BWBR0024779
Geldig vanaf 2010-10-01
Artikel 3.12
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
1. Het bevoegd gezag neemt bij de toepassing van de <a href="/wet/BWBR0005537" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">afdelingen 3.4</a>en <a href="/wet/BWBR0005537" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3.6 van de Algemene wet bestuursrecht</a>het bepaalde in de volgende leden en de artikelen 3.13en 3.14in acht.
2. Een kennisgeving als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:12</a>of <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:44" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:44, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>worden, indien toepassing is gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, gezonden aan diegenen die in de kadastrale registratie staan vermeld als eigenaar van de in het ontwerpbesluit begrepen gronden of als beperkt gerechtigde op die gronden, voor zover dat nodig is met het oog op de toepassing van <a href="/wet/BWBR0001842/artikel/85" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 85 van de onteigeningswet</a>.
3. In gevallen waarin een ander bestuursorgaan dan het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is, is de ten behoeve van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerpbesluit aan te wijzen locatie, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0004287/artikel/13" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 13, eerste lid, van de Bekendmakingswet</a>gelegen in de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd.
4. Het bevoegd gezag zendt het orgaan dat bevoegd is een verklaring te geven en in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen de daarbij aangewezen bestuursorganen het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerpbesluit, alsmede een afschrift van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning.
5. Eenieder kan zienswijzen bij het bevoegd gezag naar voren brengen. Voor zover een ontwerpbesluit zijn grondslag vindt in een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.13, tweede lid, die betrekking heeft op een daarbij concreet aangegeven plaats, kunnen zienswijzen daarop geen betrekking hebben.
6. Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2.26kan worden bepaald dat in daarbij aangewezen categorieën gevallen een andere, daarbij aan te geven termijn geldt voor het uitbrengen van advies, dan die bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:16" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht</a>.
7. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>vangt de beslistermijn, bedoeld in dat lid, aan op de dag na de datum waarop het orgaan, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, de aanvraag heeft ontvangen.
8. De in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>bedoelde termijn voor verlenging van de termijn waarbinnen het bevoegd gezag op de aanvraag beslist, bedraagt ten hoogste zes weken. De termijn waarbinnen het bevoegd gezag op de aanvraag beslist, kan ten hoogste eenmaal worden verlengd. De verlenging en de duur daarvan wordt, met inachtneming van de in artikel 3:18, tweede lid, bedoelde termijn van acht weken, gemotiveerd aan de aanvrager medegedeeld. <a href="/wet/BWBR0026759/artikel/31" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 31, vierde lid, van de Dienstenwet</a>is niet van toepassing.
2. Een kennisgeving als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:12</a>of <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:44" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:44, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>worden, indien toepassing is gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, gezonden aan diegenen die in de kadastrale registratie staan vermeld als eigenaar van de in het ontwerpbesluit begrepen gronden of als beperkt gerechtigde op die gronden, voor zover dat nodig is met het oog op de toepassing van <a href="/wet/BWBR0001842/artikel/85" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 85 van de onteigeningswet</a>.
3. In gevallen waarin een ander bestuursorgaan dan het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is, is de ten behoeve van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerpbesluit aan te wijzen locatie, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0004287/artikel/13" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 13, eerste lid, van de Bekendmakingswet</a>gelegen in de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd.
4. Het bevoegd gezag zendt het orgaan dat bevoegd is een verklaring te geven en in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen de daarbij aangewezen bestuursorganen het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerpbesluit, alsmede een afschrift van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning.
5. Eenieder kan zienswijzen bij het bevoegd gezag naar voren brengen. Voor zover een ontwerpbesluit zijn grondslag vindt in een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.13, tweede lid, die betrekking heeft op een daarbij concreet aangegeven plaats, kunnen zienswijzen daarop geen betrekking hebben.
6. Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2.26kan worden bepaald dat in daarbij aangewezen categorieën gevallen een andere, daarbij aan te geven termijn geldt voor het uitbrengen van advies, dan die bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:16" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht</a>.
7. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>vangt de beslistermijn, bedoeld in dat lid, aan op de dag na de datum waarop het orgaan, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, de aanvraag heeft ontvangen.
8. De in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>bedoelde termijn voor verlenging van de termijn waarbinnen het bevoegd gezag op de aanvraag beslist, bedraagt ten hoogste zes weken. De termijn waarbinnen het bevoegd gezag op de aanvraag beslist, kan ten hoogste eenmaal worden verlengd. De verlenging en de duur daarvan wordt, met inachtneming van de in artikel 3:18, tweede lid, bedoelde termijn van acht weken, gemotiveerd aan de aanvrager medegedeeld. <a href="/wet/BWBR0026759/artikel/31" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 31, vierde lid, van de Dienstenwet</a>is niet van toepassing.