1. Onverminderd het tweede en derde lid, worden de door het bedrijfschap krachtens
artikel 126, eerste lid, van de wetop te leggen heffingen vastgesteld naar één van de volgende grondslagen:
a. het aantal personen of categorieën van personen, werkzaam in de ondernemingen waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;
b. de in de ondernemingen waarvoor het bedrijfschap is ingesteld bereikte omzet of onderdelen daarvan;
c. de loonsom van de werknemers in de ondernemingen waarvoor het bedrijfschap is ingesteld.
2. Heffingen, met uitzondering van die waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming heeft, kunnen, behoudens een krachtens het eerste lid vastgesteld deel, voor het andere deel in afwijking van dat lid worden opgelegd tot een bedrag dat voor alle ondernemingen waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, gelijk is.
3. Heffingen waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming heeft, kunnen worden opgelegd naar een grondslag welke het bestuur in verband met die bestemming passend acht.
4. Bij heffingsverordening kan worden bepaald dat voor daarbij aan te wijzen groepen van ondernemingen, ten aanzien waarvan zich bijzondere omstandigheden voordoen, de heffing op andere wijze wordt berekend.