzake van een ongeval een
onderzoek in te stellen of te doen instellen.
9 Het hoofd of de bestuurder van de onderneming is verplicht de nodige maatregelen te
nemen, opdat ter plaatse van het ongeval alles zoveel mogelijk in onveranderde toestand
blijft, tenzij daaruit gevaar kan ontstaan.
10 Het hoofd of de bestuurder van de onderneming is verplicht bij bovenbedoeld onderzoek
de hulp te verlenen of te doen verlenen, die door de met het onderzoek belaste ambtenaren
redelijkerwijze wordt verlangd om de oorzaak en de toedracht van het ongeval te kunnen
vaststellen. Onder hulp wordt ten deze mede begrepen het afstaan van voorwerpen of
stoffen in het belang van het onderzoek.
11 Een beschikking krachtens deze wet van de ambtenaar, bedoeld in het vijfde lid, wordt
gegeven namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
12 De bevoegdheden uit het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien
in verband met de epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A1 of een directe
dreiging daarvan als bedoeld in de Wet publieke gezondheid, bij of krachtens wettelijk voorschrift dan wel gezien de stand van de wetenschap
en professionele dienstverlening benodigde noodzakelijke maatregelen of voorzieningen
die de kans op besmetting van arbeiders of derden in ondernemingen kunnen voorkomen
of beperken, in ernstige mate niet worden getroffen.