1. De kaarten, bedoeld in de artikelen 1 tot en met 8, worden ingericht met inachtneming van de volgende regels:
a. de kaarten worden getekend op een heldere en duidelijke ondergrond, waarop de belangrijkste wegen en waterwegen zijn aangegeven;
b. de begrenzing van het gebied waarop de structuurvisie, het bestemmingsplan, het voorbereidingsbesluit, de beheersverordening, de provinciale verordening, de aanwijzing of de algemene maatregel van bestuur betrekking heeft, wordt met een duidelijke lijn op de kaarten aangegeven;
c. uit de kaarten van een bestemmingsplan, bij een beheersverordening of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de wet, waarbij toepassing is gegeven aan het derde lid van dat artikel, of een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet, waarbij toepassing is gegeven aan het derde lid van dat artikel, moet blijken de aansluiting van het in het plan, de verordening of de algemene maatregel van bestuur begrepen gebied aan het daaromheen gelegen gebied;
d. indien een bestemmingsplan of een beheersverordening uit meer kaarten bestaat, moet uit een overzichtskaart de aansluiting van de kaarten onderling en de aansluiting aan het daaromheen gelegen gebied blijken;
e. op de kaarten worden de schaal en de noordpijl aangegeven;
f. de kaarten voor een voorbereidingsbesluit, bestemmingsplan, een beheersverordening, een provinciale verordening als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de wet, waarbij toepassing is gegeven aan het derde lid van dat artikel, of een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet, waarbij toepassing is gegeven aan het derde lid van dat artikel, worden vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 10.000, tenzij de omvang van het gebied of de aard van het plan of de verordening een andere schaal noodzakelijk maakt;
g. voor zover in een bestemmingsplan gronden zijn begrepen waarvan de bestemming in de naaste toekomst voor verwezenlijking in aanmerking komt, worden deze gedeelten vervat in een of meer kaarten op een schaal van ten minste 1 op 2500, waarop voorts de kadastrale grenzen, sectie en nummers van de in deze gedeelten van het plan begrepen percelen zijn aangegeven.
2. De kaarten moeten op duidelijke en overzichtelijke wijze worden uitgevoerd. Zij moeten voorts van duurzaam materiaal vervaardigd worden en goed vermenigvuldigbaar zijn.