1. De berekening van het gedurende de periode 2010–2014 door Onze Minister te verstrekken aanvullend investeringsbudget onderscheidenlijk de aanvullende middelen voor investeringsbudget, bedoeld in
artikel 18, eerste lid, van de wet, geschiedt op de in dit artikel aangegeven wijze.
2. Onze Minister berekent voor de in artikel 2genoemde gemeenten en voor de provincies de factor investeringspotentieel (I) met behulp van de formule:
I (i)= ((2x ( KOOPPRIJS - 1)) +1) x 0,94414339,
in welke formule voorstelt:
KOOPPRIJS: de gemiddelde prijs voor de verkochte woningen in een in artikel 2genoemde gemeente of een provincie, gedeeld door het Nederlands gemiddelde van die prijs, uitgedrukt in een percentage.
3. Onze Minister berekent voor de in artikel 2genoemde gemeenten en de provincies de uitkomst van de formule:
in welke formule voorstelt:
A (i): budget Landbodems stedelijk gebied voor de individuele gemeente genoemd in artikel 2of voor de provincie.
G: de werkvoorraad landbodems stedelijk gebied in die gemeente of provincie.
BUDGET LANDBODEMS STEDELIJK GEBIED: het in het budget voor stedelijke vernieuwing opgenomen deelbudget dat ter beschikking gesteld wordt om te verdelen overeenkomstig het criterium landbodems stedelijk gebied.
4. Onze Minister berekent voor de in artikel 2genoemde gemeenten en de provincies de uitkomst van de formule:
in welke formule voorstelt:
B (i): het budget woningbouwcijfers voor de individuele gemeente genoemd in artikel 2of voor de provincie.
W: de woningbouwcijfers in die gemeente of provincie.
I: de factor investeringspotentieel, zoals die is berekend ingevolge het tweede lid.
BUDGET WONINGBOUWCIJFERS: het in het budget voor stedelijke vernieuwing opgenomen deelbudget dat ter beschikking gesteld wordt om te verdelen overeenkomstig het criterium woningbouwcijfers.
5. Onze Minister bepaalt voor de gemeenten Amsterdam, ’s-Gravenhage en Rotterdam een aanvullend investeringsbudget C (i)ten behoeve van onderzoek en sanering van gasfabrieksterreinen op het grondgebied van deze gemeenten.
6. Onze Minister telt voor de in artikel 2genoemde gemeenten en voor de provincies de bedragen A (i)+ B (i)+ C (i)op die ingevolge het derde, vierde en vijfde lid van dit artikel voor de desbetreffende gemeente of provincie zijn berekend.