1. Op rechtspersonen die geen kredietinstelling zijn in de zin van
artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezichten die voor 25 december 2007 aantoonbaar in overeenstemming met het recht dat voor die datum van toepassing was, betaaldiensten verleenden, is het verbod, bedoeld in
artikel 2:3a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, tot 30 april 2011 niet van toepassing.
2. Het eerste lid laat onverlet dat de in het eerste lid bedoelde rechtspersonen een vergunning als bedoeld in
artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezichtkunnen aanvragen.
3. Onverminderd het eerste lid is het verbod, bedoeld in
artikel 2:3a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezichtniet van toepassing op financiële ondernemingen die voor 25 december 2007 overeenkomstig
die wetbetalingsverrichtingen uitvoerden en die voldoen aan de voorwaarden van artikel 24, eerste lid, eerste alinea, onderdeel e, van de richtlijn nr. 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEU L 77).
4. Een in het derde lid bedoelde onderneming stelt de Nederlandsche Bank voor 25 december 2009 van deze werkzaamheden in kennis en toont daarbij aan dat wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
5. Indien de Nederlandsche Bank ervan overtuigd is dat aan de in het vierde lid bedoelde regels is voldaan, wordt de financiële onderneming ingeschreven in het register, bedoeld in
artikel 1:107 van de Wet op het financieel toezicht.