BWBR0020449
Geldig vanaf 2008-07-01
Artikel 3.36b
Wet ruimtelijke ordening
1. De in <a href="/wet/BWBR0001842/artikel/18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 18, eerste lid, van de onteigeningswet</a>bedoelde dagvaarding kan geschieden, nadat:
a. een bestemmings- of inpassingsplan, of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het geldende bestemmingsplan wordt afgeweken, als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, onder b, onderscheidenlijk de artikelen 3.33, eerste lid, onder b, of 3.35, eerste lid, onder c, is vastgesteld, respectievelijk is verleend;
b. een bestemmings- of inpassingsplan waarbij toepassing is gegeven aan artikel 3.4, dan wel een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het geldende bestemmingsplan wordt afgeweken, gelijktijdig met een exploitatieplan is bekendgemaakt.
2. Voor zover nodig in afwijking van <a href="/wet/BWBR0001842/artikel/37" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 37, tweede lid</a>, of <a href="/wet/BWBR0001842/artikel/54i" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">54i, eerste lid, van de onteigeningswet</a>, doet de rechtbank niet eerder uitspraak dan nadat het onderdeel van het bestemmingsplan, inpassingsplan of de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, ter uitvoering waarvan wordt onteigend, onherroepelijk is geworden blijkens een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dan wel een verklaring van de secretaris van de Raad van State of van de griffier van de betrokken rechtbank.
a. een bestemmings- of inpassingsplan, of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het geldende bestemmingsplan wordt afgeweken, als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, onder b, onderscheidenlijk de artikelen 3.33, eerste lid, onder b, of 3.35, eerste lid, onder c, is vastgesteld, respectievelijk is verleend;
b. een bestemmings- of inpassingsplan waarbij toepassing is gegeven aan artikel 3.4, dan wel een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het geldende bestemmingsplan wordt afgeweken, gelijktijdig met een exploitatieplan is bekendgemaakt.
2. Voor zover nodig in afwijking van <a href="/wet/BWBR0001842/artikel/37" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 37, tweede lid</a>, of <a href="/wet/BWBR0001842/artikel/54i" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">54i, eerste lid, van de onteigeningswet</a>, doet de rechtbank niet eerder uitspraak dan nadat het onderdeel van het bestemmingsplan, inpassingsplan of de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, ter uitvoering waarvan wordt onteigend, onherroepelijk is geworden blijkens een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dan wel een verklaring van de secretaris van de Raad van State of van de griffier van de betrokken rechtbank.