BWBR0024902
Geldig vanaf 2014-07-12
Artikel 8.7
Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen
Artikel 8.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien: a. ten laste van de Staat een garantstelling, borgstelling, verzekering of herverzekering voor een kredietovereenkomst voor de bouw van hetzelfde schip is afgegeven; b. de contractprijs minder dan € 3.000.000 of meer dan € 100.000.000 bedraagt; c. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van de bouw van het schip; d. het kredietbedrag meer dan 80 procent van de contractprijs betreft; e. de kredietovereenkomst ten aanzien van het kredietbedrag een looptijd heeft van meer dan 36 maanden of de looptijd van de kredietovereenkomst langer is dan de termijn voor de bouw en technische-/financiële oplevering van het schip; f. de financier op het moment van het verstrekken van het kredietbedrag waarvoor de Staat garant staat een lopende financieringsfaciliteit verlaagt; g. de financier onvoldoende naar normaal bankgebruik te vestigen zekerheden heeft gevestigd of zal vestigen bij de verstrekking van het kredietbedrag aan de scheepswerf; h. door de verlening van de garantstelling het totaal van de op grond van dit hoofdstuk verleende garantstellingen ten behoeve van de scheepswerf of van de groep, waartoe deze scheepswerf behoort, meer zou bedragen dan 30 procent van het subsidieplafond; i. gegronde vrees bestaat dat de scheepswerf zich in financiële moeilijkheden bevindt; j. de rentabiliteits- en continuïteitsperpectieven van de scheepswerf onvoldoende bevredigend zijn; k. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de scheepswerf de capaciteiten heeft om de bouw van het schip naar behoren uit te voeren; l. uit het contract tussen de opdrachtgever en de scheepswerf die de opdracht zal uitvoeren niet blijkt dat de opdrachtgever, ter zake van de opdracht waarvoor de scheepswerf een kredietovereenkomst heeft afgesloten, voorafgaand aan een uitbetaling van het krediet op grond van de kredietovereenkomst, een of meer aanbetalingen doet ter hoogte van ten minste 5 procent van de contractprijs; m. uit het contract tussen de opdrachtgever en de scheepswerf die de opdracht zal uitvoeren niet blijkt dat de aanbetaling door de opdrachtgever, ter zake van de opdracht waarvoor de scheepswerf een kredietovereenkomst heeft afgesloten, oploopt tot ten minste 20 procent van de contractprijs tot aflevering van het schip; n. van de bouw van het schip onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn. 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 07-03-2013