BWBR0025028
Geldig vanaf 2020-09-30
Artikel 2.136
Mediawet 2008
1. Omroeporganisaties die een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23hebben verkregen, kunnen netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten en, tot ten hoogste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag en volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen nadere regels uit programmabladen gebruiken voor eigen verenigingsactiviteiten.
2. Verenigingsactiviteiten zijn activiteiten die:
a. redelijkerwijs nodig zijn voor het goed functioneren van de vereniging en haar organen;
b. gebruikelijk zijn in een actief functionerende vereniging om de band met en tussen de leden te versterken; of
c. in de vorm van evenementen ondersteunend zijn aan het uitdragen van de missie van de vereniging.
3. Onder verenigingsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid worden ook verstaan activiteiten van een stichting die samenwerkingsomroep is en die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, heeft verkregen, en welke activiteiten:
a. redelijkerwijs nodig zijn voor het goed functioneren van de stichting en haar organen;
b. gebruikelijk zijn in een actief functionerende stichting om de band met en tussen de contribuanten te versterken; of
c. in de vorm van evenementen ondersteunend zijn aan het uitdragen van de missie van de stichting.
4. De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten gebruiken voor eigen verenigingsactiviteiten als bedoeld in het tweede lid, voor zover de omroepverenigingen van die bevoegdheid gebruik maken.
2. Verenigingsactiviteiten zijn activiteiten die:
a. redelijkerwijs nodig zijn voor het goed functioneren van de vereniging en haar organen;
b. gebruikelijk zijn in een actief functionerende vereniging om de band met en tussen de leden te versterken; of
c. in de vorm van evenementen ondersteunend zijn aan het uitdragen van de missie van de vereniging.
3. Onder verenigingsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid worden ook verstaan activiteiten van een stichting die samenwerkingsomroep is en die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, heeft verkregen, en welke activiteiten:
a. redelijkerwijs nodig zijn voor het goed functioneren van de stichting en haar organen;
b. gebruikelijk zijn in een actief functionerende stichting om de band met en tussen de contribuanten te versterken; of
c. in de vorm van evenementen ondersteunend zijn aan het uitdragen van de missie van de stichting.
4. De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten gebruiken voor eigen verenigingsactiviteiten als bedoeld in het tweede lid, voor zover de omroepverenigingen van die bevoegdheid gebruik maken.