BWBR0022762
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 2.8
Activiteitenbesluit milieubeheer
1. Indien bij ministeriële regeling op grond van artikel 1.7is bepaald dat daarbij aangegeven maatregelen ter bescherming van het milieu kunnen worden toegepast maar degene die de inrichting drijft op een andere wijze voldoet aan de eisen ten aanzien van emissies naar de lucht van stoffen die bij of krachtens de hoofdstukken 3, 4of 5zijn gesteld:
a. wordt op verzoek van het bevoegd gezag eenmalig aangetoond dat de grensmassastromen zoals bedoeld in artikel 2.5 en in de hoofdstukken 3, 4 of 5 vanwege het in werking zijn van de inrichting, niet overschreden worden, of
b. wordt op verzoek van het bevoegd gezag, indien één of meer grensmassastromen als bedoeld in de hoofdstukken 3, 4, en 5 worden overschreden, eenmalig aangetoond of wordt voldaan aan de emissie-eisen dan wel een op grond van artikel 2.7, eerste lid, gestelde eis ten aanzien van stoffen waarvoor in de artikelen 3.38, 3.43, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.54a, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.94, 4.94g, 4.103a, 4.103d, 4.119 en 4.125, eisen ten aanzien van emissies naar de lucht zijn gesteld door middel van een emissiemeting, dan wel door middel van een emissieberekening mits dit is goedgekeurd door het bevoegd gezag, met uitzondering van bronnen waarvan is aangetoond dat de massastroom lager is dan de vrijstellingsgrens, bedoeld in artikel 2.6.
2. Het eerste lid, onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing op een verandering van de inrichting indien de verandering naar verwachting zal leiden tot een significante toename van de emissie.
3. Indien op grond van artikel 2.5en artikel 2.6emissiegrenswaarden gelden dan worden de emissies gecontroleerd op basis van een controleregime als bedoeld in tabel 2.8.
[tabel]
4. De controle van emissies wordt gebaseerd op de grootte van de storingsfactor, bedoeld in tabel 2.8. Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift van de in tabel 2.8 opgenomen controlevormen afwijken.
5. Voor zover de controlevorm een ERP voorschrijft, toont de drijver van de inrichting aan:
a. welke ERP’s dienen om de emissies van een specifieke component te controleren;
b. binnen welke grenzen van de waarden van de ERP’s wordt voldaan aan de emissie-eisen.
6. De metingen van emissies waarvoor grenswaarden gelden als bedoeld in artikel 2.5en in de hoofdstukken 3en 4worden uitgevoerd door een daartoe geaccrediteerde meetinstantie. Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift hiervan afwijken.
7. Voor de resultaten van emissiemetingen of controle van ERP’s geldt dat:
a. deze worden vastgelegd in een rapport;
b. de resultaten van emissiemetingen worden gerapporteerd bij standaard luchtcondities voor temperatuur en druk, en bij droog afgas;
c. de resultaten van emissiemetingen worden gecorrigeerd voor de meetonzekerheid;
d. emissies van verbrandingsprocessen worden herleid op afgas met een volumegehalte aan zuurstof van: 1°. 6 procent, indien het een stookinstallatie met vaste brandstof betreft;
2°. 3 procent, indien het een stookinstallatie met een gasvormige of vloeibare brandstof betreft, of
3°. het gehalte dat het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift heeft vastgelegd.
1°. 6 procent, indien het een stookinstallatie met vaste brandstof betreft;
2°. 3 procent, indien het een stookinstallatie met een gasvormige of vloeibare brandstof betreft, of
3°. het gehalte dat het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift heeft vastgelegd.
e. het resultaat van afzonderlijke emissiemetingen de emissiegrenswaarde niet mag overschrijden;
f. de daggemiddelde waarde van de emissieconcentratie, bepaald op basis van het resultaat van continu metingen, niet hoger mag zijn dan de emissiegrenswaarde, en
g. geen van de halfuurgemiddelde waarden, als resultaat van continu metingen, hoger mag zijn dan het dubbele van de emissiegrenswaarde.
