1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
2. Indien het verslag, bedoeld in het eerste lid, niet binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal is gezonden en de termijnen, bedoeld in de
artikelen 10a van de Wet werk en bijstand,
38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemersen
38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigenreeds zijn verstreken, kan het college van burgemeester en wethouders die termijnen verlengen tot een half jaar nadat de Staten-Generaal het verslag heeft ontvangen.