1. Studerenden die in 2007 op grond van
artikel 3.13 van de Wet studiefinanciering 2000een aanvullende beurs toegekend hebben gekregen met toepassing van peiljaarverlegging als bedoeld in
artikel 3.10 van de Wet studiefinanciering 2000, hebben eenmalig aanspraak op compensatie.
2. Het bedrag aan compensatie bedraagt het verschil tussen de uitkomst van de berekening, bedoeld in het derde lid, en de toegekende aanvullende beurs in 2007.
3. De aanvullende beurs wordt opnieuw berekend, waarbij in afwijking van
artikel 3.9, derde lid van de Wet studiefinanciering 2000:
a. voor studerenden waarvoor op grond van artikel 3.10 van de Wet studiefinanciering 2000 wordt uitgegaan van het eerste jaar na het peiljaar, een vrije voet van € 15 601,91 wordt gebruikt,
b. voor studerenden waarvoor op grond van artikel 3.10 van de Wet studiefinanciering 2000 wordt uitgegaan van het eerste jaar na het peiljaar en waarvoor de laatste volzin van artikel 3.9, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 toepassing vindt, een vrije voet van € 19 873,17 wordt gebruikt,
c. voor studerenden waarvoor op grond van artikel 3.10 van de Wet studiefinanciering 2000 wordt uitgegaan van het tweede jaar na het peiljaar, een vrije voet van € 15 754,81 wordt gebruikt, en
d. voor studerenden waarvoor op grond van artikel 3.10 van de Wet studiefinanciering 2000 wordt uitgegaan van het tweede jaar na het peiljaar en waarvoor de laatste volzin van artikel 3.9, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 toepassing vindt, een vrije voet van € 20 067,93 wordt gebruikt.
4. De compensatie wordt toegekend als gift en wordt uitbetaald in het eerste kwartaal van 2008.