8. De metingen, bedoeld in het eerste lid, onder b, en in het vierde lid, met inbegrip van berekeningen en bepalingen van ERP’s, de registratie en rapportage van de meting, voldoen, ten behoeve van de bescherming van het milieu, aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
a. wordt op verzoek van het bevoegd gezag eenmalig aangetoond dat de grensmassastromen zoals bedoeld in artikel 2.5 en in de hoofdstukken 3, 4 of 5 vanwege het in werking zijn van de inrichting, niet overschreden worden, of
b. wordt op verzoek van het bevoegd gezag, indien één of meer grensmassastromen als bedoeld in de hoofdstukken 3, 4, en 5 worden overschreden, eenmalig aangetoond of wordt voldaan aan de emissie-eisen dan wel een op grond van artikel 2.7, eerste lid, gestelde eis ten aanzien van stoffen waarvoor in de artikelen 3.38, 3.43, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.54a, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.94, 4.94g, 4.103a, 4.103d, 4.119 en 4.125, eisen ten aanzien van emissies naar de lucht zijn gesteld door middel van een emissiemeting, dan wel door middel van een emissieberekening mits dit is goedgekeurd door het bevoegd gezag, met uitzondering van bronnen waarvan is aangetoond dat de massastroom lager is dan de vrijstellingsgrens, bedoeld in artikel 2.6.
2. Het eerste lid, onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing op een verandering van de inrichting indien de verandering naar verwachting zal leiden tot een significante toename van de emissie.
3. Indien op grond van artikel 2.5en artikel 2.6emissiegrenswaarden gelden dan worden de emissies gecontroleerd op basis van een controleregime als bedoeld in tabel 2.8.
[tabel]
4. De controle van emissies wordt gebaseerd op de grootte van de storingsfactor, bedoeld in tabel 2.8. Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift van de in tabel 2.8 opgenomen controlevormen afwijken.
5. Voor zover de controlevorm een ERP voorschrijft, toont de drijver van de inrichting aan:
a. welke ERP’s dienen om de emissies van een specifieke component te controleren;
b. binnen welke grenzen van de waarden van de ERP’s wordt voldaan aan de emissie-eisen.
6. De metingen van emissies waarvoor grenswaarden gelden als bedoeld in artikel 2.5en in de hoofdstukken 3en 4worden uitgevoerd door een daartoe geaccrediteerde meetinstantie. Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift hiervan afwijken.
7. Voor de resultaten van emissiemetingen of controle van ERP’s geldt dat:
a. deze worden vastgelegd in een rapport;
b. de resultaten van emissiemetingen worden gerapporteerd bij standaard luchtcondities voor temperatuur en druk, en bij droog afgas;
c. de resultaten van emissiemetingen worden gecorrigeerd voor de meetonzekerheid;
d. emissies van verbrandingsprocessen worden herleid op afgas met een volumegehalte aan zuurstof van: 1°. 6 procent, indien het een stookinstallatie met vaste brandstof betreft;
2°. 3 procent, indien het een stookinstallatie met een gasvormige of vloeibare brandstof betreft, of
3°. het gehalte dat het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift heeft vastgelegd.
1°. 6 procent, indien het een stookinstallatie met vaste brandstof betreft;
2°. 3 procent, indien het een stookinstallatie met een gasvormige of vloeibare brandstof betreft, of
3°. het gehalte dat het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift heeft vastgelegd.
e. het resultaat van afzonderlijke emissiemetingen de emissiegrenswaarde niet mag overschrijden;
f. de daggemiddelde waarde van de emissieconcentratie, bepaald op basis van het resultaat van continu metingen, niet hoger mag zijn dan de emissiegrenswaarde, en
g. geen van de halfuurgemiddelde waarden, als resultaat van continu metingen, hoger mag zijn dan het dubbele van de emissiegrenswaarde.
8. De metingen, bedoeld in het eerste lid, onder b, en in het vierde lid, met inbegrip van berekeningen en bepalingen van ERP’s, de registratie en rapportage van de meting, voldoen, ten behoeve van de bescherming van het milieu, aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.