1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens:
a. de Arbeidsomstandighedenwet;
b. de Arbeidsomstandighedenwet 1998
c. de Arbeidstijdenwet;
d. de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
e. de Kernenergiewet;
f. de Wet arbeid vreemdelingen;
g. titels 9.2 en 9.3 van de Wet milieubeheer;
h. de Warenwet;
i. de Stoomwet;
j. de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs;
k. het Buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen 1945;
l. de Wet op de ondernemingsraden;
m. de Wet goederenvervoer over de weg;
n. de artikelen 161sexies, 161septies, 177, 177a, 179, 180, 181, 182, 184, 185, 189, 197, 197a, 197b, 197c, 197d, 199, 225, 226, 227, 227a, 227b, 231, 266, 307, 308, 323a, 350a, 350b, 362, 363, 435, onder ten vierde, en 447b van het Wetboek van Strafrecht, voor zover dit feit van belang is voor de uitoefening van zijn functie;
o. andere strafbare feiten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van Nederland.