1. De archiefbescheiden betreffende aangelegenheden welke op het moment van inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn afgedaan, worden tijdelijk ter beschikking gesteld aan de door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon.
2. De archiefbescheiden betreffende zaken welke op het moment van inwerkingtreding van deze wet reeds zijn afgedaan kunnen, voor zover zij niet zijn overgebracht naar een rijksarchiefbewaarplaats, tijdelijk ter beschikking worden gesteld aan de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon.
3. De zorg voor de archiefbescheiden van de Organisatie voor de Verbetering van de Binnenvisserij gaat op het moment van inwerkingtreding van deze wet over naar Onze Minister.
4. Onze Minister stelt vast voor welk tijdvak de in het eerste en tweede lid bedoelde archiefbescheiden aan de rechtspersoon ter beschikking worden gesteld.
5. De rechtspersoon rapporteert jaarlijks aan Onze Minister over het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden. Het in de
artikelen 25aen
25b van de Archiefwet 1995bedoelde toezicht op het beheer blijft op de krachtens het eerste en tweede lid ter beschikking gestelde archiefbescheiden van toepassing.
6. Onze Minister is te allen tijde bevoegd inzage te nemen van de terbeschikkinggestelde archiefbescheiden dan wel daarvan of daaruit reproducties, afschriften of uittreksels te vorderen.
7. De overbrenging van de in de in het eerste en tweede lid bedoelde archiefbescheiden naar een rijksarchiefbewaarplaats geschiedt door Onze Minister met inachtneming van de
artikelen 12en
13 van de Archiefwet 1995.
8. De kosten van het beheer van de krachtens het eerste en tweede lid ter beschikking gestelde archiefbescheiden komen ten laste van de in deze leden bedoelde rechtspersoon.