BWBR0024168
Artikel II
Rijkswet tot wijziging Rijkswet op het Nederlanderschap (invoering verklaring verbondenheid [...] verkrijging Nederlanderschap na erkenning)
1 Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt het
Nederlanderschap door een bevestiging als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap
a. de vreemdeling die vóór de inwerkingtreding van deze Rijkswet maar op of na 1 april
2003, vóór de leeftijd van zeven jaar is erkend door een Nederlander,
b. de vreemdeling die als minderjarige vóór de inwerkingtreding van deze Rijkswet maar
op of na 1 april 2003, op de leeftijd van zeven jaar of ouder door een Nederlander
is erkend, indien hij bij het afleggen van de verklaring aantoont dat de erkenner
zijn biologische vader is,
c. de vreemdeling die als minderjarige vóór de inwerkingtreding van deze Rijkswet maar
op of na 1 april 2003 door wettiging het kind is geworden van een Nederlander.
2
Artikel 6, derde tot en met negende lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid genoemde erkende of gewettigde
personen, met dien verstande, dat op de in het achtste lid bedoelde minderjarige niet
het vereiste van toelating en hoofdverblijf in Nederland, de Nederlandse Antillen
of Aruba van toepassing is en hij niet gehouden is de bereidverklaring en de verklaring
van verbondenheid af te leggen.
3 Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regelen worden
gesteld met betrekking tot het in het eerste lid onder b bedoelde bewijs.
4 Voor de toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap wordt onder familierechtelijke betrekking mede gerekend de erkenning en wettiging
als bedoeld in het eerste lid.
Nederlanderschap door een bevestiging als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap
a. de vreemdeling die vóór de inwerkingtreding van deze Rijkswet maar op of na 1 april
2003, vóór de leeftijd van zeven jaar is erkend door een Nederlander,
b. de vreemdeling die als minderjarige vóór de inwerkingtreding van deze Rijkswet maar
op of na 1 april 2003, op de leeftijd van zeven jaar of ouder door een Nederlander
is erkend, indien hij bij het afleggen van de verklaring aantoont dat de erkenner
zijn biologische vader is,
c. de vreemdeling die als minderjarige vóór de inwerkingtreding van deze Rijkswet maar
op of na 1 april 2003 door wettiging het kind is geworden van een Nederlander.
2
Artikel 6, derde tot en met negende lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid genoemde erkende of gewettigde
personen, met dien verstande, dat op de in het achtste lid bedoelde minderjarige niet
het vereiste van toelating en hoofdverblijf in Nederland, de Nederlandse Antillen
of Aruba van toepassing is en hij niet gehouden is de bereidverklaring en de verklaring
van verbondenheid af te leggen.
3 Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regelen worden
gesteld met betrekking tot het in het eerste lid onder b bedoelde bewijs.
4 Voor de toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap wordt onder familierechtelijke betrekking mede gerekend de erkenning en wettiging
als bedoeld in het eerste lid.