BWBR0022545
Geldig vanaf 2020-03-30
Artikel 2.1
Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden
1. De aanvrager van een toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat een overeenkomstig artikel 4, zevende lid, van verordening (EG) 1107/2009 goedgekeurde werkzame stof bevat, legt tegelijkertijd met zijn aanvraag een plan voor een alternatieve aanpak van het ernstige gevaar voor aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
2. Het plan beschrijft stapsgewijs:
a. hoe binnen vijf jaren na de eventuele toelating chemische of niet-chemische alternatieven kunnen worden gevonden en ingezet in plaats van het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel, en
b. met behulp van wiens inzet het doel zal worden gerealiseerd.
3. De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan het plan, na overleg met landbouwsectororganisaties of andere sectororganisaties die belang hebben bij de bestrijding van het ernstige gevaar, wijzigen en stuurt het plan binnen twee weken nadat in voorkomend geval een toelating is verleend, aan de Europese Commissie.
4. De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan een formulier vaststellen voor het indienen van het plan.
2. Het plan beschrijft stapsgewijs:
a. hoe binnen vijf jaren na de eventuele toelating chemische of niet-chemische alternatieven kunnen worden gevonden en ingezet in plaats van het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel, en
b. met behulp van wiens inzet het doel zal worden gerealiseerd.
3. De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan het plan, na overleg met landbouwsectororganisaties of andere sectororganisaties die belang hebben bij de bestrijding van het ernstige gevaar, wijzigen en stuurt het plan binnen twee weken nadat in voorkomend geval een toelating is verleend, aan de Europese Commissie.
4. De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan een formulier vaststellen voor het indienen van het plan.