1. Binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van deze wet is de scheiding tussen de functies van bestuur en het toezicht daarop, bedoeld in
artikel 17b van de Wet op het primair onderwijs,
artikel 28h van de Wet op de expertisecentraen
artikel 24e van de Wet op het voortgezet onderwijs, tot stand gebracht. Tot het tijdstip waarop de scheiding, bedoeld in de eerste volzin, tot stand is gebracht, blijven de
artikelen 17a, 17b en
17c, van de Wet op het primair onderwijs,
28g, 28h en
28i, van de Wet op de expertisecentra, en
24d, 24e en
24e1, van de Wet op het voortgezet onderwijs, buiten toepassing.
2. Tot het tijdstip waarop de scheiding, bedoeld in het eerste lid, tot stand is gebracht, blijven de
artikelen 171, vierde lid, en
172, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs,
artikel 157, vierde lid, en
artikel 158, eerste lid, van de Wet op de expertisecentrazoals die luidden op de datum direct voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing, en wordt in afwijking van
artikel 103, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, de accountant aangewezen door het bevoegd gezag.