1. Op het tijdstip waarop de
Wet modern migratiebeleidin werking treedt, is referent van de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in
artikel 14 van de Wetonder een beperking verband houdend met:
a. gezinshereniging of gezinsvorming, verblijf ter adoptie of als pleegkind, het afwachten van onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders, bedoeld in artikel 11 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie, of familiebezoek: de hoofdpersoon bij wie de vreemdeling als familie- of gezinslid verblijft;
b. het verrichten van arbeid in loondienst, het verrichten van arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, verblijf als kennismigrant, stagiaire of practicant: de werkgever van de vreemdeling;
c. verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG: de onderzoeksinstelling;
d. het volgen van studie of de voorbereiding op studie: de onderwijsinstelling waaraan de vreemdeling is ingeschreven;
e. verblijf als au pair: het gastgezin waarin de vreemdeling als au pair verblijft;
f. verblijf in het kader van uitwisseling: de persoon of organisatie die ten behoeve van het verblijf van de uitwisselingsjongere een garantverklaring heeft ondertekend.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid.