1.
Artikel 7, eerste lid, eerste volzin, en
artikel 12a van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993is niet van toepassing op rijinstructeurs die in het bezit zijn van een voor de inwerkingtreding van deze wet door het instituut afgegeven certificaat of instructeursbewijs, als bedoeld in
artikel 9, zesde lid, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993, zoals deze gold voor de inwerkingtreding van deze wet.
2. Het instituut verleent aan degene die op het moment van inwerkingtreding van deze wet deelneemt aan een examen rijinstructeur een certificaat als bedoeld in
artikel 13, onderdeel b, als deze blijkens een door het instituut afgenomen examen voldoet aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in
artikel 9, tweede lid, onderdeel a, zoals dit artikelonderdeel en deze eisen golden voor de inwerkingtreding van deze wet.
3. In afwijking van de
artikelen 9en
13 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993verleent het instituut aan degene die rijonderricht geeft en van wie de geldigheid van het certificaat in de eerste twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze wet afloopt, een certificaat dat na die datum van afloop twaalf aaneengesloten maanden geldig is.
4. Degene die rijonderricht geeft en van wie de geldigheid van het certificaat tussen de eerste twaalf en vierentwintig maanden na de inwerkingtreding van deze wet afloopt, volgt voor de datum waarop het certificaat afloopt éénmaal theoretische bijscholing.
5. Degene die rijonderricht geeft en van wie de geldigheid van het certificaat tussen de eerste vierentwintig en zesendertig maanden na de inwerkingtreding van deze wet afloopt, volgt voor de datum waarop het certificaat afloopt éénmaal theoretische en éénmaal praktische bijscholing.
6. Degene die rijonderricht geeft en van wie de geldigheid van het certificaat tussen de eerste zesendertig en achtenveertig maanden na de inwerkingtreding van deze wet afloopt, volgt voor de datum waarop het certificaat afloopt twee maal theoretische bijscholing en éénmaal praktische bijscholing.
7. Degene die rijonderricht geeft en van wie de geldigheid van het certificaat tussen de eerste achtenveertig en zestig maanden na de inwerkingtreding van deze wet afloopt, volgt voor de datum waarop het certificaat afloopt twee maal theoretische bijscholing en twee maal praktische bijscholing.
8. Bij een door het instituut vastgestelde beoordeling van de eerste praktische bijscholing als onvoldoende:
a. volgt de betrokkene in het geval dat het vijfde of zesde lid van toepassing is opnieuw praktische bijscholing, met dien verstande dat in het geval dat ook de beoordeling van de tweede praktische bijscholing onvoldoende is, de geldigheid van het certificaat niet wordt verlengd,
b. volgt de betrokkene in het geval dat het zevende lid van toepassing is en ook de beoordeling van de tweede praktische bijscholing onvoldoende is, een derde praktische bijscholing met dien verstande dat in het geval dat ook de beoordeling van de derde praktische bijscholing onvoldoende is, de geldigheid van het certificaat niet wordt verlengd;
c. in de onder a. en b genoemde gevallen zijn de artikelen 9, eerste lid, onderdelen c en d, 13, aanhef en onderdeel b, en 15, eerste lid, onderdeel e, van overeenkomstige toepassing.
9. Bij een door het instituut vastgestelde beoordeling van de eerste praktische bijscholing als voldoende volgt de betrokkene, in het geval dat het zevende lid van toepassing is en de beoordeling van de tweede praktische bijscholing onvoldoende is, een derde praktische bijscholing met dien verstande dat in het geval dat ook de beoordeling van de derde praktische bijscholing onvoldoende is, de geldigheid van het certificaat niet wordt verlengd.
10.
Artikel 7, eerste lid, en
artikel 12a van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993zijn gedurende vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing op hen die rijonderricht geven, gericht op de rijvaardigheid of geschiktheid van rijbewijshouders.