1. De voorzitter van de huurcommissies, bedoeld in
artikel 22, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, is na de inwerkingtreding van deze wet werkzaam in de kwaliteit van zittingsvoorzitter als bedoeld in
artikel 3a, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, zoals die luidt na de inwerkingtreding van deze wet, tot het tijdstip waarop het in
artikel 23, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, genoemde tijdvak is geëindigd, met dien verstande dat deze in afwijking van
artikel 3b, eerste lid, vierde volzin, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, zoals die luidt na de inwerkingtreding van deze wet, voor aansluitende tijdvakken van vier jaar kan worden herbenoemd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een voorzitter van de huurcommissies, bedoeld in
artikel 22, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, indien die voorzitter per de datum van inwerkingtreding van deze wet tot voorzitter, plaatsvervangend voorzitter of zittingslid, als bedoeld in
artikel 3a, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, zoals die luidt na de inwerkingtreding van deze wet, is benoemd.