BWBR0022762
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 3.138
Activiteitenbesluit milieubeheer
1. Het in een oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater afkomstig van het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken is uitsluitend toegestaan, indien daarbij ten minste wordt voldaan aan de eisen, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het zesde lid.
2. Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens <a href="/wet/BWBR0027464/artikel/5.4" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht</a>, worden aangemerkt als stoffen waarvoor een:
a. saneringsinspanning Z of A geldt, of
b. saneringsinspanning B geldt, tenzij het afvalwater wordt gezuiverd door middel van biologische zuivering.
3. In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daar niet tegen verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen van afvalwater als bedoeld in dat lid, onder a of b, toestaan. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Onverminderd het tweede en derde lid voldoet het te lozen afvalwater in enig steekmonster aan de volgende eisen:
a) het biochemisch zuurstofverbruik bedraagt ten hoogste 30 mg/l;
b) het chemisch zuurstofverbruik bedraagt ten hoogste 250 mg/l;
c) de totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen bedraagt ten hoogste 100 mg/l;
d) het gehalte aan zink bedraagt ten hoogste 1 mg/l;
e) het gehalte aan koper bedraagt ten hoogste 1 mg/l;
f) het gehalte aan totaalfosfor bedraagt ten hoogste 2 mg/l, en
g) het gehalte aan totaalstikstof bedraagt ten hoogste 15 mg/l.
5. In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift:
a. lagere gehaltes of grenswaarden vaststellen indien het belang van het milieu daartoe noodzaakt, of
b. hogere gehaltes of grenswaarden vaststellen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
2. Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens <a href="/wet/BWBR0027464/artikel/5.4" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht</a>, worden aangemerkt als stoffen waarvoor een:
a. saneringsinspanning Z of A geldt, of
b. saneringsinspanning B geldt, tenzij het afvalwater wordt gezuiverd door middel van biologische zuivering.
3. In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daar niet tegen verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen van afvalwater als bedoeld in dat lid, onder a of b, toestaan. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Onverminderd het tweede en derde lid voldoet het te lozen afvalwater in enig steekmonster aan de volgende eisen:
a) het biochemisch zuurstofverbruik bedraagt ten hoogste 30 mg/l;
b) het chemisch zuurstofverbruik bedraagt ten hoogste 250 mg/l;
c) de totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen bedraagt ten hoogste 100 mg/l;
d) het gehalte aan zink bedraagt ten hoogste 1 mg/l;
e) het gehalte aan koper bedraagt ten hoogste 1 mg/l;
f) het gehalte aan totaalfosfor bedraagt ten hoogste 2 mg/l, en
g) het gehalte aan totaalstikstof bedraagt ten hoogste 15 mg/l.
5. In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift:
a. lagere gehaltes of grenswaarden vaststellen indien het belang van het milieu daartoe noodzaakt, of
b. hogere gehaltes of grenswaarden vaststellen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.