BWBR0020449
Geldig vanaf 2008-07-01
Artikel 10.2
Wet ruimtelijke ordening
1. Onderstaande personen, niet zijnde toezichthouders, hebben in de hierna genoemde gebieden toegang tot alle terreinen en gebouwen, niet zijnde woningen, voor zover dat redelijkerwijs voor de uitvoering van deze wet nodig is:
a. in het gehele land: de door Onze Minister aan te wijzen personen;
b. in een provincie: de door de Commissaris van de Koning aan te wijzen personen;
c. in een gemeente: de burgemeester en de door hem aan te wijzen personen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden voorgeschreven dat ten aanzien van bepaalde terreinen of gebouwen de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid slechts wordt uitgeoefend door bepaalde van de in het eerste lid genoemde personen.
3. De in het eerste lid bedoelde personen verschaffen zich zo nodig toegang met behulp van de sterke arm.
a. in het gehele land: de door Onze Minister aan te wijzen personen;
b. in een provincie: de door de Commissaris van de Koning aan te wijzen personen;
c. in een gemeente: de burgemeester en de door hem aan te wijzen personen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden voorgeschreven dat ten aanzien van bepaalde terreinen of gebouwen de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid slechts wordt uitgeoefend door bepaalde van de in het eerste lid genoemde personen.
3. De in het eerste lid bedoelde personen verschaffen zich zo nodig toegang met behulp van de sterke arm.