BWBR0025028
Geldig vanaf 2020-09-30
Artikel 7.15
Mediawet 2008
1. Bij een onherroepelijke veroordeling tot een onvoorwaardelijke geldboete op grond van <a href="/wet/BWBR0001854/artikel/137d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht</a>verbiedt het Commissariaat:
a. een omroepvereniging, de educatieve media-instelling en een kerkgenootschap of genootschap op geestelijke grondslag tijdelijk een erkenning of aanwijzing als bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 2.2.2 respectievelijk afdeling 2.2.4, te gebruiken;
b. een regionale of lokale publieke media-instelling tijdelijk een aanwijzing als bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.1, te gebruiken; en
c. een commerciële media-instelling tijdelijk een toestemming als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.1, te gebruiken.
2. Een verbod geldt voor een periode van:
a. één jaar, bij een geldboete van minder dan € 1 125;
b. twee jaar, bij een geldboete van € 1 125 of meer, maar minder dan € 2 250;
c. drie jaar, bij een geldboete van € 2 250 of meer, maar minder dan € 3 375; en
d. vier jaar, bij een geldboete van € 3 375 of meer.
a. een omroepvereniging, de educatieve media-instelling en een kerkgenootschap of genootschap op geestelijke grondslag tijdelijk een erkenning of aanwijzing als bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 2.2.2 respectievelijk afdeling 2.2.4, te gebruiken;
b. een regionale of lokale publieke media-instelling tijdelijk een aanwijzing als bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.1, te gebruiken; en
c. een commerciële media-instelling tijdelijk een toestemming als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.1, te gebruiken.
2. Een verbod geldt voor een periode van:
a. één jaar, bij een geldboete van minder dan € 1 125;
b. twee jaar, bij een geldboete van € 1 125 of meer, maar minder dan € 2 250;
c. drie jaar, bij een geldboete van € 2 250 of meer, maar minder dan € 3 375; en
d. vier jaar, bij een geldboete van € 3 375 of meer.