1. Voor de op grond van artikel Iaangewezen rechtspersonen geldt, tenzij artikel VII, eerste lid, onder b, op een betrokken rechtspersoon van toepassing is, dat de toepassing van
artikel 45, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001zodanig in de tijd gefaseerd zal geschieden, dat de op het moment van inwerkingtreding van dit besluit nog op een andere wijze uitgezette liquide middelen van de betrokken rechtspersonen, op een naar het oordeel van de Minister van Financiën doelmatige wijze in ’s Rijks schatkist zullen worden opgenomen.
2. De Minister van Financiën stelt binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit na overleg met de in het eerste lid bedoelde rechtspersonen voor elke rechtspersoon een tijdschema vast ter uitvoering van het eerste lid. Zo nodig geeft de Minister van Financiën een rechtspersoon een aanwijzing voor de uitvoering.