BWBR0024379
Geldig vanaf 2008-11-01
Artikel 2.12.2a
Besluit brandveilig gebruik bouwwerken
1. Een gebruiksmelding langs elektronische weg wordt gedaan met gebruikmaking van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de gebruiksmelding beschikbaar is via de landelijke voorziening, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0024779/artikel/7.6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 7.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</a>. Op die gebruiksmelding is <a href="/wet/BWBR0027464/artikel/4.3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4.3, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht</a>van overeenkomstige toepassing.
2. Een gebruiksmelding anders dan langs elektronische weg wordt gedaan met gebruikmaking van het formulier, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0027464/artikel/4.2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht</a>. Indien de gebruiksmelding tegelijkertijd met de indiening van een aanvraag om vergunning krachtens de <a href="/wet/BWBR0024779" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</a>wordt gedaan, wordt van de gebruiksmelding en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden hetzelfde aantal exemplaren ingediend als op grond van artikel 4.2, tweede en derde lid, van het Besluit omgevingsrecht van de aanvraag om vergunning en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden wordt ingediend. Indien de gebruiksmelding afzonderlijk wordt gedaan, worden deze en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden in drievoud ingediend.
3. Bij de gebruiksmelding, bedoeld in artikel 2.12.1, eerste lid, onderdeel a, verstrekt de melder voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is gegevens en bescheiden waarmee de gelijkwaardigheid voldoende aannemelijk wordt gemaakt.
4. Bij de gebruiksmelding, bedoeld in artikel 2.12.1, eerste lid, onderdelen b en c, verstrekt de melder voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is om aannemelijk te maken dat het gebruik voldoet aan de bij of krachtens de wet geldende eisen een situatieschets en een plattegrondtekening. De eisen die krachtens <a href="/wet/BWBR0027464/artikel/4.4" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht</a>worden gesteld aan de bij een aanvraag om vergunning voor brandveilig gebruik als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0024779/artikel/2.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</a>te verstrekken situatieschets en plattegrondtekening zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Bij een gebruiksmelding voor tijdelijk of seizoensgebonden gebruik van een bouwwerk wordt door de melder aangegeven voor welke periode of voor welke tijdvakken in een kalenderjaar het gebruik is beoogd.
6. Een gebruiksmelding kan betrekking hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.
2. Een gebruiksmelding anders dan langs elektronische weg wordt gedaan met gebruikmaking van het formulier, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0027464/artikel/4.2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht</a>. Indien de gebruiksmelding tegelijkertijd met de indiening van een aanvraag om vergunning krachtens de <a href="/wet/BWBR0024779" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</a>wordt gedaan, wordt van de gebruiksmelding en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden hetzelfde aantal exemplaren ingediend als op grond van artikel 4.2, tweede en derde lid, van het Besluit omgevingsrecht van de aanvraag om vergunning en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden wordt ingediend. Indien de gebruiksmelding afzonderlijk wordt gedaan, worden deze en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden in drievoud ingediend.
3. Bij de gebruiksmelding, bedoeld in artikel 2.12.1, eerste lid, onderdeel a, verstrekt de melder voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is gegevens en bescheiden waarmee de gelijkwaardigheid voldoende aannemelijk wordt gemaakt.
4. Bij de gebruiksmelding, bedoeld in artikel 2.12.1, eerste lid, onderdelen b en c, verstrekt de melder voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is om aannemelijk te maken dat het gebruik voldoet aan de bij of krachtens de wet geldende eisen een situatieschets en een plattegrondtekening. De eisen die krachtens <a href="/wet/BWBR0027464/artikel/4.4" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht</a>worden gesteld aan de bij een aanvraag om vergunning voor brandveilig gebruik als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0024779/artikel/2.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</a>te verstrekken situatieschets en plattegrondtekening zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Bij een gebruiksmelding voor tijdelijk of seizoensgebonden gebruik van een bouwwerk wordt door de melder aangegeven voor welke periode of voor welke tijdvakken in een kalenderjaar het gebruik is beoogd.
6. Een gebruiksmelding kan betrekking hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.