BWBR0025458
Geldig vanaf 2016-11-02
Artikel 7.13
Waterwet
1. De heffing ter zake van lozen op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk wordt ingevorderd met toepassing van de <a href="/wet/BWBR0004770" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Invorderingswet 1990</a>en de <a href="/wet/BWBR0002645" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Kostenwet invordering rijksbelastingen</a>als was deze heffing een rijksbelasting in de zin van <a href="/wet/BWBR0004770/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990</a>en geschiedt door de zorg van de ontvanger, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van die wet, alsmede door de overige in die wet genoemde functionarissen.
2. Een voorlopige aanslag voor de in het eerste lid bedoelde heffing waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld, is invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3. Indien toepassing van het tweede lid niet leidt tot meer dan twee maandelijkse termijnen, is de in dat lid bedoelde belastingaanslag twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet invorderbaar.
2. Een voorlopige aanslag voor de in het eerste lid bedoelde heffing waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld, is invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3. Indien toepassing van het tweede lid niet leidt tot meer dan twee maandelijkse termijnen, is de in dat lid bedoelde belastingaanslag twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet invorderbaar.