1. Bij de vaststelling of sprake is van een bijzonder geval in de zin van
artikel 52, derde lid, van de wet wordt, in geval de ontheffing wordt aangevraagd door een landelijke publieke omroepinstelling, gekeken of er sprake is van een goed doel.
2. Bij de vaststelling of sprake is van een bijzonder geval wordt, in geval de ontheffing wordt aangevraagd door een lokale of regionale omroepinstelling in verband met een liefdadigheidsactie, gekeken of er sprake is van een goed doel en of de actie in beginsel een kleinschalig karakter heeft.
3. Indien de instelling die zendtijd heeft verkregen naar genoegen van het Commissariaat heeft aangetoond dat sprake is van een bijzonder geval in de zin van het eerste of tweede lid worden aan de ontheffing in ieder geval de voorwaarden verbonden dat:
a. de ontheffing alleen geldt voor het uit te zenden programmaonderdeel in het kader van de in het eerste respectievelijk tweede lid bedoelde liefdadigheidsactie;
b. in het betreffende programmaonderdeel alleen de handelsnamen van bedrijven of instellingen worden getoond of vermeld die een bijdrage leveren aan de in het eerste respectievelijk tweede lid bedoelde liefdadigheidsactie;
c. het tonen of vermelden van de handelsnamen van de bedrijven of instellingen zoals bedoeld in onderdeel b van dit artikellid, gezien de context waarin dit gebeurt, niet op overdreven of overdadige wijze plaatsvindt of er specifieke aanprijzingen worden gedaan;
d. er geen producten of diensten van de bedrijven of instellingen zoals bedoeld in onderdeel b van dit artikellid zullen worden getoond of vermeld.
4. De naar aanleiding van het uitgezonden programmaonderdeel gegenereerde inkomsten van de actie dienen rechtstreeks ten goede te komen a an het betreffende goede doel.