BWBR0022545
Geldig vanaf 2020-03-30
Artikel 11.10b
Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden
1. Het college verleent een toelating voor een toevoegingstof als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel d, van verordening (EG) 1107/2009, indien de aanvrager aantoont dat de toevoegingstof geen formuleringshulpstof bevat, die in bijlage III van verordening (EG) 1107/2009 is opgenomen.
2. Het college herziet een toelating voor een toevoegingstof indien:
a. de nadere regels, bedoeld in artikel 58, tweede lid, van verordening (EG) 1107/2009 daartoe nopen, of
b. een toevoegingstof geheel of gedeeltelijk bestaat uit formuleringshulpstoffen die zijn opgenomen in bijlage III van verordening (EG) 1107/2009.
3. De toelating van een toevoegingstof kan worden ingetrokken of gewijzigd wanneer:
a. aanwijzingen bestaan dat de toevoegingstof mogelijk een risico inhoudt voor mens, dier of milieu;
b. onjuiste of misleidende informatie is verstrekt met betrekking tot de gegevens op basis waarvan de toelating is verstrekt; of
c. niet voldaan is aan een voorwaarde in de toelating.
4. Wanneer het college voornemens is een toelating voor een toevoegingstof in te trekken of te wijzigen, licht hij de houder van de toelating in en stelt hij hem een termijn om opmerkingen te formuleren of nadere gegevens te verstrekken.
5. De in het vierde lid bedoelde termijn wordt, na afweging van alle betrokken belangen, zo kort als redelijkerwijs mogelijk gesteld.
6. Wanneer er aanwijzingen zijn dat een toelating voor een toevoegingstof mogelijk tot ernstige risico’s leidt, kan het college, teneinde de risico’s weg te nemen of tot een aanvaardbaar niveau te beperken, de toelating schorsen of wijzigen voor de duur die nodig is voor de besluitvorming, bedoeld in het derde lid.
2. Het college herziet een toelating voor een toevoegingstof indien:
a. de nadere regels, bedoeld in artikel 58, tweede lid, van verordening (EG) 1107/2009 daartoe nopen, of
b. een toevoegingstof geheel of gedeeltelijk bestaat uit formuleringshulpstoffen die zijn opgenomen in bijlage III van verordening (EG) 1107/2009.
3. De toelating van een toevoegingstof kan worden ingetrokken of gewijzigd wanneer:
a. aanwijzingen bestaan dat de toevoegingstof mogelijk een risico inhoudt voor mens, dier of milieu;
b. onjuiste of misleidende informatie is verstrekt met betrekking tot de gegevens op basis waarvan de toelating is verstrekt; of
c. niet voldaan is aan een voorwaarde in de toelating.
4. Wanneer het college voornemens is een toelating voor een toevoegingstof in te trekken of te wijzigen, licht hij de houder van de toelating in en stelt hij hem een termijn om opmerkingen te formuleren of nadere gegevens te verstrekken.
5. De in het vierde lid bedoelde termijn wordt, na afweging van alle betrokken belangen, zo kort als redelijkerwijs mogelijk gesteld.
6. Wanneer er aanwijzingen zijn dat een toelating voor een toevoegingstof mogelijk tot ernstige risico’s leidt, kan het college, teneinde de risico’s weg te nemen of tot een aanvaardbaar niveau te beperken, de toelating schorsen of wijzigen voor de duur die nodig is voor de besluitvorming, bedoeld in het derde lid.