1. De Minister beoordeelt het jaarprogramma, mede aan de hand van de bij de aanvraag tot subsidieverlening te overleggen bescheiden.
2. Naast de gronden, genoemd in de
wet, kan de Minister de subsidieverlening in elk geval geheel of gedeeltelijk weigeren indien:
a. het jaarprogramma niet voldoet aan artikel 2, eerste lid;
b. het jaarprogramma niet in voldoende mate aansluit bij de door de Minister geformuleerde beleidsdoelstellingen op het gebied van de verkeersveiligheid, of
c. het bedrag van de aangevraagde subsidie naar het oordeel van de Minister onevenwichtig is in verhouding tot de activiteiten in het jaarprogramma.
3. De subsidieverlening geschiedt onder de voorwaarde dat voor het deel van de subsidie dat ten laste van een nog niet vastgestelde begroting komt, voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
4. De beschikking tot subsidieverlening bepaalt het bedrag van de subsidie met toepassing van de volgende formule:
a. voor de boekjaren 2007, 2008 en 2009: X – (Y – Z), met dien verstande dat ‘(Y – Z)’ groter of gelijk is aan nul;
b. voor het boekjaar 2010: X – Y, met dien verstande dat Y groter of gelijk is aan nul.
5. In de formules, genoemd in het vierde lid, wordt verstaan onder:
a. X = het bedrag dat de Minister wil verstrekken voor de activiteiten in het jaarprogramma;
b. Y = de omvang die de egalisatiereserve, bedoeld in artikel 14, eerste lid, heeft op 31 december van het boekjaar waarop het jaarprogramma betrekking heeft, zonder de maximering, bedoeld in het tweede lid van dat artikel;
c. Z = het bedrag van de egalisatiereserve dat ingevolge artikel 14, tweede lid, ten hoogste kan worden gevormd.
6. De Minister kan, in afwijking van het vierde lid, onder b, besluiten dat een bedrag wordt bestemd ten gunste van de egalisatiereserve onder een opvolgende subsidieregeling. Een dergelijk bedrag bedraagt ten hoogste het bedrag dat ingevolge artikel 14, tweede lid, kan worden gevormd.