BWBR0020449
Geldig vanaf 2008-07-01
Artikel 10.3
Wet ruimtelijke ordening
1. Ten aanzien van gronden die geen deel uitmaken van het grondgebied van een gemeente of een provincie kan, voor zover zulks bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister gezamenlijk met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, is bepaald, een rijksbestemmingsplan worden vastgesteld.
2. Op het rijksbestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, zijn van hoofdstuk 3de afdelingen 3.1, 3.2, met uitzondering van artikel 3.8, vierde en zesde lid, afdeling 3.3en § 3.6.1en afdeling 3.7waar mogelijk van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van de gemeenteraad en van burgemeester en wethouders.
3. Bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de bestuursorganen die de in deze wet vervatte bevoegdheden uitoefenen en ten aanzien van de bij die uitvoering te betrekken bestuursorganen.
2. Op het rijksbestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, zijn van hoofdstuk 3de afdelingen 3.1, 3.2, met uitzondering van artikel 3.8, vierde en zesde lid, afdeling 3.3en § 3.6.1en afdeling 3.7waar mogelijk van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van de gemeenteraad en van burgemeester en wethouders.
3. Bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de bestuursorganen die de in deze wet vervatte bevoegdheden uitoefenen en ten aanzien van de bij die uitvoering te betrekken bestuursorganen.