1. De gebieden, bedoeld in
artikel 23 van de wet, zijn:
a. de luchthavens Schiphol, Rotterdam, Lelystad, Maastricht, Eelde, Leeuwarden, Volkel, Eindhoven, De Peel, Gilze Rijen, Woensdrecht en De Kooy;
b. de plaatsen van vestiging van de inrichtingen die beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet;
c. de marinehavens van Den Helder en Vlissingen;
d. de plaatsen van vestiging van militaire zend- en ontvangstinstallaties die naar hun aard een bijzondere vorm van informatiebeveiliging vereisen.
2. In dit artikel wordt onder gebiedsbeheerder verstaan:
a. voor de in het eerste lid, onder a, bedoelde burgerluchthavens: de exploitant van de luchthaven;
b. voor de in het eerste lid, onder a, bedoelde militaire luchthavens: Onze Minister van Defensie;
c. voor de in het eerste lid, onder b, bedoelde gebieden: de houder van de vergunning; en
d. voor de in het eerste lid, onder c en d, bedoelde gebieden: Onze Minister van Defensie.
3. De gebiedsbeheerder doet bij de Dienst opgave van de begrenzing van de gebieden, bedoeld in het eerste lid, waarover hij het beheer voert en stelt onverwijld de Dienst in kennis van wijzigingen van die begrenzing.
4. Indien een oriëntatieverzoek of graafmelding betrekking heeft op gebied als bedoeld in het eerste lid:
a. verstrekt de gebiedsbeheerder geen liggingsgegevens over netten die hij beheert aan de Dienst;
b. verstrekt de Dienst gebiedsinformatie onverwijld, doch uiterlijk binnen twee werkdagen na verzending van het graafbericht, aan de gebiedsbeheerder;
c. indien de gebiedsbeheerder niet degene is die het oriëntatieverzoek of de graafmelding heeft ingediend, verstrekt hij onverwijld de van de Dienst ontvangen gebiedsinformatie en beheerdersinformatie over eigen netten die zijn gelegen in de oriëntatiepolygoon of de graafpolygoon aan degene die het oriëntatieverzoek of de graafmelding heeft gedaan, voor zover dit naar zijn oordeel noodzakelijk is voor het zorgvuldig verrichten van de graafwerkzaamheden en geen afbreuk doet aan het vereiste niveau van informatiebeveiliging.
5. Op de verstrekking van informatie door de gebiedsbeheerder is
artikel 11, derde lid, en zijn de krachtens
artikel 21en
22 van de wetgestelde regels van overeenkomstige toepassing.