BWBR0020657
Geldig vanaf 2021-12-03
Artikel 6.2
Regeling inburgering
1. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens, bedoeld in artikel 6.1, onderdeel a, is in ieder geval noodzakelijk voor de beoordeling van de inburgeringsplicht van een geestelijke bedienaar overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0020611/artikel/3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet</a>.
2. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 6.1, onderdeel b, is in ieder geval noodzakelijk voor de beoordeling van de inburgeringsplicht overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0020611/artikel/3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3 van de wet</a>.
3. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 6.1, onderdeel c, is in ieder geval noodzakelijk voor de beoordeling of een inburgeringsplichtige gehandeld heeft in strijd met de <a href="/wet/BWBR0020611/artikel/7" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 7, eerste lid</a>, <a href="/wet/BWBR0020611/artikel/29" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">29</a>en <a href="/wet/BWBR0020611/artikel/32" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">32 van de wet</a>.
4. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 6.1, onderdeel d, is in ieder geval noodzakelijk om de kandidaat met een psychische of lichamelijk belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, op diens verzoek in de gelegenheid te stellen het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan af te leggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.
5. De bijzondere persoonsgegevens worden ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde doeleinden verstrekt aan het Informatiesysteem Inburgering.
2. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 6.1, onderdeel b, is in ieder geval noodzakelijk voor de beoordeling van de inburgeringsplicht overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0020611/artikel/3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3 van de wet</a>.
3. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 6.1, onderdeel c, is in ieder geval noodzakelijk voor de beoordeling of een inburgeringsplichtige gehandeld heeft in strijd met de <a href="/wet/BWBR0020611/artikel/7" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 7, eerste lid</a>, <a href="/wet/BWBR0020611/artikel/29" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">29</a>en <a href="/wet/BWBR0020611/artikel/32" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">32 van de wet</a>.
4. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 6.1, onderdeel d, is in ieder geval noodzakelijk om de kandidaat met een psychische of lichamelijk belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, op diens verzoek in de gelegenheid te stellen het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan af te leggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.
5. De bijzondere persoonsgegevens worden ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde doeleinden verstrekt aan het Informatiesysteem Inburgering.