BWBR0022762
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 2.30
Activiteitenbesluit milieubeheer
1. Stoffen of mengsels waaraan een of meer van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F is of zijn toegekend of die van deze aanduidingen moeten zijn voorzien wegens hun gehalte aan vluchtige organische stoffen die krachtens de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld, worden voor zover mogelijk binnen zo kort mogelijke tijd vervangen door naar hun aard minder schadelijke stoffen of mengsels.
2. De emissies van:
a. vluchtige organische stoffen als bedoeld in het eerste lid en
b. gehalogeneerde vluchtige organische stoffen waaraan de gevarenaanduidingen H341 of H351 zijn toegekend, of die van deze aanduidingen moeten zijn voorzien,
overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 2.30 niet. De emissiegrenswaarden gelden voor de totale massa van de betrokken stoffen.
[tabel]
3. Een oplosmiddeleninstallatie waarin twee of meer activiteiten worden verricht die elk de drempelwaarden van tabel 2.28a of tabel 2.28b overschrijden, voldoet:
a. ten aanzien van de stoffen of mengsels, genoemd in het eerste of tweede lid, voor elke activiteit afzonderlijk aan de in die leden vermelde eisen, en
b. ten aanzien van de andere stoffen of mengsels dan bedoeld onder a: 1°. voor elke activiteit afzonderlijk aan artikel 2.29, eerste of tweede lid, of
2°. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde het geval zou zijn.
1°. voor elke activiteit afzonderlijk aan artikel 2.29, eerste of tweede lid, of
2°. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde het geval zou zijn.
2. De emissies van:
a. vluchtige organische stoffen als bedoeld in het eerste lid en
b. gehalogeneerde vluchtige organische stoffen waaraan de gevarenaanduidingen H341 of H351 zijn toegekend, of die van deze aanduidingen moeten zijn voorzien,
overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 2.30 niet. De emissiegrenswaarden gelden voor de totale massa van de betrokken stoffen.
[tabel]
3. Een oplosmiddeleninstallatie waarin twee of meer activiteiten worden verricht die elk de drempelwaarden van tabel 2.28a of tabel 2.28b overschrijden, voldoet:
a. ten aanzien van de stoffen of mengsels, genoemd in het eerste of tweede lid, voor elke activiteit afzonderlijk aan de in die leden vermelde eisen, en
b. ten aanzien van de andere stoffen of mengsels dan bedoeld onder a: 1°. voor elke activiteit afzonderlijk aan artikel 2.29, eerste of tweede lid, of
2°. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde het geval zou zijn.
1°. voor elke activiteit afzonderlijk aan artikel 2.29, eerste of tweede lid, of
2°. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde het geval zou zijn.