BWBR0022762
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 3.108
Activiteitenbesluit milieubeheer
1. Het composteren vindt plaats op ten minste:
a. 100 meter afstand tot een geurgevoelig object, dat binnen de bebouwde kom is gelegen, of
b. 50 meter afstand tot een geurgevoelig object, dat buiten de bebouwde kom is gelegen.
2. De afstanden, genoemd in het eerste lid, worden gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde punt van de locatie waar het composteren plaatsvindt.
3. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, onverminderd artikel 2.7a, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan:
a. de situering van de composteringshoop, of
b. het afdekken van de composteringshoop.
4. Het eerste lid is niet van toepassing indien het composteren plaatsvindt binnen een van de afstanden, bedoeld in dat lid, het composteren reeds plaatsvond voor 1 januari 2013 en verplaatsing redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
5. Indien het vierde lid van toepassing is:
a. treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken, en
b. geeft degene die de inrichting drijft, op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.
a. 100 meter afstand tot een geurgevoelig object, dat binnen de bebouwde kom is gelegen, of
b. 50 meter afstand tot een geurgevoelig object, dat buiten de bebouwde kom is gelegen.
2. De afstanden, genoemd in het eerste lid, worden gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde punt van de locatie waar het composteren plaatsvindt.
3. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, onverminderd artikel 2.7a, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan:
a. de situering van de composteringshoop, of
b. het afdekken van de composteringshoop.
4. Het eerste lid is niet van toepassing indien het composteren plaatsvindt binnen een van de afstanden, bedoeld in dat lid, het composteren reeds plaatsvond voor 1 januari 2013 en verplaatsing redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
5. Indien het vierde lid van toepassing is:
a. treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken, en
b. geeft degene die de inrichting drijft, op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.