1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot de opsporing van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
a. De in artikel 1a van de WED genoemde wetten alsmede de artikelen 26, 33 en 34 van de WED;
b. de Wet op de Ruimtelijke Ordening; De Woningwet; Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden;
c. de Algemene Plaatselijke Verordening van de in het tweede lid genoemde gemeente en andere (provinciale) verordeningen, voor zover betrokkene voor voornoemde verordeningen door het bevoegd bestuursorgaan daartoe is aangewezen;
d. de artikelen 157, 173, 173a, 173b, 174, 175, 177, 177a, 179, 180, 181, 182, 184, 185, 198, 199, 225, 266, 267, 427, en 435, onder ten vierde, 461 en 447e, van het Wetboek van Strafrecht;
e. andere strafbare feiten, indien en voor zover de buitengewoon opsporingsambtenaar daarmee in een concreet opsporingsonderzoek is belast, voor de duur van dat onderzoek;
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van de gemeente Amsterdam.