De buitengewoon opsporingsambtenaar kan, bij de opsporing van de in
artikel 3, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar openbaar vervoersbedrijven 2005van 1 november 2005, nr. 5383512/505/CBK, genoemde strafbare feiten, gebruik maken van de in
artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993omschreven bevoegdheden en kan daarbij gebruikmaken van handboeien.