BWBR0022762
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 3.51
Activiteitenbesluit milieubeheer
1. Een mestbassin is gelegen op een afstand van ten minste 100 meter van een geurgevoelig object.
2. In afwijking van het eerste lid is een mestbassin gelegen op een afstand van ten minste 50 meter, indien het geurgevoelig object deel uitmaakt van een veehouderij.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid bedragen de afstanden, genoemd in die leden 50 meter onderscheidenlijk 25 meter, indien de gezamenlijke oppervlakte van de in de inrichting aanwezige bassins minder bedraagt dan 350 vierkante meter.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op een mestbassin dat is opgericht voor 1 januari 2013 en dat op grond van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0024779/artikel/2.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</a>, dan wel op grond van het <a href="/wet/BWBR0020112" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Besluit landbouw milieubeheer</a>of het <a href="/wet/BWBR0004990" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Besluit mestbassins milieubeheer</a>op een kleinere afstand is gelegen dan de afstand die zou gelden op grond van het eerste tot en met derde lid, de afstand tot een geurgevoelig object niet is afgenomen en verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
5. Indien het vierde lid van toepassing is:
a. treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken, en
b. geeft degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.
6. Een mestbassin is gelegen:
a. op een afstand van ten minste 150 meter van een zeer kwetsbaar gebied, indien de gezamenlijke oppervlakte van de mestbassins ten hoogste 350 vierkante meter bedraagt, of
b. op een afstand van ten minste 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied, indien de gezamenlijke oppervlakte van de mestbassins ten minste 350 vierkante meter bedraagt.
7. Het zesde lid, onderdeel a, is niet van toepassing op:
a. een mestbassin dat is opgericht voor 1 februari 1991, en
b. een uitbreiding van een veehouderij die is opgericht voor 1 februari 1991 met een mestbassin,
indien de in dat onderdeel genoemde afstand tot een zeer kwetsbaar gebied niet of redelijkerwijs niet in acht kan worden genomen.
8. Het zesde lid is niet van toepassing, indien het mestbassin is opgericht in overeenstemming met dat lid en het mestbassin na het tijdstip van oprichting is komen te liggen binnen een van de afstanden van een zeer kwetsbaar gebied, genoemd in dat lid.
9. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot een geval als bedoeld in het zevende lid, voor zover de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een kleinere afstand tot een zeer kwetsbaar gebied vaststellen.
10. De afstanden, genoemd in het eerste tot en met zesde lid, worden gemeten vanaf de buitenzijde van het mestbassin tot de dichtstbijzijnde gevel van een geurgevoelig object dan wel tot de grens van een zeer kwetsbaar gebied.
11. Het eerste tot en met tiende lid is niet van toepassing op een mestkelder.
12. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, onverminderd artikel 2.7a, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan:
a. de situering van het mestbassin;
b. het afdekken van het mestbassin, of
c. de frequentie en het tijdstip van de aan- en afvoer van de opgeslagen drijfmest en digestaat.
2. In afwijking van het eerste lid is een mestbassin gelegen op een afstand van ten minste 50 meter, indien het geurgevoelig object deel uitmaakt van een veehouderij.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid bedragen de afstanden, genoemd in die leden 50 meter onderscheidenlijk 25 meter, indien de gezamenlijke oppervlakte van de in de inrichting aanwezige bassins minder bedraagt dan 350 vierkante meter.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op een mestbassin dat is opgericht voor 1 januari 2013 en dat op grond van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0024779/artikel/2.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</a>, dan wel op grond van het <a href="/wet/BWBR0020112" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Besluit landbouw milieubeheer</a>of het <a href="/wet/BWBR0004990" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Besluit mestbassins milieubeheer</a>op een kleinere afstand is gelegen dan de afstand die zou gelden op grond van het eerste tot en met derde lid, de afstand tot een geurgevoelig object niet is afgenomen en verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
5. Indien het vierde lid van toepassing is:
a. treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken, en
b. geeft degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.
6. Een mestbassin is gelegen:
a. op een afstand van ten minste 150 meter van een zeer kwetsbaar gebied, indien de gezamenlijke oppervlakte van de mestbassins ten hoogste 350 vierkante meter bedraagt, of
b. op een afstand van ten minste 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied, indien de gezamenlijke oppervlakte van de mestbassins ten minste 350 vierkante meter bedraagt.
7. Het zesde lid, onderdeel a, is niet van toepassing op:
a. een mestbassin dat is opgericht voor 1 februari 1991, en
b. een uitbreiding van een veehouderij die is opgericht voor 1 februari 1991 met een mestbassin,
indien de in dat onderdeel genoemde afstand tot een zeer kwetsbaar gebied niet of redelijkerwijs niet in acht kan worden genomen.
8. Het zesde lid is niet van toepassing, indien het mestbassin is opgericht in overeenstemming met dat lid en het mestbassin na het tijdstip van oprichting is komen te liggen binnen een van de afstanden van een zeer kwetsbaar gebied, genoemd in dat lid.
9. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot een geval als bedoeld in het zevende lid, voor zover de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een kleinere afstand tot een zeer kwetsbaar gebied vaststellen.
10. De afstanden, genoemd in het eerste tot en met zesde lid, worden gemeten vanaf de buitenzijde van het mestbassin tot de dichtstbijzijnde gevel van een geurgevoelig object dan wel tot de grens van een zeer kwetsbaar gebied.
11. Het eerste tot en met tiende lid is niet van toepassing op een mestkelder.
12. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, onverminderd artikel 2.7a, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan:
a. de situering van het mestbassin;
b. het afdekken van het mestbassin, of
c. de frequentie en het tijdstip van de aan- en afvoer van de opgeslagen drijfmest en digestaat.