BWBR0022762
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 3.76
Activiteitenbesluit milieubeheer
1. Bij het lozen van afvalwater als gevolg van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan in een kas, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vijfde lid.
2. Lozen in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan, indien:
a. het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool, waarop geloosd kan worden en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten en geloosd meer dan 40 meter bedraagt, of
b. het afvalwater afkomstig is van een teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden gebruikt, van een ruimte waarin geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden toegepast of van een ruimte waarin uitsluitend sprake is van biologische productiemethoden, en
c. in het te lozen afvalwater, bedoeld in de onderdelen a en b: 1°. het gehalte aan onopgeloste stoffen ten hoogste 100 milligram per liter bedraagt,
2°. het gehalte aan chemisch zuurstof verbruik ten hoogste 300 milligram per liter bedraagt, en
3°. het gehalte aan biochemisch zuurstof verbruik ten hoogste 60 milligram per liter bedraagt.
1°. het gehalte aan onopgeloste stoffen ten hoogste 100 milligram per liter bedraagt,
2°. het gehalte aan chemisch zuurstof verbruik ten hoogste 300 milligram per liter bedraagt, en
3°. het gehalte aan biochemisch zuurstof verbruik ten hoogste 60 milligram per liter bedraagt.
3. De afstand, genoemd in het tweede lid, onderdeel a, wordt berekend:
a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
4. Bij het lozen van afvalwater in een vuilwaterriool, bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen ten hoogste 300 milligram per liter.
5. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
6. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
2. Lozen in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan, indien:
a. het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool, waarop geloosd kan worden en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten en geloosd meer dan 40 meter bedraagt, of
b. het afvalwater afkomstig is van een teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden gebruikt, van een ruimte waarin geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden toegepast of van een ruimte waarin uitsluitend sprake is van biologische productiemethoden, en
c. in het te lozen afvalwater, bedoeld in de onderdelen a en b: 1°. het gehalte aan onopgeloste stoffen ten hoogste 100 milligram per liter bedraagt,
2°. het gehalte aan chemisch zuurstof verbruik ten hoogste 300 milligram per liter bedraagt, en
3°. het gehalte aan biochemisch zuurstof verbruik ten hoogste 60 milligram per liter bedraagt.
1°. het gehalte aan onopgeloste stoffen ten hoogste 100 milligram per liter bedraagt,
2°. het gehalte aan chemisch zuurstof verbruik ten hoogste 300 milligram per liter bedraagt, en
3°. het gehalte aan biochemisch zuurstof verbruik ten hoogste 60 milligram per liter bedraagt.
3. De afstand, genoemd in het tweede lid, onderdeel a, wordt berekend:
a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
4. Bij het lozen van afvalwater in een vuilwaterriool, bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen ten hoogste 300 milligram per liter.
5. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
6. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.